Boeier

De Boeier is een van onze oudste scheepstypen

De type-aanduiding boeier komt al voor in Nederlandse en Duitse bronnen uit de eerste helft van de 15e eeuw en is nadien voor velerlei scheepstypen gebruikt. Huitema wijdt aan de historische ontwikkeling van dit begrip een uitvoerige beschouwing in “Ronde en platbodemjachten”. Hij vermeldt, dat in 1915 een “Congres voor Watersport” werd gehouden waar aan drie Friese deskundigen werd opgedragen, een definitie van “de zuivere boeier” op te stellen. Zij kwamen met niet minder dan 10 (beperkende) hoedanigheden waarbij de door Eeltje Holtrop van der Zee tussen 1860 en 1897 gebouwde boeiers duidelijk model hadden gestaan.

In het Stamboek wordt het begrip “boeier” gehanteerd voor ronde jachten van hout of staal, tenminste 5,5m tot meer dan 12m lang met de grondvorm van het Friese jacht doch voorzien van een vast voordek + een kajuitopbouw achter de mast. De boeisels vallen vaak iets minder sterk in dan bij een Fries jacht om meer ruimte in het gangboord te krijgen. Er zijn voorbeelden van jachten bekend, die als boeier op stapel zijn gezet, maar afgebouwd als Fries jacht (Jansje Maria). Andersom zijn er ook Fries jachten vanaf de berghouten omgebouwd tot boeier (Maartje). Aan het boeisel is zoiets soms nog te zien.

Naast het brede boeisel is er een fors berghout. De zeeg is gestrekt en het roer is vrij smal en meestal voorzien van fraai beeldhouwwerk. De boeier heeft brede ondiep water zwaarden en een vrij hoge strijkbare mast. Het grootzeil heeft een kromme gaffel en een losse broek. De fok zit op een voorstag op een kleine gesmede boegspriet (botteloef) meestal is er ook nog een inschuifbare kluiverboom voor een kluiverfok. De boeier werd op veel werven gebouwd, maar behield zijn specifieke hoofdvorm, zij het dat er grote verschillen zijn in afwerking en details. Elke werfbaas had zijn eigen manier van bouwen en afmetingen, vastgelegd in zijn boekje. Tekeningen waren er niet. Een opdrachtgever die wat anders wilde werd dat uit zijn hoofd gepraat. In de 19e ging men van tekening werken. Elke boeier heeft een kajuit waarvan de afmetingen en vormgeving door de bestemming werd bepaald.

De boeier is een duur schip vanwege de vele gebogen delen, later met het voortschrijden van techniek en mechanisch gereedschap kwam men tot standaardisatie en werden de boeiers ook meer in staal gebouwd. Het mooie en duurzame hout werd schaars, vooral het kromme materiaal voor de sterk gebogen delen.

De meeste boeiers zijn op Friese werven gebouwd (Van der Zee, Lantinga) doch ook de werven van Bernhard in Nieuwendam en gebr. Smit in Kinderdijk bouwde boeiers, de laatste alleen in staal.

De boeier werd een schip voor de recreatievaart met het Friese jacht en de tjotter als variant. De boeier heeft als historisch wapenfeit dat zij in 1588 als belangrijk deel van de “Smalle vloot” van de Prins van Oranje de Spaanse landingsvloot in Duinkerken vasthield. Daardoor voorkomend dat deze zich bij de uit Spanje gezonden Armada zou voegen. Dit belangwekkende schip is vanaf de 15e eeuw geëvalueerd van kustvaarder, tot een echt plezierjacht voor het binnenwater. Het fraaie houtsnijwerk is veelal opvallend aanwezig. Daardoor trekken zij vaak de aandacht op maritieme manifestaties. Bekende boeiers zijn het Friese statenjacht Friso (1894), De Constanter (1877) en De Sperwer (1885).

Boeiers in het Stamboek

In het Stamboek staan ruim 60 boeiers ingeschreven, waarvan er meerder voor 1900 gebouwd zijn.

Documentatie en Kennis

De kennis omtrent de boeier is niet gering, wellicht mede veroorzaakt doordat van de werf van Eeltje Holtrop van der Zee (Eeltjebaes) en zijn zoon Auke, tekeningen (veelal na de bouw gemaakt door zijn kleinzoon Eeltje Romkema) alsmede een groot deel van de boekhouding bewaard zijn gebleven (archief Fries Scheepvaart Museum). Hierdoor is er veel inzicht bewaard gebleven in de bouw van dit belangwekkende type schip. Van Eeltjebaes is bekend dat hij vrijwel niet van tekening werkte en toch waren het puike schepen. Bij de bouw bepaalde hij, naar de anekdote wil, de plaats van het draaipunt van de zwaarden door deze met zijn pruim te merken. Waarna de knecht met het boren van de zwaardgaten de bouw van het schip beëindigde.

Literatuur