Botter

De algemene kenmerken van een botter zijn: een platbodemschip met een rond gebouwd, breed, hoog oplopend, overdekt voorschip en een laag, open achterschip. In nog sterkere mate dan bij de Lemsteraak vertoont de botter het kenmerk van een zeer groot volume van het voorschip, bij een gering volume van het achterschip. Hoe lager het achterschip, hoe gemakkelijker voor de behandeling van de netten, maar de zeewaardigheid kwam in het gedrang, vooral bij achteroplopende zee. Vandaar dat op een gegeven moment de oude botterbouwer Joost Kok ertoe overging, het achterschip drie duim hoger te bouwen. Bij de als jacht gebouwde of tot jacht verbouwde botters wordt het achterschip gewoonlijk eveneens wat verhoogd; bij de 'Houtrib' is het verschil met een gewone visbotter 15 centimeter. Gewoonlijk is de botter op het vlak half zo breed als op het berghout.

Prins

Het opboeisel is smal en loopt in voor- en achterschip tot aan de stevens nog extra smal uit. Het roer is tamelijk breed en dikwijls versierd met een 'prins', die we ook wel aantreffen op de dwarsbalk onder de helmstok, en boven het deurtje dat toegang geeft tot het vooronder. Zo'n 'prins' is een langwerpige band met twee banen, ieder beschilderd met driehoeken; iedere driehoek vertoont een der kleuren oranje-blanje-bleu. Men noemt dit 'geprinst'.

Bun

Op de plaats waar de bun zit, ontbreken de huidgangen, leggers en spanten, terwijl vier zware schotten, de deken en een zestal knieen op de deken van de bun het nodige verband waarborgen. Wanneer een botter tot jacht wordt verbouwd en de bun wordt weggenomen, dient er dan ook bijzondere zorg aan te worden besteed dat het verband niet wordt verzwakt.

Het tuig

Het zeil is een gaffeltuig met fok, kluiver en soms een bezaanzeil, dat bij gunstige gelegenheid wordt bijgezet. Dit bezaanzeil, ook wel de 'broodwinner', 'bras', 'aap' of 'ransel' genoemd, wordt aan de kraanlijn gehesen, de hals en de schoothoek worden aan een boom, de bezaanstutter, bevestigd. Deze boom steunt in een uitgeholde klamp aan de achterkant van de bun, terwijl het uiteinde, de nok dus, met de bezaanschoot wordt bediend. In enkele gevallen, als het oude zeil dat men als bezaan gebruikte, niet precies paste werd de hals niet op de stutter, maar op het achterdolboord vastgemaakt. De naam 'broodwinner' dient eigenlijk alleen te worden gebruikt voor een rechthoekig zeil met bovenra, zoals op voor-de-windse rakken door de kwak werd gevoerd, en dat met de fokkeval werd gehesen.

De fok bij een botter is de brede, zware botterfok, die tot ver achter de mast reikt. Dit tuig antidateert als het ware de moderne 'genua' met vele, vele jaren, misschien wel met eeuwen. De spleetwerking van de botterfok is enorm. Naast een goede scheepsvorrn en een optimaal zwaard, behoort ook nog een optimaal werkzaam zeiloppervlak tot de voorwaarden om een zwaar schip met een laag zeiloppervlak toch te doen zeilen.

Een botterfok sluit voorts vrijwel geheel bij de plecht aan, zodat ook hier een hoog rendement aanwezig is. Windvang is bij de botter in tuigage tot een minimum gereduceerd. Er is slechts een mast, zonder want, en een stag, een ijzeren staaf. Men vindt dus in deze tuigage alle elementen reeds aanwezig der moderne jachten. AIles is aIIeen vele malen zwaarder, omdat de visserrnan (terecht!) geen lichtere constructies voor zijn werk aanvaardde, met het oog op zeer langdurig gebruik. De botterfok werd bij het overstag gaan even bak gehouden met het voettouw of buiketouw, dat om een 'mannetje' of kleine bolder tegen het boeisel werd geslagen.

Behalve deze botterfok kan ook een gewone fok worden gevoerd, op een overloop op het voordek,
bevestigd tegen de waterlijst. Deze overloop is vaak van hout.

Het einde

De botter was nog tot aan zijn dood als zeilschip toe aan het evolueren. De Huizer botter werd nog steeds iets hoger in de kop, iets eleganter van lijn, iets lager in de kont. De als jacht gebouwde botters verraden alle het compromis. Ze zijn doorgaans kleiner en daardoor soms minder mooi.

Een enkele, zoals de Grate Beer, was veel groter. De motor maakte het vissen met stil weer mogelijk. Maar hij bedierf de scheepstypen. Door het gewicht van de motor zonk het schip dieper, zodat de boeisels, en met name het achterschip, verhoogd werden. Ook de vorm van het achterschip werd gewijzigd, met name wanneer de helmstok door een stuurinrichting met wiel werd vervangen. 

In de dertiger jaren werd ook het voorschip vereenvoudigd en ontstonden de rondkoppen.

De 'Zuidwal'-botters waren allemaal gemiddeld even snel, al was er wel eens een enkele luie of vlugge bij. Alleen de vishalers, visjagers of viskopers, die de gevangen vis zo vIug mogelijk, tegen de wind in, naar de afslag moesten brengen, waren beduidend sneller. Nog voller in de kop, en een meer geveegd achterschip. Bij een wedstrijd van Huizen naar Urk, recht in de wind, lag de door Kok gebouwde viskoper HZ57 twee uur eerder in de haven dan de rest van de vloot. En de oude Joost Kok kon niet zeilen. Maar bouwen kon hij als de beste!