Enterse Zomp

De bodem van de zomp was plat. De kimmen waren hoekig. De boorden vielen naar buiten en het boeisel viel, althans bij de gedekte zomp, meestal wat naar binnen. Voor- en achterschip waren scherp gebouwd. De voorsteven was rand en rechtstandig. De achtersteven was recht en rechtstandig of licht vallend. De helmstok van het stevenroer draaide over het boord. Het berghout bij de gedekte zomp lag laag maar boog bij het voorschip en het achterschip sterk naar boven. In het voorschip was een kleine kajuit. Daarin stond aan de voorkant een kacheltje. De rook werd afgevoerd door een houten schoorsteentje. In de kajuit was ook een slaapplaats. Bij het zeilen werd gebruik gemaakt van zwaarden. 

Er bestonden twee soorten zompen:

1. Open zomp of pegge

De onderbouw was verhoogd met afneembare bovenboorden, die aan de binnenzijde tegen het vaste boord waren bevestigd. De vlakplanken en de vast opstaande boorden waren 1-3/4 duim dik (1 Amst. duim = 2.547 cm). Er waren geen luiken. Om de lading droog te houden werden kleden gebruikt. De open zomp of pegge kon door een man worden gevaren. Het vaartuig werd ook wel geboomd. Als moest worden gezeild werd in de mastkoker een losse mast geplaatst. In het boek van PJ.v.M. Sopers, 'Schepen die verdwijnen', staat een foto van een model van een open zomp. Opvallend is de eigenaardige vorm van het sprietzeil. Sopers geeft in zijn werk voor de lengte van een open zomp 42 Amsterdamse voet (11.89 m). De verhouding van de lengte tot de breedte was ongeveer 5 : 1. Bij de onderbouw was de holte in het midden niet groter dan ongeveer 40 cm. Ir. E. van Konijnenburg geeft in 'De Scheepsbouw vanaf zijn Oorsprong' de volgende afmetingen voor een pegge: lengte 12 m, breedte 2.65 m, holte 1.45 m.

2. Gedekte zomp

Deze had een laadruim. De beurt-zomp was ook een gedekte zomp. Sopers geeft de volgende afmetingen voor een gedekte zomp: lengte 12.04 m, breedte 2.80 m, holte 1.31 m. Voor een beurt-zomp: lengte 15.50 m, breedte 3.40 m, holte 1.50 m. De mast van een gedekte zomp kon worden gestreken. Van Konijnenburg wijst op de overeenkomst met de snijboon. Hij schrijft: 'De Snijboon en de Zomp hebben den zelfden vorm. Zij zijn beide een draai-overboord gewoonlijk met een paviljoen. Kenmerkend voor deze schepen is, behalve het scherpe voor- en achterschip, het plotseling diep doorbuigen van het berghout bij voor- en achtersteven, om verder in de lengte van het schip bijna horizontaal door te lopen, alsmede de bijna loodrechte stevens. Hierdoor zijn zij dadelijk te onderkennen tusschen de vaartuigen der andere provinciën. Lang 15m50 zijn de zompen, breed 3m70 en hol 1 m80. 

Zompenmuseum te Enter

In het Zompenmuseum te Enter is een gedeelte van een oude zomp te zien. Verder bevinden zich daar een aantal modellen van deze vaartuigen. Een replica van een zomp vaart zo nu en dan nog vanuit Rijssen met geinteresseerde passagiers.

Zie ook: W.H. de Vosprijs 2012 toegekend aan de Regionale Stichting Enterse Zomp

www.entersezomp.nl

Terug naar vorige pagina