Schokkers

In ons standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' van Mr. Dr. T. Huitema staat het volgende geschreven:

Volgens Van Dale is een schokker een klein vissersvaartuig, oorspronkelijk van het eiland Schokland, met een oplopend, vooruitstekend voorschip met balkvormige steven, een achterover hellende mast, een gaffelzeil en een stagfok.

Dit is niet zo'n slechte definitie, al zou er bij kunnen staan, dat de schepen van eikenhout werden gebouwd, en dat niet onomstotelijk vaststaat, dat zij oorspronkelijk van het eiland Schokland komen. Zeker is, dat dit type van de Frankische bouworde, met zijn varianten, vooral aan de Oostwal van de Zuiderzee voorkwam, en dat ook de vloot van het voormalige eiland Schokland vele schokkers telde. Deze werden zo'n goede honderd jaar geleden meestal met de naam 'schuit' of 'visschuit' aangeduid. Het is zelfs eigenlijk niet bewezen, dat de naam schokker is afgeleid van Schokland. Men kan bijvoorbeeld ook denken aan het oud-nederlandse woord 'scholken' voor op en neer gaan op een onstuimige zee.

Een goede 'scholker' zou dus een schip kunnen zijn, dat de opeenvolgende golfbewegingen op een prettige manier 'opvangt'. Het is een bekend feit onder de vissers dat de schokker dit inderdaad doet (of deed, moet ik eigenlijk zeggen); op een botter bijvoorbeeld heeft men veel meer last van buiswater dan op een schokker.

'Scholker' laat zich dan gemakkelijk verbasteren tot 'schokker', met een taalkundig eigenlijk juist tegenovergestelde betekenis. Waar Van Dale het heeft over een 'vooruitstekend' voorschip zal hij bedoelen, dat het voorschip veel overhang heeft in verband met de vrij sterke helling van de zware stevenbalk. (Tussen haakjes zou ik hier de verleidelijke hypotese willen plaatsen, dat veel scheepsbenamingen hun oorsprong zouden kunnen vinden in de weerstand, die de schepen van het water ondervinden.)

In verschillende vissersplaatsen, maakten Schokkers, groot en klein, onderdeel uit van de vloot

Jan Braaksma, auteur van het boek 'De verdwenen schepen van de Dongeradelen' voegt hieraan het volgende toe:
Urker schokkers waren grote zeegaande schepen met een lengte van max. 15/16 m. De naam ‘Schokker’ werd niet veel gebruikt; men noemde deze schepen Urker schuiten (skute of Kúnder skute). Deze grote Schokkers, dus ook de Urker schepen, werden gebouwd in Kuinre, Blokzijl en Kampen. 

Kuinre
In Kuinre waren vroeger drie scheepswerven. Twee van de werven waren in eigendom bij Fledderus en lagen bij de sluis. Er werden in Kuinre alleen maar grote Schokkers gebouwd voor de visserij op de Noordzee, ze waren alle bestemd voor de Urker vissers. De laatste Schokker is hier gebouwd in 1883, ook voor Urk (volgens Boonenburg moet dit de UK110 zijn geweest, die momenteel in het Zuiderzee museum ligt). In Kuinre werden ook de Aken voor de Dongeradelen gebouwd. Volgens onze zegsman waren deze Aken iets langer dan de gewone Schokkers (15/17 meter), ze hadden twee masten. Het ligt voor de hand dat de vissers uit de Dongeradelen voor Kuinre hebben gekozen om hun schepen daar te laten bouwen. Kuinre lag op de taalgrens van het Fries en het Saksisch. Zuidelijk van Kuinre kreeg het Saksisch de overhand maar in Kuinre werd nog Fries gesproken. De laatste Aak werd in Kuinre rond 1875 gebouwd.

Blokzijl
Er waren drie werven in Blokzijl. De laatste werf was van H. Snoek en die sloot rond 1940. De andere twee werven waren van de gebroeders Willigenkamp en P. Snoek. Ze waren gelegen aan de landzijde van het dorp. Ze bouwden Punters en pramen voor de boeren en bouwden Schokkers (grote en kleinere van rond 10 meter) voor de vissers (later Botters). De grotere Schokkers werden voor rekening van Urker vissers gebouwd en waren rond de 15 meter. Ze werden ‘Urker schuiten’ genoemd zoals ook in Kuinre het geval was. De kleinere schuiten of Schokkers (Bonzen) gingen naar Vollenhove. Deze schepen waren rond de 10 meter en de laatste liep rond 1910 van de helling.

Kampen
De werven van Schepman en van Van Goor waren te vinden in Kampen. Ze bouwden zware grote schepen die diep staken. De Schokkers van Schepman bleken uitstekende (vlotte en vlugge) zeilers te zijn. Het meest werden er kleinere Schokkers gebouwd maar later ook wel de grotere. Naast Schokkers bouwde men hier ook Pluten. Ook hier werden ze ‘schuiten’ genoemd.

Voor tekeningen van een grote schokker zie Huitema – Ronde en platbodem jachten.

 

Terug naar vorige pagina