Hollandse boot

Vroeger was de Hollandse boot verspreid over het grootste deel van Nederland en werd door een brede laag van de bevolking voor beroepsdoeleinden gebruikt. Zo was hij in gebruik als schippersboot, werkboot, visboot, boereboot en marktschuit. De inrichting was altijd een beetje aangepast aan de bestemming, maar niet in die mate dat belangrijke uiterlijke verschillen daarvan het gevolg waren. Belangrijke onderlinge verschillen in vorm en constructie kwamen voort uit de plaats van herkomst, waar duidelijke afgescheiden typen zijn ontstaan. Drie van deze typen zijn in België goed bekend geweest. Het Zeelandse type, dan een variant uit Zeeuws-Vlaanderen en de Doesburger. Het Zeelandse en zeker het Zeeuwse type fungeerden als bijboot van de vissersvaartuigen uit het Delta-gebied. 

Hoogaarsen, hengsten, schouwen en boeieraken namen dat type boot mee om alle karweitjes op te knappen waar de grote schepen als gevolg van hun diepgang niet bij konden, zoals het uitzetten van netten tegen de wal, het laden van mosselen en oesters op de zandbanken en later het werk in de ondiepe perken, enz. In het Scheldegebied over de Nederlandse grens verschenen ze dagelijks, vooral in Antwerpen, maar ook in steden dieper in het binnenland als Gent, Mechelen en zelfs Brussel. Ze kwamen hun vangsten te koop aanbieden in de plaatselijke vismijnen en aan de opkopers op de kade.
Bij vele Zeelandse schippers vielen deze twee soorten wel in de smaak, maar de andere, de Doesburger stond in België beter bekend als schippersboot. Nederlandse schippers, eerst hoofdzakelijk de tjalkschippers en later ook de anderen, namen ze mee op hun tochten. In de haven van Antwerpen kon men de verschillende Hollandse boten bewonderen naast de plaatselijke soorten als Brabanders en jollen. Langs rivieren en kanalen, het hele land door kon men ze als volgboot achter de grote vaartuigen aantreffen.
 


 

Consent Voorjaar 2017 nummer 33 - De Hollandse boot

Niet lang na de uitvinding van het wiel zal de kruiwagen wel bedacht zijn. Nog steeds wordt deze één-wieler volop gebruikt. Een verbluffend nuttig en weid verspreid stuk gereedschap! We beweren niet dat de Hollandse Boot kort daarna is ontstaan. Dat was wel even later. Maar als werkboot heeft ze ook overal nuttig gebruik gevonden. En haar basisvorm is zeker ook oud. De opgegraven Romeinse schepen bij Zwammerdam uit de tweede eeuw tonen al de ruime, platte bodem, die zich omhoog buigt aan beide uiteinden. Een vrachtscheepje, zonder kiel- en stevenbalken dat zich liet roeien, bomen, jagen en zeilen.
Sinds die tijd is dit aaktype, met de omhoog gebogen einden, heve's genaamd, niet meer weggeweest van onze wateren. Thedo Fruithof' noemt een schilderij van Cornelis Claeszn van Wieringen (1580-1633) waarop een duidelijke herkenbaar - want tegen een dijk opgetrokken - exemplaar van de Hollandse Boot is te zien. Ook op latere schilderijen van onder andere Ludolf Bakhuizen (1630-1708) zijn ze regelmatig afgebeeld. In ieder geval is de Hollandse Boot al volop in gebruik tegen het begin van de negentiende eeuw.
In ruim anderhalve eeuw zal dat gebruik alleen maar toenemen, in aantal, in geografische verspreiding, en in verspreiding over sectoren van de binnenlandse vaart. Je kan het type met recht de meest gebouwde Nederlandse platbodem noemen. Tot dat.... plotseling, als bij toverslag, de Boten tussen 1950 en 1960 van het water verdwenen. En evenzeer verbazingwekkend, geen haan die er naar kraaide!

Het hele verhaal hebben we opgenomen in ons hoofdstuk "Uit het Stamboek".
 


 

De bouw van een Hollandse Boot (Sliedrechts model) - door Thedo Fruithof

Voeg zes brede lange dikke eiken planken bij elkaar en je hebt een Hollandse boot. Zo eenvoudig is het basisrecept voor het bouwen van een degelijke werkboot. Vier weken mocht Thedo Fruithof in het voorjaar van 1975 een stage volgen bij de botenbouwer Arie Nieuwendorp in Sliedrecht. Aan de hand van een dagboek neemt hij u mee naar de werkplaats verscholen tussen grote fabrieken in het bekende baggerdorp. Gebouwd werd een Hollandse roeiboot met spiegel van het Sliedrechtse model.

Het hele verhaal hebben we opgenomen in ons hoofdstuk "Uit het Stamboek".
 


 

Spiegel der Zeilvaart 1993 - De Hollandse boot in 3 verhalen

Maurice Kaak heeft in de jaren '90 van vorige eeuw vele kleinere scheepstype in de Spiegel der Zeilvaart beschreven. Daaronder ook de Hollandse boot in 3 artikelen:
In Nederland bestonden nog andere typen, wier faam de grenzen niet heeft overschreden en die slechts een kleine of grote plaatselijke bekendheid hebben gehad. Zo is er een tweetal typen geweest in Zuid-Holland, in de grote omtrek van Rotterdam, het Sliedrechtse type ten oosten en het Boskoper type ten noorden. Boven Zwolle in de provincie Overijssel vond men dan weer een andere die men het Hasselter type zou kunnen noemen. Over deze soorten zullen we het niet hebben. Laat dit voer zijn voor een Nederlandse botenfanaat. Het onderwerp is een grondig onderzoek waard.
De Vlieger en de Hollandse boot werden vroeger door niet-ingewijden wel eens met elkaar verward. Zij hebben beide de aakvorm gemeen. Niettemin zijn er genoeg verschillen om ze te kunnen onderscheiden.

Het Zeelandse type

Albertus van Beest, een bekende Nederlandse marineschilder, schetste in het begin van de 19e eeuw een Hollandse boot van het Zeelandse type. Hij ligt omgekeerd en toont op voordelige wijze zijn belangrijkste kenmerken. Het bolle onderboord bestaat uit twee brede gangen. Het bovenste overlapt het onderste en op de bovenzijde van de eerste is een schuurlijst aangebracht. Het mid-dengedeelte van het vlak is recht en buigt naar achter langzaam op. Dit stemt overeen met de boot uit de collectie van het Nationaal Scheep-vaartmuseum van Antwerpen waarvan de tekening staat afgebeeld. 

Hollandse boten van Rijkswaterstaat

De Hollandse boten van Rijkswaterstaat waren meestal voorzien van een zeiluitrusting compleet met zwaarden en roer. De traditie eiste een laag sprietzeil en een fok. Op een prentkaart van de jaren dertig met zicht op de Rupel bij Boorra in België staat een Hollandse boot van het Zeelandse type centraal. Hij voert een ongewoon tuig, als van een groot schip. De top van de grote mast is zelfs getooid met mastwortel en wimpel, feestelijker kan niet. Het ligt voor de hand dat dit een uitzondering op de regel was, een paradepaardje van een fiere Nederlandse schipper. 

Spiegel der Zeilvaart februari 1987 nummer 1 - Zeilwedstrijden met 'Hollandsche Booten'

Waterminnend Nederland is over het algemeen goed op de hoogte van de wedstrijdzeilsport van zowel vroeger als nu. Een goed voorbeeld hiervan is de bekendheid met het skûtsjesilen, de Strontrace, de botterwedstrijden, klipperraces enz. Daarom is het verwonderlijk dat nog maar slechts een enkeling iets weet over de zeilwedstrijden met Hollandse boten, die tot aan de Tweede Wereldoorlog, met name op de Lek en de Hollandse IJssel zijn gehouden. Natuurlijk weten we wel iets over de Hollandse boot als roeiboot. Het is bekend dat deze boot waarschijnlijk zijn bakermat had in het westelijke deel van de Krimpenerwaard, maar dat er ook Hollandse boten gebouwd werden langs de Gelderse IJssel, zij het in iets andere vorm. We weten ook dat de Hollandse boot populair was bij de binnenschippers, de baggerwerken en Rijkswaterstaat die deze boten lange tijd gebruikt hebben. Over de zeilwedstrijden met deze boten is echter weinig bekend en wat nog erger is, er is ook weinig meer over te vinden. Daarom heb ik mij slechts gewaagd aan een korte beschrijving over het wedstrijdzeilen met Hollandse boten.
De oorsprong van de wedstrijden laat zich raden. Als u bedenkt dat er in een dorpje als Krimpen a.d. Lek alleen al vijf botenbouwers waren, die deze boten ook wel verhuurden. De boten werden dan naar de huurders in bijvoorbeeld Rotterdam gebracht.

Foto van de door Muller gebouwde schouw „Zwerver", omstreeks 1935
Foto van de door Muller gebouwde schouw „Zwerver", omstreeks 1935

Zeilwedstrijden met 'Hollandsche Booten', reactie van Dr. Ir. J. Vermeer

Het artikel van Willem Eerland in het februari nummer van SdZ wekte bij mij herinneringen op aan de jaren vóór WOII. Omstreeks 1930 liet mijn vader op de werf van O.E. Muller in Krimpen a/d Lek een eikenhouten schouw van 5.50 m bouwen. Hij was op deze werf attent gemaakt door een collega-onderwijzer Henk van Schelven, een telg van de familie, die in het artikel ter sprake komt. Ik herinner mij dat Muller getrouwd was met de dochter van de vroegere werfbaas, Kriens genaamd. Als schoonzoon zette hij dus een traditie voort. De werf werd nog gedreven onder de naam van „Firma Kriens". Toevallig juist onlangs voor een ander doel bladerende in vooroorlogse jaargangen van de Waterkampioen kwam ik in de rubriek De Uitkijk herhaaldelijk mededelingen tegen over door de fa. Kriens nieuw afgeleverde plezier-jachtjes. Wij hadden met onze schouw als thuishaven de Zeilvereniging „Kralingen" aan de Kralingse Plas. Uit eigen ervaring weet ik, dat in de jachthaven van deze vereniging in ieder geval nog twee zeer fraai afgewerkte zeiljachtjes van dezelfde werf thuishoorden, nl. een BM-jachtje en een Pampus jacht, het laatste genaamd „Fuut" met registratienummer. De Krimpense werf bestond waarschijnlijk al enkele tientallen jaren als één van de vele werfjes waar in het rivierengebied houten bedrijfsvaartuigen werden gebouwd en dan met name de zg. Hollandsche Boot. Deze was zeer geliefd bij de schipperij als bijboot en roeivaartuig. Behalve door de categorieën genoemd in het artikel van Eerland werd zij ook veel gebruikt door parlevinkers, bovendien als overzetveer voor voetgangers en fietsers. De boot had inderdaad ook uitstekende zeileigenschappen. Ik herinner mij dat in de jaren '20 en '30 op de Kralingse Plas nog wedstrijden voor tjotters in de klassen OE en OF werden gehouden, waarbij ook enkele (opgeboeide) Hollandse boten mee deden en in snelheid de ronde jachten vaak overtroffen. Jammer, dat men zulke scheepjes tegenwoordig op deze wijze niet meer ziet.
N.B. De tjotter „Ideaal" gebouwd door Kalkman, Capelle ad IJssel, bestaat nog (zie de Schepenlijst van de St. Stamboek Ronde en Platbodemjachten). Of de tjotter „Hilda" nog bestaat is mij niet bekend.


Spiegel der Zeilvaart april 1987 nummer 3 - De Hollandse boot

Jan Kooijman schrijft:
Wat zit er in een naam? Je zult maar een klein scheepje zijn en dan Hollandse boot heten. De hele wereld spitst de oren, want Holland heeft in de scheepshistorie een grote naam. Zo'n Hollandse boot moet dan wel iets heel bijzonders zijn. Nou, dat is hij dan ook, maar op andere wijze dan zijn naam in het buitenland zou doen vermoeden. De Hollandse boot is naar afmetingen en hoedanigheid geen schip dat lijkt op de vaartuigen van Tromp en de Ruijter. Het is in verhouding tot die trotse zeekastelen maar een klein bootje. En het woord Hollands betekent dan ook geen verwijzing naar het land Holland, zoals Nederland in het buitenland wel wordt genoemd, maar naar de latere provincie Zuid Holland, waar het bootje zijn oorsprong vond. Qua naamgeving zit de Hollandse boot in het zelfde rijtje als de Brabantse boot, de Groninger boot enzovoorts.
De Hollandse boot is wel klein, maar bijzonder van vorm. Hij is naar het type een aakje en, zoals Petrejus in zijn boek "Oude Zeilschepen" zegt, een juweeltje van scheepsbouwkunst. Wat het gebruik betreft was hij een alleskunner. In de eerste plaats was er het gebruik als schippersboot. Tjalken en andere vrachtschepen hadden vaak een Hollandse boot als bijboot. Hij was hiervoor heel geschikt. Daarnaast was er het gebruik als waterstaatsboot bij sluizen en havens, als werkboot bij baggerwerken, ook voor overzetveren werd de Hollandse boot gebruikt, en als werkboot voor vletterlieden die in zeehavens de trossen van de zeeschepen op de boeien moesten vastmaken. Hier en daar zie je nog een enkele Hollandse boot, maar van de grote aantallen, die er oorspronkelijk geweest zijn, bleven er slechts weinige over. Dat de Hollandse boot in zekere zin een alleskunner was komt heel goed tot uiting in het artikel in „Spiegel" februari 1987 waar Willem Eerland schrijft over het gebruik als zeiljachtje. Die grote verscheidenheid van doeleinden had tot gevolg dat de lengte-afmetingen en ook de lengte-breedte verhouding varieerden. Er waren er die door één persoon konden worden geroeid, maar twee roeibanken en een extra stel roeidollen waren minstens even gebruikelijk. Het zeilvermogen, indien aanwezig, werd soms geleverd door een spriettuig, soms door een gaffeltuig. De variatie was groot.

Terug naar vorige pagina