Bollen

Over de betekenis van het woord bolletje is men het niet eens. Sommigen verklaren het woord uit de ronde vorm van de scheepjes. Een andere en waarschijnlijk juistere verklaring wijst erop dat het woord bollen in het oud-Nederlands slaat op verkleinen. Een bol zou aldus een klein vissersschip zijn, kleiner van afmeting dan botters en schokkers.

De bol is een platbodem met een ronde steven afgekeken van de aakjes en/of van de Tjalken. De Vollenhovense bol heeft een plat vlak. Maar waren bijvoorbeeld de Enkhuizer of Wieringer bollen nu ronde schepen of hadden ze een plat vlak? J.K. Gipon doet daar niet theoretisch over. Hij zegt: "Rond of plat kon variëren. De vissersscheepjes hadden meestal een plat of nagenoeg plat vlak. Dat was goedkoper en ook makkelijker voor het inbouwen van de bun. Aan een jacht mocht meer geld worden besteed, zodat rondbouw daar meer voor de hand lag." Deze conclusie komt overeen met het nagenoeg platte vlak van het vissersscheepje van het museum in Enkhuizen en met de ronde spantvorm van de als jacht gebouwde 'Eudia'.

Bollen werden gebouwd in afmetingen van 7 tot 10 meter en gebruikt voor de visserij op de Zuiderzee. Er zijn in hout betrekkelijk weinig bollen gebouwd. Opmerkelijk is dat dit scheepstype zich thans weer in een levendige belangstelling verheugt als jacht. Vele bollen worden nu van staal gebouwd (een paar van hout) met een kajuit. Het tuig en de inrichting is dan aan de moderne eisen, die een jacht stelt, aangepast. Er zijn in diverse plaatsen rond de Zuiderzee enigszins aangepaste types gebouwd.

Spiegel der Zeilvaart November 1996: De Enkhuizer bol opnieuw ontdekt - de diverse bollen van de Zuiderzee

Na de Tweede Wereldoorlog kwam het bol-jacht weer volop in de belangstelling. Jan Kooijman heeft daar met zijn werf in samenwerking met Jachtontwerper J.K. Gipon een grote bijdrage aan geleverd. Daarvoor heeft hij ook het nodige onderzoek verricht en veel gepubliceerd. Over de bollen schrijft hij bijvoorbeeld:

De meeste Zuiderzeehavens hadden elk hun eigen type kleine vissersvaartuigen, goedkoper dan hun grote broers en geschikt voor een kleine bemanning. Zo kennen we nog Wieringer, Makkumer, Workumer, Vollenhover en Enkhuizer bollen. Misschien zijn er nog wel meer typen geweest waar we het bestaan niet van weten. Ze leken allemaal op elkaar, maar hadden toch hun onderlinge verschillen, voortkomend uit de plaatselijke omstandigheden, het gebruik en traditie. Men zegt dat het verschil in thuiswater voor de scheepjes van de Oostwal wat grotere en meer zeewaardige exemplaren opleverde, zoals bijvoorbeeld de Vollenhovense bol. Het was daar door de heersende westenwind meestal lager wal, wat resulteerde in meer waterverplaatsing en in meer lengte over stevens tot een meter of tien. Van de Enkhuizer bollen die konden profiteren van de hoge wal, lag de lengte over stevens meestal tussen de zeven en acht meter.

Lees het hele verhaal van November 1996 in de Spiegel der Zeilvaart.

Terug naar vorige pagina