Zeeschouw

In het Standaardwerk 'Ronde en Platbodemjachten' staat het volgende (voorbereid door J.H. van Balen):

De zeeschouwen zijn uit economische noodzaak ontstaan. Het ging weer eens slecht met de visserij op de Zuiderzee en de gebruikte schepen bleken te duur in bouw en onderhoud. Zo is men omstreeks 1900 begonnen een groter en robuuster schouw te bouwen, die zeewaardig zou zijn voor de visserman, die er in alle weersgesteldheden en jaargetijden mee op zee moest.

Rijtuigmaker Wierda Lemmer: het ontstaan van de Zeeschouw

De bouw van dit type is waarschijnlijk in 1898 door Wierda in Lemmer als eerste ter hand genomen. Wierda zelf had als jongeman gevaren op een visaakje en wist wat er geëist moest worden van een zeeschip. Door omstandigheden is hij later aan de wal opgeleid tot wagenmaker en in de buurt van Akkrum woonachtig geweest. Hij heeft dus ook veel open schouwen gezien. Daarna is hij in Lemmer een zwaarder type schouw gaan bouwen. Volgens mededelingen van zijn zoon waren al zijn schouwen 8 meter over de stevens. Daar een zeeschouw onder moeilijker omstandigheden moest varen, werd ze veel breder gemaakt, 3 meter en meer, met meer oplopend voordek en een holte van ruim 1 meter. Verschillende van deze schouwen heeft Wierda zelf met zijn zoon naar de Hollandse wal overgezeild.

De Zeeschouw

Wat het tuig betreft, heeft de zeeschouw een bottertuig: grootzeil met rechte gaffel, vissermanfok (grootzeil 15 vierkante meter, fok 14 vierkante meter bijvoorbeeld) en een kluiver op losse boom. Als jacht gebruikte of gebouwde zeeschouwen hebben dikwijls de oorspronkelijk rechte gaffel vervangen door een gebogen. Ook in het tuig kan men tussen beide typen verschillen ontdekken. 

De zeeschouwen hebben alle sterk uitwaaiende zijden, in tegenstelling met de binnenschouwen, dit wil zeggen een smaller vlak; naar verhouding zijn ze veel breder op de knik. Hierdoor en door de grote breedte wordt een stijf schip verkregen met een rustige ligging in ruw water. Zeeschouwen kruisen vrij goed tegen zee op en liggen voor de wind goed op het roer. Dit laatste is mede te danken aan de ondiepe kiel, welke van voor de mast tot aan de achterspiegel doorloopt. Deze kiel heeft een drieledig doel: het bevorderen van een rustige ligging op het roer; het afremmen van de dwarsscheepse slingering en een hoge ligging aan de wind.

Friese en Hollandse Zeeschouwen

De zeeschouwen die aan de Hollandse wal werden gebouwd, onder andere bij Van Goor in Monnickendam, vertonen over het algemeen meer zeeg dan de Friese, terwijl hun voordek wat meer oploopt waardoor ze een wat gedrongen indruk maken.

Bij de Lemster schouw is het tuig wat hoger en slanker. De mast heeft de korte top, welke in Friesland ook bij de binnenschepen gebruikt wordt, terwijl de Hollandse zeeschouw de wat langere top heeft, welke men ook bij de botter aantreft. Bekijkt men het vlak, dan ziet men bij de Lemster schouw dat dit over een behoorlijk grote afstand 'stil' staat, dat wil zeggen volkomen horizontaal is, terwijl sommige Hollandse schouwen helemaal geen stilstand vertonen.

Breed verspeidingsgebied

Zeeschouwen zijn op veel plaatsen gebouwd. Dat gebeurde ook al in de tijd van de visserij. De houten botters en andere scheepstypes werden vervangen door schouwen, handzamer en goedkoper. Volgens overlevering heeft de regering Colijn voor de tweede wereldoorlog in de crisisjaren de vissers op en aan het IJsselmeer steun verleend. In een aantal visserijhavens aan de Westfriese kust werden de bestaande schepen door schouwen vervangen. Zo spreekt men bijvoorbeeld over de Hoornse schouw. De aanduiding heeft niets met het type te maken, maar met het feit dat deze schouw op een bepaald moment een alles overheersende rol ging spelen in de Hoornse vissersvloot. Overigens zijn deze schouwen nooit in Hoorn zelf gebouwd. Ze werden bijvoorbeeld in Enkhuizen, maar ook door Amels in Makkum gebouwd. Rond de tweede wereldoorlog telde de Hoornse vloot zo'n 17 Zeeschouwen.

Spekbak

De Lemster schouw wordt ook wel betiteld met de 'fraaie' naam spekbak, die trouwens ook voor de Zeeschouwen in het algemeen wordt gebruikt. Oorspronkelijk werd met deze naam uitsluitend een kleine, hoekige bak aangeduid waarmee niet gezeild werd. De vorm van de zeeschouw was blijkbaar aanleiding om de naam ook voor dat scheepstype te gebruiken.

Criteria SSRP

Diverse Zeeschouwen worden met een aanhangsel ingeschreven op grond van het feit dat de kiel onder de kuipvloer als een 'soort' doos (ook wel dooskiel genoemd) is verbreed in een peervorm om ruimte te krijgen voor de motor onder de kuipvloer. Bijvoorbeeld zijn veel zgn. Blok-schouwen met zo'n dooskiel gebouwd. Dat is strijdig met de aanvullende Criteria voor Zeeschouwen. Het gaat daarbij om de bepaling, dat de kielbalk nergens breder mag zijn dan 2,5% van de lengte op de waterlijn.

In 1998 is in de Criteria bepaald dat Zeeschouwen met een verbrede dooskiel blijven en worden ingeschreven, mits te water gelaten vòòr 1 januari 1996. Schepen gebouwd na deze datum kunnen helaas NIET worden ingeschreven.

Voorbeeld van motoren die voor een deel zijn ingebouwd in de dooskiel
Voorbeeld van motoren die voor een deel zijn ingebouwd in de dooskiel
Terug naar vorige pagina