Botters

In ons standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' van Mr. Dr. T. Huitema staat het volgende geschreven:

De botter is het meest bekende schip van de oude Zuiderzee, door velen geprezen wegens zijn forse, vloeiende lijnen, en zijn voor die Zuiderzee uitstekende zeewaardigheid en zeileigenschappen. De oorsprong en de ontwikkeling van de botter zijn niet met zekerheid vast te stellen. Er wordt verondersteld, dat dit schip zich heeft ontwikkeld uit de zogenaamde Tochtschuit of Drijver. Witsen vertelt, dat in 1598 zevenendertig van deze drijvers voor Amsterdam Iagen, die hij beschrijft aIs zijnde: 'breet van borst, dick van inhouten, wijt en leggen pIat op het water, het vIak rijst een weinig'. De aanduiding 'Tochtschuit' is een nieuwere benaming voor de 'Togenaer' (ook wel Tochener of Toichener), een visserboot welke met een sIeepnet viste en door Velius in zijn 'Cronijk van Hoorn' wordt genoemd bij het jaar 1513. In een beschrijving van een aanval der Geldersen op de Waterlandse kust in 1504 wordt de Togenaer reeds vermeld, terwijl in de serie Etsen van Reynier Nooms Zeeman (± 1623-1667) een afbeelding voorkomt van 'Tochtschuyten of Spaarndammer Vissers'.

Hoe gemakkelijk door verschrijvingen andere woorden ontstaan, bIijkt hieruit, dat Witsen op een gegeven moment spreekt van 'Koch-ever', terwijl in 1636 in de 'Kroniek van Holland' het woord 'Toch-ever' voorkomt. In het oorspronkelijke manuscript van bedoelde aanval staat echter 'Tochener'. Blijkbaar heeft Witsen een zekere overeenkomst aanwezig geacht met de 'Ever', die op de Zuiderzee ook voor visserij gebruikt werd en eveneens een vlakke bodem had met hoekig daarop staande beplanking.

Ook de scheepsarchitect W.K. Versteeg en Le Comte, die de botter beschrijven aIs een snel vaartuig, zeilende op vier streken aan de wind, twijfelen er niet aan dat de botter zich uit de Togenaer ontwikkeld heeft. In dit verband is het ook van belang op te merken, dat in de in 1702 uitgegeven 'Zaanlandsche Arcadia' van H. Soeteboom wordt gesproken van 'Drijvers of Quacken', waarbij wij dus direct denken aan de thans nog gebruikte VoIendamse Kwak. Een hiermede overeenstemmende aanduiding, zonder dat van het betreffende scheepstype zelf veel bekend is, is 'quakelen', welke schepen in de veertiende eeuw op de Zuiderzee worden vermeld.

Woord 'botter'

Voor het woord 'botter' is ook nog geen bevredigende verklaring gevonden. In het Middel-Nederlandse Woordenboek wordt het woord enerzijds in verband gebracht met butte, botte, boter en butter, anderzijds met de bekende vissoort bot. Een in 1518 te Edam gebouwde galei (de zogenaamde Baardze van Hoorn) werd wel het 'butterschip' genoemd. De keuren van de stad BrielIe spreken in de zestiende eeuw onder andere van bodtschepen. Dat het woord verband zou houden met de 'botte' scheepsvorm van het type lijkt niet erg aannemelijk, terwijl de verklaring dat we te doen hebben met een ontwerp van een Marker werfbaas die Klaas Bot heette, wel aardig gevonden, maar historisch niet houdbaar is.

Types

Naast de Zuiderzeebotter kennen we ook de Noordzeebotter. Deze is uiteraard nog zwaarder gebouwd, heeft een hoger achterschip en meestal een dek over het gehele schip. Ook in Zeeland en op de Schelde tot Antwerpen werden botters gebruikt; Baasrode in België was lange tijd een centrum. Deze botters visten weinig of niet, doch vervoerden paling van de Zuiderzee naar België. In de Zaanstreek werd vroeger - toen er nog een open verbinding met de Zuiderzee was - eveneens een botter gebouwd, zij het met een wat hoger achterschip dan aan de Zuidwal gebruikelijk.

De werven

De werven, waar visbotters werden gebouwd, we spreken niet van jachtbotters - waren in verschillende vissersplaatsen rondom de Zuiderzee gelegen. In Monnickendam waren voorheen de werven van De Haas en Kater; in Durgerdam en op Marken had De Haas ook een werf, waar botters gebouwd werden, daarnaast werden bij Nieuwboer in Spakenburg, bij Oost in Harderwijk, in Kuinre, Blokzijl, op Urk en in Muiden visbotters gebouwd. In Huizen bestond de werf aldaar achtereenvolgens onder de namen Schaap, Lindeboom en Kooi en - sinds 1916 - Kok.

Waterkampioen september 1965 nr1160 - Schepenschouw De botter

Wij zijn gewoon te spreken van de botter, terwijl het in feite misschien wel juister zou zijn te spreken van de botters, want er zijn vele varianten van dit type oud-Nederlandse vaartuig. Over het ontstaan van het type en van de naam tast men min of meer in het duister, al staat het wel vast dat men enkele eeuwen geleden reeds botterachtige schepen kende en dat de ontwikkeling van het type zich vooral in dat gedeelte van de Zuiderzee heeft voltrokken, dat straks helaas door de polders Flevoland-Zuid en Markerwaard voorgoed als zeilwater voor ons verloren zal zijn.
Algemene kenmerken van de botters zijn de platte bodem (waarbij het vlak soms in de dwarsdoorsnede een geringe tilling laat zien), het zeer forse, hoge en brede voorschip met de kromme, in een punt uitlopende voorsteven en het aanmerkelijk smallere en lage achterschip. Verder zijn alle botters van huis uit ,natte" schepen, dat wil zeggen, dat zij in beginsel een bun bezitten. Verder hebben zij alle de vaste voorplecht gemeen. 
Het Zuiderzeebotter-type verheugt zich in de belangstelling van de Nederlandse jachtzeilers, waardoor enkele oorspronkelijk als visserman gebouwde exemplaren als jacht behouden zijn gebleven. Direct als jacht gebouwd, is het achterschip in de regel minder laag dan bij het vissersschip. Stalen botters komen in onze jachtvloot zo goed als niet voor, hoewel dit type schip in staal toch ook aantrekkelijk blijft, mits in niet te kleine afmetingen gebouwd. Als voor zo vele van onze inheemse typen van ronde- en platbodemvaartuigen heeft de motor de doodsklok voor de botters betekend; het zal niet zo heel lang meer duren eer een zeilende botter - tenzij het misschien een jacht betreft - een unicum zal zijn.

pdf Waterkampioen 1965 nr1160 september - Schepenschouw De botter

Waterkampioen 1965 nr1163 december - Reactie op Schepenschouw De botter

Ik kreeg een beetje een naar gevoel om mijn hart bij het lezen van het artikel over de botter in De Waterkampioen van 13 oktober 1965. Dat komt, omdat mijn voorouders de botter hebben ontworpen. Ons bedrijf dat nog steeds een botterwerf is en de oude familienaam draagt, wordt zo weinig genoemd, ook al niet in de boeken over ronde en platbodems. Zijn deze schrijvers soms niet goed ingelicht? Misschien kunt u deze brief eens plaatsen en tevens zou ik degenen, die wat van de botter willen weten, willen verzoeken zich in verbinding te stellen met de gebroeders Nieuwboer te Spakenburg, want wij gebruiken nog altijd de mallen van dat oude ontwerp. Later is de BU50 bij de gebroeders Schaap te Huizen geheel nagemaakt. Mijn grootvader van mijn vrouwskant, een oude visserman, die nu 92 jaar is, kan dit nog vertellen daar hij dit heeft meegemaakt. Later hebben ze bij Schaap te Huizen het vlak wat ingetrokken en van achteren wat geveegder gemaakt, waardoor deze botter niet meer zo stabiel was. Hij was bij weinig wind wel wat sneller, maar bij veel wind moest hij veel eerder reven, zodat hij voor de visserij niet zo best geschikt was. Vroeger visten er twee botters aan een net en dan kon dit moeilijkheden opleveren, omdat bij slecht weer de Bunschoter of de Nijkerker botter (in Nijkerk was een werf van mijn oom, alleen voor nieuwbouw) veel langer in zee kon blijven dan een Huizer. Er zijn er wel veel in Huizen gebouwd, later bij gebroeders Schaap en dat ging in combinatie met een meubelfabriek, die het beste hout gebruikte voor de meubels en het minder mooie hout aan de werf gaf voor de botters. De concurrentie werd toen zo erg dat Jan Nieuwboer failliet ging, want die was geheel van nieuwbouw afhankelijk. Maar ons bedrijf had een vloot van meer dan 200 botters voor reparatie achter zich en ging meer repareren en nog maar een enkele keer er een nieuwe tussendoor bouwen. Herhaaldelijk lees ik de naam Kok te Huizen, maar die heeft er maar een enkele gebouwd. Die naam moet zijn gebroeders Schaap te Huizen waarvan de kleinkinderen nu nog een visconservenfabriek hebben te Huizen. De huidige Kok te Huizen weet dit wel, want zijn vader werkte nog bij de gebroeders Schaap. Ik hoop hiermede toch wat recht gezet te hebben, want de Huizer botter is dus in werkelijkheid min of meer een Bunschoter botter die omstreeks 1800 door mijn voorouders is ontworpen.

Spakenburg, 16 oktober 1965, Werf Gebroeders Nieuwboer  

Terug naar vorige pagina