Staverse jollen

 

Dirk Huizinga schrijft in zijn boek "Staverse jollen":
Tegen alle verwachtingen in, zijn Staverse jollen populaire platbodemjachten geworden. Dat is opvallend, omdat deze voormalige vissersscheepjes aanvankelijk slechts een beperkte groep zeilers aansprak. Maar dat waren dan ook liefhebbers van die norse, lompe scheepjes, die op het binnenwater maar moeizaam op gang kwamen en het moesten hebben van het ruimere water en een niet te zwakke wind. Die populariteit is vooral te danken aan de ontwerper Jaap Gipon, die een groot deel van z'n leven zelf in een oude, houten jol zeilde die gebouwd was bij Wildschut in Gaastmeer. Gipon tekende houten jachtjollen die sprekend leken op de houten vissersjollen van weleer, maar dat waren niet de ontwerpen die het deden. Zijn wat grotere jollen tussen de 7 en de 8 meter, gebouwd in staal en meestal voorzien van een kajuit, werden in de welvarende zeventiger en negentiger jaren populair bij zeilers die wel met een traditioneel schip wilden varen, maar liever niet het werk met zijzwaarden erbij deden. De wat grotere jollen van Gipon zijn ruim, gemakkelijk te zeilen en behoorlijk snel. Bovendien zijn het om te zien `echte' Staverse jollen. Het is zondermeer aan Gipon te danken, dat er op dit moment zoveel Staverse jollen op het water te zien zijn. Toch is er bij die dominantie van de Giponontwerpen een kanttekening te maken. Al die schepen lijken op elkaar. De variatie onder de oorspronkelijke vissersjollen was veel groter dan tussen de huidige jachtjollen.

Spiegel der zeilvaart maart 1988 nummer 2 - Geheimen van de Staverse jol door Jan Kooijman

De tijd gaat zo snel, dat allerlei zaken al geschiedenis zijn geworden vóór je er erg in hebt. Vaak is na korte tijd al niet meer te achterhalen hoe iets zich heeft toegedragen. Dat is niet alleen zo bij grote duistere politiek waarvan de ware toedracht wel nimmer boven water zal komen, maar ook bij alledaagse dingen, die iedereen heeft kunnen waarnemen. Voor ons is de geschiedenis van de Staverse jol nog heel dichtbij, maar we weten nu al niet precies meer waar dit vissersscheepje vandaan kwam en waarom het zich juist zó heeft ontwikkeld en niet anders. Waarom heeft het bijvoorbeeld zo'n volle kop? Op deze en dergelijke vragen zijn in de loop der tijd verschillende antwoorden gegeven.
Crone: De jol is een Zuiderzeescheepje van vóór 1550. In zijn boek „Onze schepen in de gouden eeuw" concludeert G. C. E. Crone dat de afwezigheid van zwaarden bij dit scheepje wijst op een herkomst die honderden jaren teruggaat. Hij zegt: „Zwaarden, die zonder twijfel op enge wateren het eerst zijn toegepast, kwamen in de tweede helft der zestiende eeuw algemeen in gebruik, behalve bij enkele schepen. Eén daarvan bestaat nog; het is een visschuit, de Staverse jol, die zodanig van vorm is dat zij geen zwaarden nodig heeft". De opvatting van Crone heeft zeker aantrekkelijkheid, maar gezegd moet worden dat rechtstreekse bewijzen voor zijn veronderstelling niet zijn geleverd.
Tesch en De Veen: De jol stamt uit Scandinavië. In hun in de Duitse taal geschreven werk „ Die Niederländische Seefischerei" menen J. J. Tesch en J. de Veen dat de Staverse jol van Scandinavische herkomst is. Ook onlangs nog hoorde ik die mening verkondigen door een kenner van de Nederlandse visserijschepen, die veel met oudere vissers over dit onderwerp had gesproken. Net als bij de opvatting van Crone moet echter ook hier gezegd worden dat een voldoende stevige fundering onder de stelling ontbreekt.
Huitema: De jol is ontwikkeld uit de sloep en heeft zijn kenmerkende vorm gekregen in de tweede helft van de vorige eeuw: In het hoofdstuk over de Staverse jol in het standaard werk Ronde en Platbodemjachten van Mr. Dr. T. Huitema (ik citeer de zojuist bij de Boer Maritiem verschenen zesde herziene druk) staat: „Aanvankelijk maakte men (voor de ansjovisvangst) vooral gebruik van de sloepen, die ook bij de palingvangst dienst deden, waarbij al spoedig bleek dat de uit de buurt van Vollenhove afkomstige sloepen met hun tamelijk volle kop het beste voor dit werk geschikt waren. Een tweetal vissers, J. Visser uit Stavoren en M. Zeldenrust uit Molkwerum, lie-ten daarom bij de werf van J. Strikwerda uit Stavoren ieder een speciale boot voor de ansjovisvangst bouwen met een volle ronde kop. Dat werden de eerste Staverse of ansjovisjollen, ook wel herfst- of fuikenjollen genoemd. Beide schepen waren geheel open en 18 voet lang."
Petrejus sluit zich bij die opvatting aan (E. W. Petrejus oude zeilschepen en hun modellen pag. 243).
Vroom: Relatie met de sloepen van de werf van Van der Zee te Joure. In het geschrift Vracht- en vissersschepen gebouwd door Eeltje Holtrop van der Zee en Auke Holtrop van der Zee wijdt U. E. E. Vroom een paragraaf aan de sloepen. Hij zegt daarin dat de sloepen in verband worden gebracht met het ontstaan van de Staverse jol en dat dit verband zijns inziens alleszins waarschijnlijk is. Hij wijst erop, dat in het jaarverslag van de gemeente Staveren over het jaar 1859 wordt geschreven: „de aalvangst geschiedt met zeesloepen of z.g. jollen" en dat hier voor de eerste maal in de verslagen van jollen sprake is. Het jaar daarvóór stond er nog: „de aalvangst geschiedt met zeesloepen". Ook wijst Vroom op de overeenkomst in afmetingen tussen de Staverse jol en de door de werf te Joure gebouwde barkassen of sloepen, zij het dat de Staverse jol een veel hogere kop had. Zoals bij de Lemsteraak de grondvormen van de binnenaak te herkennen zijn, terwijl de vorm van het voorschip het stempel draagt van de werf van de Boer, zo zou men van de Staverse jol kunnen zeggen dat de grondvormen van de sloep te herkennen zijn, terwijl de kop en daardoor ook het verdere verloop van het schip het stempel draagt van de werf van Strikwerda in Staveren. Aldus Vroom.
Van der Molen: Er is via F. N. van Loon een relatie met de Franse kotter. Van de theorieën over de herkomst van de Staverse jol bevalt die van S. J. van der Molen mij het meest. (zie het jaarverslag 1961 van het Fries Scheepvaartmuseum). Zijn redenering heeft een historische basis met een grote mate van waarschijnlijkheid. Hij vermeldt een belangrijk rapport uit de Franse tijd (1812) over de kustvisvangst, die werd uitgeoefend „met kleine schuitjes" en vraagt zich af of dit al onze Staverse jollen waren. Hij doet dat omdat een aantal jaren later wordt gesproken van Hindeloper jollen, namelijk door de bekende F. N. van Loon in zijn „Handleiding tot den burgelijken scheepsbouw." Van Loon steekt daar de loftrompet over een 25 voets Hindeloper jol, die een dubbele bodem had met vaste waterballast. Dat scheepje was een erkend goede zeiler. In 1828 ontwierp Van Loon voor het loodswezen een vaartuig, dat hiermee waarschijnlijk veel overeenkomst vertoonde. Het door Van Loon zelf gebouwde palmhouten model van dit vaartuig is in het Fries scheepvaartmuseum te bewonderen. De aandachtige beschouwer ziet ogenblikkelijk dat het erg veel weg heeft van de latere Staverse jollen. De volgende stap, die S. J. van der Molen zet, is de constatering dat Van Loon niet de gewoonte had iets volkomen nieuws te maken, maar dat hij wel verbeteringen aan bestaande typen aanbracht.
Behalve overeenkomst met de Staverse jol is er ook overeenkomst met een Franse kotter. Dat is geen wonder zegt hij, omdat gedurende de Franse tijd op Nederlandse werven schepen naar Franse voorschriften werden gebouwd. Van Loon kende die schepen en heeft daarvan gebruik gemaakt voor zijn eigen ontwerp van een jol. U. E. E. Vroom voegt daaraan toe dat het goed mogelijk is dat Van Loon invloed heeft gehad op de vorm van zeesloepen en daarmee, ondermeer via Eeltjebaas, op de Staverse jol.
Tot zover een aantal theorieën over de herkomst van de Staverse jol, een geheim dat weliswaar nog niet met volle zekerheid is ontsluierd, maar waarvan de historische lijn: Franse kotter - Van Loon - zeesloep - Staverse jol overeenkomstig de stellingname van Van der Molen voorlopig als de meest waarschijnlijke kan worden beschouwd.

pdf SdZ 1988 nr02 maart - Geheimen van de Staverse jol door Jan Kooijman (1)

pdf SdZ 1988 nr03 april - Geheimen van de Staverse jol door Jan Kooijman (2)

Waterkampioen juli 1965 nr1155 - Schepenschouw De Staverse jol

Behoort de Staverse jol tot de ronde en platbodemjachten, of is het een op zichzelf staand type, dat zo'n beetje het midden houdt tussen een rond vaartuig en een scherp vaartuig? Omtrent de oorsprong van het type tast men namelijk min of meer in het duister. Volgens het boek Ronde en Plat-bodemjachten, uitgegeven onder auspiciën van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten, zou de Staverse jol tussen 1870 en 1880 ontwikkeld zijn ten behoeve van de ansjovisvisserij op de Zuiderzee en wel uit sloepen, uit de buurt van Vollenhove afkomstig, die wegens hun tamelijk volle kop voor dit werk het beste geschikt zouden zijn gebleken.
Dit is min of meer in overeenstemming met hetgeen wij hierover ergens helaas zijn wij er niet in geslaagd de vindplaats weer op te sporen lazen, namelijk dat de Staverse jol zou zijn ontwikkeld uit een van een Russisch schip afkomstige en véér erg volle sloep, die men ter verbetering van de zeileigenschappen van een langgerekte aangezette kiel had voorzien. Hoe het ook zij, in het algemeen neemt men aan dat de Staverse jol een vrij recent type vaartuig is en dat terugtasten op een ver verleden, bijvoorbeeld op het stadszegel van Stavoren uit de 13-de eeuw, niet op zijn plaats is.

pdf Waterkampioen 1965 nr1155 juli - Schepenschouw De Staverse jol

Terug naar vorige pagina