Tjalken

Een bekende verschijning op de binnenwateren is de tjalk. Men komt ze als motorvrachtschip tegen, als jacht met luxueuze kajuit opbouw en als woonschip met kistvormige opbouw als oeverstoffering. De tjalk is het meest verbreide vrachtvarende zeilschip in Holland en Friesland geweest en dat is ook de reden dat er tegenwoordig nog zoveel exemplaren van over zijn, alleen van ijzer.
Houten tjalken zijn uitgestorven. De naam tjalk vindt men al in beschrijvingen van drie eeuwen geleden. Men verzuimde er echter een duidelijke beschrijving van te geven en de voornaamste maten. Pas later toen er iets van de scheepsbouw op papier werd gezet krijgt het type meer vorm. 

De tjalken hadden aanvankelijk een spriettuig dat op zee zeer lang in gebruik is geweest maar op de binnenwateren te onpraktisch in het gebruik werd door de onhandelbaarheid van de lange spriet. De schippersfamilie woonde doorgaans aan boord, in de oudere tjalken onder het iets verhoogde achterdek, het paviljoen. Het aangezicht over dek was dus helemaal vlak. Licht kreeg men in dit piepkleine woninkje door een schijnlicht, een klein vierkant kastje met een puntdak met glas voor het licht, en twee poorten in het achterschip.
In deze behuizing zijn vele schippersgeneraties groot geworden. Dit waren de zogenaamde paviljoentjalken met een laadvermoqen rond de vijftig ton. Achter de woning volgde het grote open laadruim en voor de mast was het vooronder, de bergplaats voor scheepsspullen, onderhoudsmaterialen, zeilen en tevens slaapplaats voor de kinderen. Latere tjalken kregen een woning tussen het achterdek en het ruim, en toen het zeiltuig werd vervangen door de motor kwam achter de woning een stuurhut.

Tjalken in het boek "Ronde en Platbodemjachten van Mr. Dr. T. Huitema

De tjalk is een typisch inheems vaartuig, dat steeds weer schilders en tekenaars heeft geïnspireerd. In de tjalk heeft de houten scheepsbouw, aldus Sopers, een vrachtschip tot stand weten te brengen van de meest harmonische lijn, rustig en doelbewust de verschillende uitwendig zichtbare constructiedelen tot een logisch geheel samenvoegend. De hoofdkenmerken van de tjalk zijn de vlakke, brede bodem met ronde kim, de flauw gebogen voorsteven, de rechte vlakke zijden en de fraaie rondingen voor en achter. De tjalk is gebouwd op draagvermogen, waarbij de beperkte diepgang en de strijkende mast het mogelijk maken dat het schip bijna overal kan komen.

De naam "Tjalk"

De naam tjalk komt, voor zover bekend, het eerst in 1671 voor bij Witsen in de eerste uitgave van diens 'Aeloude en hedendaagse Scheepsbouw en Bestier' onder de opsomming van verschillende scheepstypen die in bepaalde delen van de Verenigde Nederlanden werden gebruikt. Het woord tjalk schijnt van oorsprong een Fries woord te zijn: t(s)jalk, diminutief van tsjal, dat afgeleid is van het oud-friese kiál = kiel, een soort schip. Dus een pars-pro-toto aanduiding. In Friesland zelf werd de aanduiding tjalk overigens weinig gebruikt. Daar sprak men meer van skûte, skûtsje of ook wel van praam. Uit een inventarisatie van de stad Leeuwarden uit 1694 blijkt dat onder de 546 schepen geen 'tjalk' voorkomt. Een Octrooi uit 1728 van het Groot Schippersgilde in Leeuwarden spreekt echter van Kaag- of Tjalkschippers; waarschijnlijk is hierbij aan zeetjalken gedacht. In de negentiende eeuw komt in de werfboeken van E.H. van der Zee te Joure het woord tjalk niet voor. In dezelfde tijd gebruikte echter Alkema in Makkum dit woord regelmatig, niet alleen voor schepen die de Zuiderzee bevoeren, maar ook voor kleine turftjalken voor de binnenwateren. Een algemene regel is dus ook hier niet te geven.
Voor de grotere zeegaande schepen, die vooral in Groningen werden gebouwd, werd wèl de naam tjalk gebruikt en deze schepen waren ook duidelijk te onderscheiden van de binnenvaarder. De zeegaande tjalk is groter, forser met een flinke diepgang van zeker zes voet, de mast is steeds zwaar gestaagd en staat vrij ver naar achteren, soms zijn er twee masten, terwijl een kluiver, eventueel ook een buitenkluiver, op een kluiverboom wordt gevoerd. Eigenlijk is het woord tjalk een te algemene aanduiding omdat er onderling nogal verschillende schepen uit de grote familie der `kromstevens' mee worden aangeduid, en er zich ook hier een ontwikkeling heeft voorgedaan.

Bijzondere hekvorm

Tot in de achttiende eeuw hebben de kromstevens veelal een bijzondere hekvorm, waarbij de boorden van het achterschip naar boven zijn verhoogd en spits toelopend zijn samengebouwd. Dit opbouwsel heet de 'staats' of 'staatsie', waarin een driehoekige opening is uitgespaard, het `hennegat', waardoor de helmstok loopt. De onderzijde van het hennegat wordt gevormd door de hekbalk die horizontaal op de achtersteven rust
Bij paviljoentjalken zitten de 'poorten' in het achterschip wel bóven het berghout, soms in de ronding van het achterschip, zoals we dat ook bij de Hasselteraak vinden. Gewoonlijk bevinden deze poorten zich echter vrij dicht tegen de achtersteven ónder het berghout.

Regionaal vertonen de leden van de familie der kromstevens verschillen.

In Zuid-Holland en Zeeland kennen we tot in de twintigste eeuw de benaming schuit, boeier, poon en pleit, scheepstypen die werden gekenmerkt door een duidelijke zeeglijn, een tamelijk rechtstandige steven en een grote forse kop. Het tuig is hoog en de fok wordt op de voorsteven gevaren. Wanneer we thans als soortnaam van Zuid-Hollandse tjalken spreken dan worden schepen bedoeld met dezelfde hoofdkenmerken. 
De Groninger tjalk voor de binnenvaart is in verhouding tot de breedte bijzonder lang en plat met een uiterst geringe diepgang. Deze vorm houdt uiteraard verband met de afmetingen der veenkoloniale vaarten, waarin dit schip werd gebruikt. Deze lengte/breedte-verhouding is ook de reden dat,  zo'n tjalk een paar meter werd ingekort bij de verbouwing tot jacht.
De in Groningen gebouwde Oostzeetjalken zijn zware schepen met brede berghouten, hoge kop en veel zeeg.

De Friese tjalk

De Friese tjalk ten slotte is thans het meest voorkomende type, gekenmerkt door een gestrekte vorm en vrij weinig zeeg. De steven valt enigszins voorover en de hoek tussen steven en berghout is scherper dan elders, terwijl het opboeisel op het voorschip duidelijk achterover, naar binnen valt. In Friesland was onderscheid te maken tussen de tjalken gebouwd in de ZW-hoek en bestemd voor ruw water van de grote meren en Zuiderzee, vandaar onder anderen de vrij hoge kop, en de tjalken, gebouwd bijvoorbeeld in Drachten en bestemd voor beurt- en vrachtvaart in de rustiger kanalen en vaarten.
Ook voor Friesland is het woord tjalk, dat zoals gezegd lang niet algemeen werd gebruikt, een te algemene aanduiding, omdat de Friezen verschillende woorden gebruiken voor hun ronde vracht-vaartuigen, afhankelijk van de grootte van het betreffende schip. In de eerste plaats kenden ze het open beurtscheepje, dat de dienst onderhield tussen twee plaatsen die zo dicht bij elkaar lagen dat de scheepjes in een dag op en neer konden. In de ZW-hoek werden deze scheepjes 'jachten' genoemd, welk woord hier is gebruikt- in de reeds oude betekenis van snelzeilend vaartuig. Snelzeilende veerschepen, zoals tussen Harlingen en Terschelling werden eveneens jacht genoemd. Vergelijk ook Blokzijler jacht. Het 'jacht' dat van Hindelopen op Workum voer had slechts een lengte van achttien voet en een draagvermogen van 'dertig zakjes meel' of wel drieduizend kg. Voor de mast was een afneembaar dek om de pakjes droog te houden. Ze voeren met een gaffeltuig en mast met contragewicht, terwijl tot de uitrusting ook twee 'ijsborden' behoorden, gemaakt van licht plaatijzer, ieder in de vorm van de halve kop. Wanneer de ijsperiode voorbij was werden ze weer zorgvuldig opgeborgen. Tot ± 1920 waren deze 'jachten' nog in gebruik, daarna werden ze vervangen door de ijzeren schouw.
Een grotere uitgave vormde het geheel overdekte model zonder gangboord, dat nog tot in de kleinste opvaarten bij de boeren kon komen. Een heel enkel exemplaar schijnt nog te bestaan. Al naar het doel waarvoor ze werden gebruikt sprak men bijvoorbeeld van kaasjagers en mestjagers. Wellicht zou men hier van een praammodel kunnen spreken.

De eigenlijke Skûtsjes, schepen van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton

Dan komen we bij de schepen van ± 12 meter lengte en een draagvermogen van acht tot achttien ton. Deze schepen zijn de eigenlijke `skûtsjes', waarvan er vroeger heel wat in Friesland waren en als beurtschip, potschip, bloemschip en voor andere doeleinden werden gebruikt. De kleinste hadden meestal een `bollestal’ en een roer met vaste klik en losse helmstok. Bij de grotere modellen waren roer en helmstok tot een geheel verbonden. Ze voerden een gaffeltuig. Strikt genomen is dus de huidige aanduiding `skûtsje-silen' minder juist, omdat het geen wedstrijden zijn tussen `skûtsje', maar tussen grotere vrachtschepen. Voorheen sprak men van wedstrijden tussen 'beurt- en vrachtschepen' ; de beurtschepen zijn er niet meer, maar de naam is voor de wedstrijden behouden. Wanneer de beurtschippers vroeger ongeveer op precies dezelfde tijd uit 'de stad' terugzeilden naar hun dorpen, of ongeveer terzelfder tijd bij de stad aankwamen, probeerden ze elkaar uiteraard voorbij te komen en ontstonden als het ware onofficiële wedstrijden, die veel tot de goede ontwikkeling van het schip hebben bijgedragen.

De eigenlijke 'tjalken' of `skûten'

Nauw met deze schepen verwant, doch van iets gestrekter vorm, waren de eigenlijke 'tjalken' of `skûten', dikwijls als modderscheepjes, turf- of aardappelscheepjes in gebruik. Het draagvermogen was aanvankelijk ongeveer dertig ton, om later op te lopen tot ruim vijftig ton; lengte zestien tot twintig meter. De grote broers van deze tjalken bevoeren soms ook de Zuiderzee, vooral met hooi en turf van Friesland naar Amsterdam. Bij deze schepen werd het oorspronkelijke brede, lage gaffeltuig met gebogen gaffel soms vervangen door het zogenaamde Drentse tuig. Dit was smaller en hoger met rechte gaffel en gaf dus een gunstiger effect in de smalle, diepgelegen Drentse vaarten, waar de hoge wallen met hun struikgewas veel luwte gaven. Bovendien was bij het hijsen van dit zeil slechts één draad op de lier nodig. De luikenkap' over het laadruim had oorspronkelijk sierlijke gebogen luiken, die echter later door vlakke luiken werden vervangen. De kleine roef, iets in het laadruim ingelaten, steekt weinig uit en stoort de lijnen van het schip geenszins. 

De tjalk als jacht

De tjalk is door zijn goede zeileigenschappen en door de grote ruimte aan boord steeds meer als jacht in zwang gekomen. Men gebruikt daarbij ook wel de benaming boeiertjalk, waarbij de toevoeging 'boeier' zowel betrekking heeft op de vorm van de kop als de aanduiding inhoudt dat het schip als jacht in gebruik is. Zo sprak en spreekt men ook wel van boeieraak wanneer men een als jacht gebruikte of gebouwde Lemsteraak bedoelt. De boeier gold nu eenmaal als het plezierjacht bij uitstek! 

Van boven naar beneden: Turftjalk, Groninger Tjalk, Zeetjalk, Koftjalk
Van boven naar beneden: Turftjalk, Groninger Tjalk, Zeetjalk, Koftjalk

Scheepstypologieën: Spiegel der Zeilvaart 1986 nummer 4, 5, 6 en 7 - Scheepstypologie Tjalken (4 delen)

Tjalken zijn het product van een eeuwenlange evolutie in de scheepsbouw. Reeds in de zeventiende eeuw voeren er schepen waarin trekken van de huidige tjalken te herkennen zijn. Tot in de vorige eeuw werden de schepen in hout gebouwd; omstreeks 1880 kwam de ijzerbouw in gebruik, die begin deze eeuw geheel door staalbouw werd verdrongen.
Deze tjalkachtige schepen waren aan het eind van de vorige en het begin van deze eeuw de meest voorkomende zeilende vrachtschepen op de Nederlandse binnenwateren. Ze zijn herkenbaar aan de rechthoekige vorm, de gekromde voorsteven, de invallende boeisels bij voor- en achterschip en het aangehangen roer. De bodem is vlak, zoals bij de meeste grotere binnenvaartschepen. De lengte varieerde meestal tussen de 15 en 25 m; het tonnage tussen de 20 en 150 ton. De breedte was 1/4 tot 1/5 van de lengte.
Zoals reeds gezegd waren tjalken vrachtvaarders die alle soorten lading vervoerden. In enkele gevallen werden de schepen ook als winkelschepen gebruikt (bijv. potscheepjes) of voor vervoer van kermisattrakties. De meeste tjalken werden door het schippersgezin bewoond.
De grotere tjalken van de landelijke vaart hadden naar toenmalige begrippen een betrekkelijk grote roef. De kleinere tjalken hadden een lage roef (vaak vrijwel even hoog als de luikenkap) in verband met de kruiphoogte om onder bruggen door te varen. Bij sommige tjalken was de woning onder het achterdek.

Waterkampioen juli 1965 nr1156 - Schepenschouw De tjalk

Tjalken zijn in de jaren na de oorlog zeer in trek gekomen als zeiljacht, motorjacht of varend woonschip. De naam tjalk is - voor zover bekend - eerst tegen het einde van de zeventiende eeuw in gebruik gekomen en zou - volgens het boek „Ronde en Platbodemjachten" - mogelijk afgeleid zijn van het oud-friese woord kiâl = kiel. Volgens G.C.E. Crone (in „Nederlandse Binnenschepen") moet men de Nederlandse, voornamelijk Friese, hektjalk uit de negentiende eeuw, dus voor de ijzeren bouw een aanvang nam, als standaardmodel aanmerken. Daarnaast bestonden echter talrijke varianten, die per provincie of zelfs per streek afwijkingen vertoonden, als de Groninger en Overijsselse tjalken enzovoort.
Toen ijzer en even later scheepsstaal het hout als bouwmateriaal verdrongen, bleven de verschillende modellen vrijwel ongewijzigd bewaard. Merkwaardig is dat, ondanks het feit dat de tjalk - misschien kunnen wij in navolging van P.J.V.M. Sopers (in „Schepen die verdwijnen") beter spreken van het „tjalkachtige schip" - het meestverbreide binnenvaartuig was (volgens de statistiek bestonden er op 9 mei 1940 nog 2785 schepen van dit type), er in de litteratuur toch maar zo weinig over te vinden is.
Alle auteurs prijzen de tjalk als een vaartuig, bekwaam om zowel de wijde als de nauwe en ondiepe wateren te bevaren en geven als hoofdkenmerken de vlakke brede bodem met kiel, die met een ronde kim in de zijden overgaat, de fraaie ronding aan de uiteinden, de flauw gebogen voorsteven en de nagenoeg rechtstandige achtersteven. Het tjalkachtige schip paarde een groot laadvermogen aan een toch alleszins voldoende snelheid.

pdf Waterkampioen 1965 nr1156 juli - Schepenschouw De tjalk

Met Zeil en Treil, het boek van Frits Loomeijer

Met zeil en treil; een achttiende eeuwse advertentietekst als titel van een boek over tjalken. Een schip werd in die tijd te koop aangeboden al dan niet met zeil en treil, dat wil zeggen, geheel compleet en vaarklaar. Aanvankelijk was het de opzet om in dit boek een compleet beeld te geven van het scheepstype tjalk. Dit is in zekere zin ook wel gebeurd, maar het onderwerp bleek te omvangrijk om in het kader van een boek volledig uit te werken. Met het woord tjalk wordt een bepaald scheepstype aangeduid. Tegelijkertijd echter is het de verzamelnaam van een aantal aan elkaar verwante schepen die te beschouwen zijn als 'leden van de tjalkenfamilie'. In dit boek heb ik het woord tjalk in de uitgebreide zin van het woord opgevat. Een korte schets van de ontwikkeling van de houten tjalken, smakken en koffen is de inleiding van de beschrijving van de tjalk zoals hij sinds circa 1880 voer en nog vaart. Hierbij heb ik mij niet beperkt tot de technische kant van de zaak zoals de bouw, de verschillende modellen en de tuigage. De functie van deze schepen, de lading die zij vervoerden en het water dat zij bevoeren, krijgen eveneens aandacht.

Met Zeil en Treil - De tjalk in binnen- en buitenvaart


De 'Navigator', een uit 1892 daterende stalen en ijzeren tjalk van reder Jonker uit Wildervank, hield zich voornamelijk bezig met (wilde) vaart op en in het Oostzeegebied. Hier bracht ze ook het grootste deel van het jaar door. Eind 1917 is de „Navigator" met een lading hout bestemd voor Nederland onderweg van Västervik in Zweden naar Amsterdam. De ochtend van 22 februari wordt geconstateerd dat de „Navigator" lek is geslagen en water maakt. Op een gegeven moment begint de deklading te drijven. Een deel hiervan wordt overboord gezet, maar dit biedt geen soelaas en de „Navigator" begint zelfs slagzij te maken. Dit is voor de vier koppen tellende bemanning aanleiding om van boord te gaan en in de sloep te stappen. Eerst wordt er nog door middel van een lijn met de „Navigator" verbinding gehouden, maar toen deze brak gingen tjalk en sloep ieder een eigen koers volgen. Een etmaal later zetten de bemanningsleden ongedeerd voet& aan land op het Duitse waddeneiland Borkum, terwijl de „Navigator" zichzelf vastzet op de oostpunt van Schiermonnikoog. Mede naar aanleiding van de dubbel-stranding „Navigator"/„Eben-Haëzer" kwam de Raad voor de Scheepvaart tot de uitspraak dat dergelijke tjalken, die normaal gesproken alleen langs de kust voeren en nu, door oorlogsomstandigheden daartoe gedwongen, een deel van hun reis ver de Noordzee op moesten, daarvoor niet zeewaardig genoeg waren.

De laatste tocht van de tjalk 'Navigator'


Stalen en ijzeren (kof)tjalken op zee

Janneke Bos schrijft in haar boek "Stalen en ijzeren (kof)tjalken op zee":
Diverse scheepstypen zijn uitgebreid behandeld in dikke interessante boeken. Veel scheepstypen hebben hun eigen expert. Zo wordt de ontstaansgeschiedenis van de Groninger bollen en tjalken behandelt in het boekje "Scheepstypologiën". Dit hoofdstuk is door mijn vader Henk Bos geschreven. Hierbij worden ook de grotere tjalken genoemd, zoals de zeetjalk en de koftjalk. Wanneer je gaat zoeken naar deze tjalken die op zee gevaren hebben, kom je veel boeken tegen. Helaas zijn er maar weinig boeken geheel gewijd aan dit onderwerp. Meestal zijn er maar een paar pagina's geschreven over de zee- en (kof)tjalken en dan ook nog in het algemeen. Voordat ik dit boek begonnen ben heb ik mezelf de volgende vraag gesteld: Wat is er nog over van zeegaande (kof)tjalken?
De hoofdvraag kunnen we vervolgens verdelen in kleinere:

  • Hoeveel zeegaande (kof)tjalken zijn er nog?
  • Hoeveel zijn er geweest? Hoe zijn ze gebouwd?
  • Wat is er bekend aan scheepspapieren?
  • Hoe werden ze gemeten?

Natuurlijk kunnen er nog meer vragen bedacht worden. Daar de tijd voor het schrijven van dit werk beperkt is moest er helaas een keuze gemaakt worden uit de te beantwoorden vragen. Een aantal zijn in de verschillende hoofdstukken verder uitgewerkt. In het onderzoek zijn alleen stalen en ijzeren (kof)tjalken betrokken. Daar deze schepen gelukkig nog steeds gebruikt worden, geeft dit het onderzoek meer inhoud dan het geval zou zijn met houten tjalken. De nog bestaande zeevarende tjalken zijn onder te verdelen in drie scheepstypen, de Groninger tjalk, de zeetjalk en de koftjalk. Wat de kenmerken van deze scheepstypen zijn wordt beschreven in het hoofdstuk 'Scheepstypen'.

Stalen en ijzeren (kof)tjalken op zee


 

Ronde Zeeuwen - Houten vracht- en veerschepen in Zeeland door Gerrit J. Schutten

Gerrit Schutten is al tientallen jaren bezig met het verzamelen en bestuderen van gegevens over oude, bijna vergeten, scheepstypen en het gebruik ervan. In dit artikel geeft hij een opsomming van de vele scheepstypen die in Zeeland werden gebruikt. Achtereenvolgens komen de tjalken, steenschuiten, ponen, pleiten en zelfs de boeierschuiten aan bod. Dankzij zijn gesprekken met informanten, zo mogelijk opmetingen, reconstructies en oude foto's wordt telkens weer een deel van de historie gedegen vastgelegd.
Mijn voornaamste informant over de houten vrachtschepen in Zeeland was Jan A. Neve, woonachtig te Rotterdam. Hij is in 1881 geboren als zoon van de beurtschipper van Walsoorden op Rotterdam. Zijn vader had een poon. Toen hij 13 jaar was, voer hij elke week met vader en knecht naar Rotterdam. Toen hij 15 jaar was, bleef vader wel eens thuis. Later werd hij sleepbootkapitein op de Rijn. In die hoedanigheid heeft hij meegewerkt aan een loodsboekje over de Rijn. In zo'n boekje waren alle stroomgeulen, zandplaten en andere navigatiemoeilijkheden op de Rijn beschreven.

Ronde Zeeuwen - Houten vracht- en veerschepen in Zeeland

Terug naar vorige pagina