Vollenhovense bol

Oorspronkelijk in hout werden er later ook wel ijzeren exemplaren gebouwd. Het vlak is plat als bij de schokker, sigaarvormig met en sterke ronding naar voren. De kop is breed en rond. Dit ronde scheepje heeft een breed naar binnen vallend boeisel. De oplopende voorsteven geeft een licht holle zeeg en op het vrij brede berghout is de romp sterk geknikt. De zwaarden waren in de smalle zeeuitvoering. De ongestaagde mast droeg een gaffelzeil, met losse broek en kromme gaffel, brede stagfok op de botteloef en soms een kluiver.

Scheepswerf Kroese in Vollenhove

Omstreeks 1900 woonde in VoIlenhove de vissennan A. Jongman Pzn., die met een punter de toenmalige Zuiderzee opging om bot te vissen. De scheepsbouwer Kroese, eigenaar van de werf in VoIlenhove, dacht er het zijne van, dat deze man bij weer en wind in een kleine open boot de zee opging, hoe zeewaardig dit scheepje relatief ook mocht zijn. Deze betrekkelijk goede zeewaardigheid dankt de punter aan het zeer vlakliggende neerbord en het sterk naar binnenvallende boeisel, wat ook kenmer ken zijn van de schokker, een schip dat de faam had de meest zeewaardige platbodem te zijn. Kroese deed de botvisser het voorstel een klein scheepje voor hem te bouwen met een vaste plecht, waarin dus een verblijfje, zij het dan ook wat bekrompen, gemaakt kon worden.

Het was in deze tijd, dat Kroese soms flinke schuiten (= schokkers) bouwde, terwijl ook botters van deze werf kwamen. Evenals veel vissers 'zag' hij meer in de botter en vend dit schip nog altijd het mooiste type van onze Zuiderzee, niet het minst omdat dit schip meer mans is dan de meestal kleinere schuit van Vollenhove. Hierbij is waarschijnlijk ook van invloed, dat Kroese, geboren in Harlingen, eerst in Urk op de werf werkte en daar uiteraard botters leerde bouwen. Instinctief heeft de oude Kroese aangevoeld, dat een botter niet zo maar tot een meter of zes te verkleinen is en daarom probeerde hij iets nieuws. Het is begrijpelijk dat Kroese daarbij ,teruggreep op de kleinere Vollenhovense schuit.

Hij bouwde voor f 250.- een schip van ongeveer 21 voet lengte, 6 voet breedte en 4 voet diepte (holte). Deze 'visaak', volgens het papier dat de afrekening vermeldt, werd op 20 april 1902 in dank aanvaard en bleek een waakzaam, goed zeilend scheepje te zijn. In 1904 werd er nog net zo een gebouwd voor de lichtwachter van Kraggenburg voor een vlotte verbinding met de waL Er bleek vraag naar deze Vollenhovense bol te zijn, die kleiner was dan de bestaande schuiten en botters, maar die niettemin van lieverlee toch groter werd tot een meter of tien.

Deze Vollenhovense bol heeft een vlak dat overeenstemt met dat van de schuit en zo goed als geheel vlak is. Het is sigaarvormig met een sterke ronding van voren. Doordat de huidgangen hierop aansluiten wordt de kop breed en rond. De zeeg is niet als bij een botter sterk oplopend naar voren, doch vlakker als bij een schuit. De steven is echter gebogen en loopt uit in een punt, zoals wij die kennen van de botter en waarvan de raaklijn loodrecht op het water staat. Door de vlakke zeeg is de steven lang zo hoog niet als in verhouding van de grootte bij een botter; hij komt niet hoger dan de rechte steven van de schuit gedaan zou hebben. Het achterschip is dat van de schuit, hetgeen ook geldt voor het roer, waarvan de rug meestal terugkomt, zodat de breedte op de waterlijn lang niet zo groot is ten opzichte van de kop, als dit bij de botter het geval is. Het is merkwaardig dat de bollen van deze werf zo breed zijn in tegenstelling met de Vollenhovense schuiten, die juist vrij slank van bouw waren.

De valse steven, de zogenaamde beer, snars of snoes, kwam aan stuurboordzijde tegen de echte steven en daartussen de rol voor de ankertros. Ook vertoont de Vollenhovense bol de voor de schuit kenmerkende uitholling waarmee de boeisels van de beretanden met een neerwaartse bocht in de steven uitlopen. De beretanden zelf ontbreken echter, De ontwikkeling uit de schuit, terwijl met een schuin oog naar de botter werd gekeken, is evident.

SSRP Jubileumuitgave in 2005 (bijlage Spiegel der Zeilvaart)

Oorspronkelijk is het type ontwikkeld door de scheepsbouwer Kroese te Vollenhove, die voor zijn klanten iets zocht dat het midden hield tussen de visaken zoals die op de binnenwateren rond dit Zuiderzeestadje gebruikt werden en de wat grotere botters en de toenmalige “nieuwe” Lemsteraken die het buitenwater bevoeren. We schrijven dan ongeveer het jaar 1900. Bij zijn ontwerp had Kroese nog geen jacht voor ogen maar een visserijscheepje, of een ander schip waarmee op bedrijfsmatige wijze de kost moest worden verdiend. De jachtontwerpen zijn eerst van later datum. De eerste bol bouwde Kroese naar het schijnt voor de visser A. Jongman Pzn, die tot dan toe met een  punter op de Zuiderzee had gevist. Vaak wordt gedacht dat de Vollenhovense bol, de nazaat van de in veel oudere werfboeken genoemde “Vollenhoofse schuitjes” zijn, maar dat is een vergissing. Met dat laatste begrip werden door Kroes, maar ook door Snoek te Blokzijl, en door Schepman en door van Goor te Kampen, of door andere meest Overijsselse scheepsbouwers, bonsjes aangeduid. Ze werden zo genoemd omdat dit scheepstype een zeer geringe diepgang had, nodig om over de drempel die voor de haven van Vollenhove was gelegen heen te kunnen komen en de havenkom binnen te kunnen varen.

Wel heeft Kroese waarschijnlijk met zijn nieuwe ontwerp goed gekeken naar eerdere producten van hemzelf, maar onder anderen als die van Schepman en ook van van Goor. Aan de uit 1873 stammende visaak “De Hekse”, die nu nog in onze vloot zeilt, van de hand van de werf van Egbert van Goor uit Kampen is dat te zien. Opvallend is overigens dat Kroese op de rekening aan de visser Jongman zet dat hij “een vischaak” aan hem geleverd heeft. Een tweede schip wordt geleverd in 1904 aan de lichtwachter op Schokland die het gebruikte voor zijn tochten van en naar het eiland. Er bleek vraag te zijn naar dit type schip en Kroese heeft er een aantal van gebouwd, tot een lengte van 10 meter!
Ook Snoek te Blokzijl ging er een aantal bouwen en ook Wolter Huisman op de Ronduite nam het type in zijn bouwprogramma op. Doordat deze laatste werf zich steeds meer op de jachtbouw ging toeleggen, werd de  afwerking van het scheepje steeds fraaier. En zo ontstond in de loop van de jaren 1921 tot 1954 een serie van vier Vollenhovense bollen in jachtuitvoering.
In het Stamboek staat ook een Vollenhovense bol ingeschreven, gebouwd door Peter Hartog uit Amsterdam. Het schip is gebouwd in 1928 en van oudsher bekend onder de naam 'Flevo'. Bij de eerste opname in het Stamboek heeft de toenmalig secretaris vraagtekens gesteld bij de typeaanduiding. 
Tussen 1978 en 1982 zijn er door de scheepsbouwer B. Brandsma te Rohel eveneens nog twee eikenhouten Vollenhovense bollen gebouwd.

Documentatie in het Stamboek Archief

Er zijn vanaf het ontstaan van de Vollenhovense bol diverse publicaties geschreven over het type, het ontstaan en de ontwikkeling daarvan. In de jaren-90 hebben een paar enthousiaste eigenaren een poging gewaagd een boek te schrijven over de Vollenhovense bol, vergelijkbaar met de boeken van Vermeer en van Beylen. Helaas is dat tot op dit moment niet gebeurd. Wel is er een concept van een aanzet in de vorm van een overzicht in het archief te vinden.
Ook bevinden zich in het archief een aantal artikelen uit de oudere Waterkampioenen met achtergronden van het ontstaan van de Vollenhovense bol. W.H. Dudok van Heel heeft in 1960 het artikel "Over het ontstaan van de Vollenhovense bol" geschreven. Daarnaast is er ook een (nog ongedateerde) artikel over de 'Goetzee', een bol van Huisman, gebouwd voor Ir. J. Loeff, eind-redacteur van de Waterkampioen. 

Zeldzaamheid

Van de Vollenhovense bollen uit de visserij zijn er weinig meer over. Verscheidene werven zijn Vollenhovense bollen gaan bouwen als plezierjacht. In het Stamboek staan er 144 ingeschreven, waarvan een paar ooit als visserman zijn gebouwd en later tot jacht zijn verbouwd. Jachtwerf Brandsma in Rohel heeft rond 1982 nog twee nieuwe houten bollen als jacht gebouwd. 

In het Zuiderzeemuseum ligt er volgens hun opgave één, de VN95, in de schepenhal.  Dit schip is echter geen bol, het heeft een rond vlak, een akenroer en stamt duidelijk uit Friesland. 

De Vollenhovense bol RD23 is de laatste originele Vollenhovense bol uit de visserij. Het schip is gebouwd in 1919 op de werf van W. Huisman & Zn op de Ronduite. De RD23 heeft onder verschillende visserijnummers dienst gedaan in de visserij, onder meer in Vollenhove, Durgerdam en Spakenburg. Nadat het in de jaren ’50 verbouwd was tot jacht, is het schip tussen 1990 en 1993 weer in de originele staat teruggebracht. Nu vaart de RD23 dagtochten vanuit Harderwijk.

Boeken

Het boek 'Plezierig Varen Ronde en Platbodemjachten' toont de bouw van een Vollenhovens boljacht in stalen uitvoering. Van de jachtuitvoering zullen er wel bouwtekeningen zijn. Huitema/ Dudok van Heel weten veel te melden over de ontstaansgeschiedenis van de Vollenhovense bol. Deze is kenmerkend voor een aanpassing aan de wensen van de gebruiker en de werfbaas.

Het Standaardwerk van Mr. Dr. T.Huitema;  Ronde en Platbodemjachten

Terug naar vorige pagina