Palingaak

De laatste palingaak is in 1946 gesloopt, maar in Heeg is een nieuwe gebouwd. Het is bijzonder en specialistisch werk om te achterhalen hoe deze schepen vroeger gebouwd zijn. Maar ook het werken met gangen van 10 centimeter dik en schotten van 20 centimeter dik is een hele ervaring. De gangen van het vlak zijn gebrand in een stellage van 8 meter lang en 4 meter hoog. Deze stellage heeft voorheen dienst gedaan bij de bouw van de Batavia. De palingaak is 18,5 meter lang en 5 meter breed. De voorsteven toornt op het droge met 4,5 meter hoog boven je uit.

Leeuwarder Courant 27-12-1967 - Nieuwe gegevens over de „ielaken" uit Workum en Heeg-Gaastmeer

De voormalige bekende palinghandel uit de Zuidwesthoek op Engeland (en Amsterdam) heeft al heel wat pennen in beweging gebracht. Een afsluitende monografie is er nog niet over verschenen. Maar steeds meer gegevens komen er los. Als een bijdrage tot meer kennis omtrent de schepen die van Heeg-Gaastmeer en Workum als „ielaken" de Noordzee over steken, publiceert drs. U. E. E. Vroom onder de titel De palingaken (verlucht met zeldzame oude foto's) een artikel in het tijdschrift Uit het Peperhuis (derde serie nr 7, het lezenswaardige orgaan van de Vereniging van Vrienden van' het Zuiderzeemuseum. De heer Vroom herinnert er aan, dat het schip „Dorp Heeg" in 1868 als „laatste aalaak" op de werf van De Jong te Heeg op stapel zou zijn gezet, in 1922 in het ijzer kwam en voor het laatst in Makkum door de gebroeders Van der Berg als vislegger gebruikt werd, waarna het in 1946 voor ƒ 300 voor de sloop werd verkocht. Gelukkig had D. Huismans (Zuiderzeemuseum) het schip eerst zover mogelijk opgemeten, terwijl er ook foto's zijn genomen, die zich nu in Arnhem en in Enkhuizen bevinden.

Drs. Vroom bestudeert op het ogenblik de werkboeken van de bekende helling van Eeltsje Holtrop van der Zee te Joure en komt nu tot de slotsom, dat daar vier palingaken zijn gebouwd voor het kantoor van de heren Visser te Gaastmeer. Ze werden in Joure aangeduid als „Engelse aken" en daar gebouwd in 1859, 1870, 1875 en 1887, zodat de Dorp Heeg niet „de laatste aalaak" is geweest, zoals vaak beweerd wordt. Vroom vond op de naamplankjes aan de hellingschuur in Joure tussen 1850 en 1880 de namen: De goede bedoeling. De Twee Broeders, Wieger Wiegers Visser en Standfriesch, terwijl in 1887 nog de Visscherij voorkomt De schrijver bericht: „De heren Visser te Gaastmeer lieten niet alleen de palingaken, maar ook de aalbuizen, de Amsterdammer aak en nog vele andere schepen op de werf te Joure bouwen. Bovendien werden de reparaties aan de schepen in Joure uitgevoerd. Interessant is bovendien, dat uit de werfboeken blijkt, dat het kantoor te Gaastmeer verschillende opdrachten gaf voor bet bouwen van binnenaakjes en vissersboten ten behoeve van vissers uit het Friese merengebied. Het kantoor betaalde het grootste deel van de bouw- en reparatiekosten en zal zich op deze wijze verzekerd hebben van de aanvoer van paling voor een prijs, welke het zelf kon bepalen".

Blijkens informaties zouden de te Joure gebouwde palingaken een iets afwijkend model hebben gehad. Drs. Vroom zegt in dit verband: „Wanneer men de „Dorp Heeg" als prototype van de te Heeg gebouwde aken ziet en men vergelijkt dit schip met de bestekken van 1859 van de werf te Joure, dan moet men concluderen, dat deze schepen inderdaad anders van model waren".

Een bekende aak was ook de „Corneliske Ykes" (waarvan later een replica in heeg is gebouwd) waarvan zich een door de schipper Siebren de Jong, uit Heeg, vervaardigd mode) in het Historisch Scheepsvaartmuseum te Amsterdam bevindt. De heer Wiebe Mulder, oud-palingaakschipper te Workum, verzekerde drs. Vroom, dat dit schip in 1872 te Joure van stapel was gelopen. Mogelijk was dit de „Wieger Wiegers Visser", die in 1886 bil reparaties de „Vrouwe Dieuwke" wordt genoemd en in 1898, bij de samenvoeging van de kantoren van Gaastmeer en Heeg, de „Corneliske Ykes' werd gedoopt. In 1923 bouwde de nog in leven zijnde heer E. Zwolsman, te Workum, er een motor in, waardoor de schipper met zijn verblijf naar voren moest verhuizen. In 1935 maakte de „Corneliske Ykes" zijn laatste tocht naar Denemarken, waar paling werd gehaald voor Londen. Later is het schip voor  1900 naar Dokkum verkocht, waar de motor er werd uitgenomen. De aak is toen doorverkocht naar Duitsland en heeft daar vermoedelijk nog dienst gedaan als vissersvaartuig. Een in 1875 te Joure gebouwde aak, later overgegaan naar kantoor Workum, is in 1905 voor de Engelse kust vergaan....

 


 

Iets over de Palingaken van Heeg

Men laat echter gewoonlijk 't dorp zelf in alle beteekenissen links liggen; niet zoo spoedig komt men ertoe even van den grooten weg af te wijken en één der twee toegangen naar de plaats in te slaan, ofschoon het een afstand van misschien nog geen 100 meter betreft. Zoo ging het ons gewoonlijk ook; wanneer we, na eengen tijd zwervens in Holland en Zeeland en op de Zuiderzee, Friesland weer binnenkwamen en 't kon nog eenigszins, dan voeren we door tot Heeg. We gingen echter niet naar die plaats, doch zochten ons nachtverblijf aan den diepen Oostwal van het Noord-Zuid loopende dwarsrakje van het Heeger Var. Daar lagen we veilig voor de groote golven, die, vooral met Z.W. storm, aan den uitgang van het meer spookten, - en tevens lagen we aan een prachtigen, zachten, hoogen weiland-wal, beschermd tegen eventueele aanvaringen door de nabijheid van een paar stoere palingaken.
Gewoonlijk lagen er daarvan een paar en natuurlijk trokken die zware oude koffen of klaveraken telkens onze volle aandacht. Vooral ook de tuigage was buitengewoon solide en zeewaardig, wat, al zeer sterk opviel in vergelijking met een zeiljacht. Wanneer de wind 's nachts door de touwen gierde en 't meer zong het lied van de aanrollende golven, die ons daar niet konden bereiken, dan voelden wij ons veilig in de hoede van deze forsche schepen en 't was er heerlijk slapen.
Nu hadden wij den heer A. Visser, een der firmanten van de firma W. & A. Visser & Zn., den bekenden palinghandel op Londen, al eenigen tijd geleden beloofd, een volgenden keer, wanneer we weer eens tegen den avond bij Heeg verzeild raakten, hem dan te komen opzoeken, om eens gezellig een praatavondje te houden. 't Was er tot nu toe nog niet van gekomen, doch thans was er een aanleiding. Wij wenschten n.l. een foto te maken van de bekende „zilveren bokaal", door die firma in 1847 te Sneek bij een zeilwedstrijd gewonnen.
Zoo vertrokken wij op Vrijdag voor Pinksteren des n.m. ongeveer 4 uur met ons motorjacht uit Leeuwarden en zetten koers naar Heeg. Vooraf hadden we zekerheid gekregen, dat de heer Visser aanwezig was, wat wel noodig is, want deze heer vertoeft zeker even vaak in het buitenland als in Heeg. 't Was wel eenigszins haasten, zou er nog een behoorlijke avond overblijven; doch we behoefden niet zoo heel lang voor spoor- en trambrug te wachten, zoodat we reeds ruim 8 uur te Heeg arriveerden, waar we door den heer Visser zeer prettig en gastvrij werden ontvangen.
Voor 't maken van foto's was dien avond geen gelegenheid meer, doch dat kon den volgenden voormiddag gebeuren. We hadden nu alle gelegenheid, iets naders te hooren omtrent den eeuwenouden beroemden palinghandel op Engeland en vernamen tevens 't juiste van vele verhalen, die als 't ware legendarisch over dezen handel in omloop zijn. 't Bleek natuurlijk, dat in dit geval, zooals gewoonlijk, de legende wel grootendeels op ware gegevens berust, doch 't verband ertusschen soms op fantasie.

 


 

Boek "De Friese palingaken''

Van 1929 tot 1933 maakte Jan Zetzema deel uit van de bemanning van een in 1872 op de werf van Eeltje Holtrop van der Zee te Joure gebouwde Friese palingaak. Dat was de laatste van een vloot die in de bloeitijd van de Friese palinghandel op Londen, uit een twintigtal schepen bestond. Eeuwenlang is deze handelsvaart voor Holland en Friesland van grote betekenis geweest. Na een ontwikkeling die ergens in de 14de eeuw begonnen moet zijn en waarin Amsterdam, de Zaanstreek, en het omliggende Waterland een voorname rol hebben gespeeld kwam deze voor wat Holland betreft in de 17de eeuw op het toppunt van zijn bloei. Daarna ging Friesland een steeds grotere rol spelen met als hoogtepunt de tweede helft van de 19de eeuw toen er regelmatig drie of vier schepen tussen Friesland en Londen onderweg waren.
In Engeland gold voor de Hollandse en Friese schippers een merkwaardig privilege. Zij betaalden voor de voor hun schepen gereserveerde ligplaats geen havengeld, en voor hun handel die zij op de markt van Billingsgate verhandelden ook geen marktrechten. Talloos zijn de vaak romantisch gekleurde verhalen over het ontstaan van dit privilege, waarmede in dit boek helaas moest worden afgerekend.
Het is Zetzema's verdienste dat hij, toen hij als negentienjarige op een van de laatste nog in de vaart zijnde palingaken aanmonsterde, direct begreep dat hij nog even zou kunnen meespelen in een geweldig stuk maritieme geschiedenis van Friesland dat zich nog net niet aan het oog van de waarnemer onttrokken had. Met glasplaatcamera en tekenstift, door eigen waarneming en door gesprekken met oudere collega's verzamelde hij het materiaal waaruit hij dit boek kon samenstellen.

Terug naar vorige pagina