Pluut

Een nog kleiner soort schokker is de pluut. De pluut is direct van de schokker en de bons te onderscheiden door het eigenaardig gevormde boeisel waar een slag in zit. Achter valt het namelijk naar binnen. Van de achterkant van het zwaard tot de hoogte van de mast loopt het ongeveer recht om vervolgens tot de steven rechtdoor te gaan of zelfs iets naar buiten te vallen. Het vlak is breder dan bij de schokker en de bons. Het achterschip is scherper en de kop minder hoog. De pluut lijkt daardoor wat gestrekter.

Pluten kwamen veel van de Gelderse kust. Het is logisch dat dit scheepstype zich daar ontwikkelde. De lage zandkust die vaak lagerwal was, eiste een handelbaar schip dat goed kon opwerken tegen de zee. Er is nog een enkele pluut in originele staat als jacht in de vaart. Ook zijn er enkele pluten van staal als jacht gebouwd.

Tagrijn 2001 nummer 2 - Roelof Oost over de Pluut (door Robert Oosterhof)

R. (Roelof) T. Oost zou samen met zijn broer Lou de werf van vader Johan Oost overnemen, maar door de afsluiting van de Zuiderzee en de economische crisis was er onvoldoende emplooi. Roelof Oost werd scheepsbouwkundige bij de marine. Hij schreerf het verhaal "De Pluut", gedateerd op december 1962 (Scheveningen), wat in 2001 in de "Tagrijn" werd gepubliceerd:

De pluut geldt als één van de minder bekende visserijschepen van de Zuiderzee. Die relatieve onbekendheid zal ongetwijfeld te maken hebben met het vrij geringe aantal pluten dat gebouwd is én met het beperkte vaargebied van dit scheepstype. Pluten vond men vooral in Harderwijk en Elburg, maar ook wel te Spakenburg. De pluut was dan ook speciaal voor dit Zuid-Oostelijke ondiepe deel van de Zuiderzee gebouwd. Wie door de formulieren van aangifte van de Harderwijker vissersvloot bladert, ziet dat de pluut aldaar allesbehalve een zeldzaamheid was. Enkele tientallen keren komen we vanaf begin van de 20e eeuw een pluut onder een HK-nummer tegen. In die visserijregistraties zien we ook dat de woorden 'pluut' en 'pluit' door elkaar gebruikt werden. De veelgehoorde verklaring is dat de registrerende ambtenaar dacht dat pluut platte uitspraak was en 'dus' pluit het goede woord moest zijn. De afmetingen van de Harderwieker pluten varieerden van ruim 6 tot 11 meter. Vooral bij de kleinere 'pluutjes' is het oppassen geblazen: niet altijd valt met zekerheid te zeggen of het om bons-, pluut-, punter- of gewoon schuitachtige modellen gaat. Vroeger was dat ook niet belangrijk: als-ie maar viste.

In het bekende standaardwerk 'Ronde en platbodemjachten' wordt door de schrijver Huitema ook de nodige informatie over het scheepstype pluut verschaft. Zijn belangrijkste zegsman daarbij is de Harderwijker werfbaas Oost, die hij omstreeks 1960 sprak. Op de werf van Oost, en zijn voorganger Van Kuikhoven, zijn naar schatting in de loop der tijd ruim 10 pluten van divers formaat gebouwd. De laatste dateerde uit 1946. Huitema noemt het de 'Z53', maar hier heeft het zet- of schrijfduiveltje toegeslagen. Het desbetreffende pluutje is de huidige 'ZS3'. In 1946 werd het scheepje gebouwd als 'HK116' voor rekening van Peter Bruinink. Diens vorige schip, een botter, was op 11 oktober 1944 bij een geallieerd bombardement op de haven van Harderwijk vernield.

'Ronde en platbodemjachten' bevat voorts een aantal prachtige bouwtekeningen van de pluut 'VD23' en een gedetailleerd overzicht van afmetingen en materiaal van het betreffende schip. De 'VD23' (l.o.s. 9,44 m) werd in 1919 op de werf van Johan Oost gebouwd voor schipper P. Laan te Edam. De tekeningen (ik citeer Huitema) zijn vervaardigd door een zoon van de scheepsbouwer, de heer R.T. Oost, die daaraan enige belangwekkende mededelingen over de bouw van pluten in het algemeen toevoegde. Wie dan vervolgens vol verwachting de bladzijde omslaat op zoek naar deze belangwekkende opmerkingen vindt ze niet.

Soms echter redt het toeval. Robert Oosterhof kreeg in Harderwijk een geschrift aangereikt van 7 getypte kantjes met nog enkele tabellen en de tekeningen van de 'VD23' toegevoegd.

Terug naar vorige pagina