Lelieschouw

Tijdens de wederopbouw na de Tweede Wereldoorlog verschenen op de tekentafels spoedig nieuwe ontwerpen van zeiljachten en boten. Veel bestaande schepen waren in slechte staat van onderhoud of waren verloren gegaan. Het Watersportverbond stond in deze tijd voor de keuze van een nieuwe en moderne jeugdboot. De zeeverkenners daarentegen kozen in 1949 voor een traditionele eenheidsboot: de Friese schouw
Het idee voor een eenheidsboot voor de zeeverkenners kwam van schipper A.G. Duijff van de Haagsche Waterscouts (H.W.S.), welke behoorde tot de toenmalige Nederlandse Padvinders Vereniging (N.P.V.). De H.W.S., opgericht in 1930, was na de oorlog de grootste zeeverkennersgroep in Den Haag. Veel leden waren afkomstig uit de Indische buurt en het Statenkwartier in de stad. In 1970 fuseerde de groep met de Baron van Pallandtgroep uit Scheveningen.

Eenheidsboot voor Zeeverkenners

De zeeverkenners in Nederland voeren na de oorlog met sloepen van de Rijnvaart Centrale, houten Noorse vletten, afgedankte reddingssloepen of met zeilboten, zoals de “BM”. Door de sterke groei van het aantal zeeverkennersgroepen in de jaren vijftig steeg de vraag naar meer varend materiaal. Bovendien zou het met een eenheidsboot mogelijk zijn om tussen de groepen onderlinge (zeil-)wedstrijden te houden. Het schip moest tegen gunstige betalingsvoorwaarden aan de belangstellende groepen geleverd kunnen worden.
Gezocht werd naar een type jeugdboot met de volgende eigenschappen: Het schip moest plaats bieden aan acht jongens (een bak), waarbij tijdens een het zeilen iedereen zoveel mogelijk aan het werk is. Schip en tuig dienden zowel geschikt te zijn voor de jongste zeeverkenners van 12 jaar als de “bootsman” van de bak (tussen 15 en 17 jaar). Daarbij moest volgens Duijff ook “het zeilen bij ruw weer geen al te grote moeilijkheden opleveren”. Belangrijk was vooral dat de boot geschikt moest zijn om er goed mee te leren zeilen. De voorkeur ging uit naar zwaarder type schip, waarbij het een kunst was om het schip de meeste vaart te geven om er mee te manoeuvreren.

Friese schouwen

De Friese schouw bleek het best te voldoen aan de gestelde criteria. Dit traditionele “Hollandse” schip is prima voor het dagzeilen. Bovendien kan men in de schouw goed leren zeilen. Van de Friese schouw bestaan er drie klassen: de kleinste tot 4,75 meter lengte, een middenklasser tot 5.50 meter en een grote klasse van meer dan 6 meter lengte. Dit grootste type was oorspronkelijk een wedstrijdschouw met een gaffeltuig. Daarmee onderscheidde deze klasse zich van de andere schouwen, die voorzien waren van een spriettuig.
Toen Duijff het plan opperde voor een eenheidsboot kreeg hij aanvankelijk veel weerstand van de andere zeeverkennersleiders. Zij vonden een eenheidsboot géén noodzaak. Niettemin kreeg Duijff van de toenmalige secretaris van de N.P.V., hopman H. Spijkerman, nota bene een landverkenner, steun. Beiden kwamen eerst met een plan om een buitencentrum voor de zeeverkenners op te richten, vergelijkbaar met het trainingscentrum van de N.P.V. in Ommen. Dit plan resulteerde uiteindelijk in de huur van het “Boterhuiseiland” op de Kaag, dat sinds 1950 in gebruik is als kampeerterrein. De waterscouts uit de Haagse regio hebben bij dit eiland een ligplaats voor hun boten.
Advies over de keuze van de nieuwe eenheidsboot won de schipper van de H.W.S. verder in bij onder andere de voorzitter van de K.N.Z.&R.V., Ernst Crone, en de secretaris hiervan, Jan Loeff. Ook kreeg hij hulp van de jonge Delftse student H.J. Wimmers. Duijff voegde hun positieve adviezen ten aanzien van de keuze van de nieuwe boot bij zijn voorstel aan het “Nationaal Hoofdkwartier” van de N.P.V. in Den Haag. Het Hoofdkwartier ging hierna overstag.

De Lelieschouw

Een van de twee “assisten-hoofdcommissarissen” (AHKC-en) van de N.P.V. voor de zeeverkenners, schipper Stoffer, werd met de uitvoering belast. Hij vond de werf van Nicolaas de Vries in Sneek bereid tien schouwen te maken voor een zeer schappelijke prijs. Voor meer boten was geen geld. De eerste vijf exemplaren werden begin 1949 door hem besteld. “De 6 meter schouw herleeft” berichtte het “Sneeker Nieuwsblad” op 24 juni 1949. In de krant werd de aanstaande levering van de boten aangekondigd. Het nieuwsblad prees de keuze voor de schouw door de zeeverkenners.
De Lelieschouw heeft een knikspant met vlakke bodem en verschilt weinig met de originele Friese zesmeter schouwen. De boot is gebouwd van 2.5 cm Iroco teakhout volgens de tekeningen van Olij uit Sneek. De afmetingen zijn: lengte van steven tot steven 6 meter, grootste breedte 1.80 en holte 0.95 meter. De diepgang zonder gestoken zwaarden is circa 0.35 m.
De tuigage bestaat uit een tjottertuig, met fok en grootzeil – met kromme gaffel en losse broek – van totaal 16 vierkante meter. De zeilen van de schouwen werden in 1949 te Sneek vervaardigd door “Fa. D. Gaastra”. Het tuig is kleiner en lichter dan de tuigage van de oorspronkelijke schouw. De mast is een steekmast, zonder wanten. De mastkoker wordt boven door de mastdoft en onder door het vlak gesteund. Het voorstag dient tevens als fokkestag. De boot is voorzien van een korte botteloef om het voorstag iets voorlijker te brengen.
De zwaardkoppen en de klik van het roer waren uit prijsoverwegingen niet van snijwerk voorzien. De groepen konden dat naar eigen idee zelf doen.

Dreamship no. 1

Op 17 juli 1949 werd in Leiderdorp door de hoofdcommissaris van de N.P.V. de helmstok van de eerste schouw aan het jongste verkennertje van de Haagsche Waterscouts overhandigd. Hij sprak darbij de wens uit “de schouw werkelijk binnen het bereik van iedere (zeeverkenners-)troep te brengen”. De tweede AHKC, schipper J.F. Viëtor, tevens commandeur van de “Pollux”, onthulde de naam van de schouw: “Slamat”.
Genoemd naar het koopvaardijschip van de Rotterdamse Lloyd, dat in april 1941 bij Kreta door Duitse vliegtuigen tot zinken was gebracht. Vervolgens werd de schouw door de schouw door de scouts naar de waterkant getrokken om te water gelaten te worden. De boot maakte daarna een proefvaart over de Kagerplassen. Daarmee was “dreamship no. 1″, zoals de boot in het maandblad voor de padvinder werd genoemd, een feit. De andere schouwen werden de volgende maanden hierop geleverd aan de zeeverkenners.
De tweede serie van vijf houten schouwen was qua uitvoering bijna gelijk aan de eerste. Na het voltooien van de vierde schouw ging Stoffer akkoord met een wijziging van de plaats van de mast. De mast werd ongeveer 10 cm naar achteren verplaatst. Waarschijnlijk had dat te maken met het kleinere zeiloppervlak of met de loefgierigheid. Niet iedereen was tevreden over deze aanpassing. Schipper Duijff over deze verandering: “Mijn idee van een eenheidsboot was daardoor meteen alweer verlaten”. Toch was de ontwikkeling van een standaardtype schip voor de zeeverkenners daarmee eigenlijk nog maar in de eerste fase beland.
Meer dan veertig jaar later zijn van de tien oorspronkelijke houten Lelieschouwen nog negen boten in de vaart, waarvan vijf bij diverse scoutinggroepen in Noord-Holland. De schouw met zeilnummer 5, eigendom van één van de Wassenaarse zeeverkennersgroepen, is in de zeventiger jaren gesloopt.
De overgebleven houten schouwen zijn bij de betreffende groepen het pronkstuk van hun bezit. Meestal worden de boten niet meer gebruikt door de jongere waterscouts, maar door de loodsen en de leiding. Zij besteden dan vele uren werk aan het onderhoud van de schouw, waarbij ze onder andere de naden zelf breeuwen.

Onzinkbare schouwen

De Lelieschouw bleek zo’n succes te zijn dat daarop besloten werd, in plaats van de houten schouwen, stalen boten te laten bouwen. Staal is betrekkelijk goedkoop en eveneens dankzij de lastechniek vrij gemakkelijk te verwerken. De eerste serie stalen schouwen (met de zeilnummers 11 t/m 20) werd bij de firma “Mulder en Rijke” voor ƒ 850,- per stuk besteld. Spoedig gevolg door nog een tien stalen schouwen (zeilnummers 21 t/m 30). De werf had veel ervaring met het bouwen van onder andere sloepen voor de zeevaart.
De boten waren qua lengte en holte niet verschillend van hun voorgangers. In de praktijk waren de meeste stalen schouwen wel iets ranker dan de houten voorgangers. Pas in 1980 werd opnieuw de officiële breedte vastgesteld. De oorspronkelijke maat van de houten schouw, 1.80 meter, werd de standaardbreedte.
Met betrekking tot de robuustheid en onderhoud waren stalen boten bruikbaarder dan de houten schouwen. Het onderhoud moet immers altijd door de jeugdleden zelf gedaan worden. De nieuwe boten waren voorzien van vier luchtkasten om ze onzinkbaar te maken. Twee daarvan zaten aan de zijden van de schouw en werden als bank gebruikt. De luchtkasten waren voorzien van mangaten, die de mogelijkheid gaven om de ruimte in de kast te oliën tegen corrosie.
Van een vervolgorder bij “Mulder en Rijke” werd in 1950 afgezien vanwege de hoge kosten. De speciaal voor de bouw van de schouwen gebruikte mallen werden hierna vernietigd door de werf. Een tweede serie stalen schouwen kwam pas in 1959. Zes boten werden gebouwd door de werf “L. Oldenhaagse” in Lisse. Twee jaar later gevolgd door een derde serie van negen, die bij de firma “Zijnma” in Amsterdam gebouwd werd. Beide werven bouwden de schouwen met verlies. In totaal zijn tot nu toe tachtig stalen schouwen door verschillende werven aan scouting geleverd.

Veranderingen

De eerste stalen schouwen waren voorzien van een houten mastkoker en mastdoft, gelijk aan die van de houten schouwen. Door houtrot was het na verloop van tijd nodig de mastkoker en doft te vervangen door een stalen constructie. De gehele romp was nu van staal.
Sinds 1977 heeft de nieuwe generatie scouting-schouwen diverse verbeteringen ondergaan. De schouw in oude vorm was inmiddels onbetaalbaar duur geworden. De constructie werd daarom sterk vereenvoudigd.
Voor de jongens en meisjes werd in de boot extra ruimte verkregen door de voorste en achterste te vergroten. Daardoor konden de twee in de lengte geplaatste luchtkasten verwijderd worden. Tegelijkertijd verdwenen de mangaten in de luchtkasten – dank zij het stralen van het staal en de tegenwoordig betere verftechnieken is oliën niet meer nodig. Op de bovenzijde van de spiegel werd door een aantal groepen een uitsparing voor een buitenboordmotor gemaakt. Tenslotte werd de mast extra gestaagd door twee wanten.
Bij een groot aantal scoutinggroepen zijn de schouwen nog steeds populair. Tijdens de jaarlijkse regionale zeilwedstrijden op de Kagerplassen is altijd een apart veld voor schouwen ingeruimd. In 1992 voer in dit veld ook een houten schouw mee. Tijdens het Nationaal Waterkamp, dat in de zomer van 1992 rond de Oolderplas bij Roermond werd gehouden, was een aantal stalen schouwen aanwezig. In tegenstelling de vorige NaWaKa’s ontbraken hier de houten schouwen.

De Livingstonegroep en haar Lelieschouwen

De scouting Livingstonegroep is een actieve zeeverkennersgroep uit Amstelveen. Zij is in het bezit van een aantal Lelieschouwen. Op hun website staat het verhaal van de restauratie van de 'Fram', Lelieschouw nummer 8:

De Fram is nummer 8 uit de eerste serie van 10 houten lelieschouwen. De boot is al meer dan 50 jaar in gebruik bij de Livingstonegroep. Velen hebben in de Fram leren zeilen, trektochten en kampen beleefd, wedstrijden gevaren en avonturen meegemaakt. Nog steeds wordt er door de leden van de Livingstonegroep gebruik gemaakt van dit historische schip.

Meer informatie en documentatie van de Lelieschouw

Op de website www.zeilnummers.nl wordt geprobeerd een zo volledig mogelijk overzicht te geven van alle zeilnummers van Juniorvletten, Lelievletten en Lelieschouwen, die gebruikt worden door Scouting groepen in Nederland.

Op de website http://bds.home.xs4all.nl/lelieschouw.htm is veel informatie te vinden over de Lelieschouw, waaronder een uitgebreid bestek en een gebruiksaanwijzing.

Op de website van de scouting Livingstonegroep uit Amstelveen staat uitgereide verhalen over de Lelieschouw en de eigen 'Fram''.

In de Spiegel der Zeilvaart van April 1993 nummer 3 heeft een uitgebreid artikel over de Lelieschouw gestaan: