Punters

Punters zijn sierlijke, slanke scheepjes, die voor en achter scherp op steven zijn gebouwd; de voorsteven is iets langer dan de achtersteven en valt ook iets meer. Deze stevens zijn opgericht op een lancetvormig vlak, dat in de lengte flauw is doorgebogen. Het vlak bestaat uit twee lagen, te weten drie langsscheeps gelegde lasloze delen en een groot aantal daar dwars overheen bevestigde 'klampen'. Voor beide lagen wordt duimsdik eikehout gebruikt, terwijl de onderlinge verbinding wordt bewerkstelligd door grenehouten pennen. Ter versterking van het dwarsverband is de beklamping onderbroken door een aantal zwaardere leggers, waartegen de 'tenen' van de spanten komen te rusten.

Een belangrijk en karakteristiek kenmerk van een punter is, dat de scheepswand wordt vervaardigd uit een enkele boombrede, duimseiken plank. Deze slechts met veel ervaring te hanteren planken worden boven het vuur in de vereiste vorm gebogen en vervolgens provisorisch tegen vlak en stevens aangebracht. Pas daarna worden de spanten, hier 'korven' geheten, geplaatst. Aan de 'korven' worden tevens boeisels bevestigd, die even voor de stevens op 'lofwerk' uitlopen; berghouten ontbreken.

Het schip heeft voor en achter korte plechten, een achterbankje en een zware mastdoft. De zwaarden hebben geen sleepijzers, doch het beslag zorgt op een decoratieve manier zowel voor versterking als voor verzwaring. Het typisch gevormde roer met lange helmstok lijkt enigszins op dat van de schokker; het schip zelf doet in profiel enigszins aan een hoogaars denken.

Tweepunters

Niek van den Sigtenhorst schrijft in zijn boek "Gieters gevaer van botje tot bok - Sporen van een puntercultuur" (Uitgave Stichting Het Punterwezen Giethoorn, 2007):
Indien het juist is dat uit de schouwvorm andere typen zijn ontstaan, dan zijn er ten minste drie ontwikkelingen denkbaar in de richting van tweepunters.
Van schouw via breedstevenpraam (met stevens naar het vlak toe breder uitlopend, zoals in Woerden, Vinkeveen en Westbroek) naar breedstevenpraam (met stevens overal even breed, zoals in Aalsmeer) en vandaar naar de smalsteven-tweepunter (bijvoorbeeld punter, vlot en bok uit de Kop van Overijssel of escute en bacove uit St.-Omer in het Noord-Franse departement Pas-de-Calais).
Van schouw via eenpunter met achterheve (zoals bijvoorbeeld weergegeven door Avercamp) naar tweepunters.
Van schouw via eenpunter met spiegel (zoals de pramen van Falsterbo in Zuid-Zweden die als lichters dienden, of spiegelpramen in Waterland) naar tweepunters.
Echter, jaartallen zijn niet te geven, niets kan worden bewezen en veel meer theorieën zijn mogelijk. In elk geval hebben deze (imaginaire?) ontwikkelingsmodellen het schouwwezen kennelijk nauwelijks aangetast: de overvloed en grote verscheidenheid aan schouwen maakt tweepunters tot een relatief zeldzaam kroosvaartverschijnsel.
Een tweepunter is een vaartuig met meer of minder sterk vallende rechte stevens en meer of minder sterk vallende zijden op een meestal lancetvormig vlak.
Deze grove omschrijving doet geen recht aan detailverschillen tussen de vele typen boerenvaartuigen die onder deze noemer zijn te vatten, al zijn de essenties vermoedelijk wel weergegeven.

Aanduiding naar functie en naar type

Vaak werden punters naar hun functie aangeduid: termen als zegenpunter, kaarpunter en dekenpunter duiken herhaaldelijk op in werfboeken, maar ook waren zij bij vissers veel gebruikelijker. Met het puntertype als zodanig hebben deze vetgedrukte termen weinig van doen. Vooral ten tijde van de recreatiepuntermakerij zijn functiebenamingen wat uit de mode geraakt en deden typebenamingen hun intrede. Wie met punters zijn brood verdiende maakte zich over het puntertype niet druk. Wellicht zelfs was hij zich daarvan totaal niet bewust, al wist hij precies aan welke eisen zijn vaartuig moest voldoen. De Huismannen gaven die details vaak summier weer: vlak een duim breder dan gewoon; boeisel net zo hoog als van die en die, enz. Ieder die zich theoretisch met punters bezig houdt dient zich voortdurend van deze mogelijkheden tot begripsverwarring bewust te zijn: historische punteristiek is een serieuze en delicate tak van wetenschap. Voorts zij in dit kader verwezen naar een opmerking in § 20.2 naar aanleiding van tekeningen door M. Kaak (1988) van boerenschuiten bij St.-Omer.
Punters werden dus vóór de recreatieperiode naar functie aangeduid. In onderhavig verhaal is echter de moderne type-aanduiding steeds uitgangspunt naar het verleden geweest. Dat gebeurde uit overwegingen van gemakzucht: huidige bekende typen leven nu eenmaal meer dan de minipunter van Jan Spikkers in 1807, en uitgaan van het bekende is een beproefd middel tot kennisvergaring. Er is anderzijds veel voor te zeggen alvast enige uitdrukkingen uit een nog recentelijk verleden te verklaren, temeer daar die in lijsten, ontleend aan werfboeken, regelmatig boven water komen.
Vissers hadden een hekel aan natte voeten, maar vis moest zo lang mogelijk zwemmen. Daartoe was een bun het geëigende middel. Een bun (in Giethoorn spreekt men ook van bon) was een waterbak in de punter om vis levend te houden. Die bak werd gevormd door het vlak, door ter plaatse van gaatjes voorziene zijden, en door twee dwarsschotten (er bestonden overigens ook losse drijvende bunnen). De bun bevond zich op het laagste gedeelte van het immers gestapelde vlak. Met een vast deksel of deken werd de bun afgesloten. Omdat de bun naar boven toe niet al te ver boven de waterlijn uitstak was, door gewicht van bemanning en netten en eventuele slagzij, het risico van lekkage van onder de deken en dus van vollopen van de droge delen groot. Tegelijkertijd moest de bun van boven toegankelijk blijven. Al dit ongerief werd verholpen door een trog boven een opening in de deken te plaatsen. Die trog had een afneembaar deksel of bedekking met losse plankjes.
Een kaar was een hogere bun, waarbij de kaarschotten reikten tot de overgang van zijde naar boeisel of zelfs tot halverwege de boeiselhoogte. Een kaar had geen vaste deken, maar een los kaardeksel. Soms werd ook daarbovenop nog een laag trogje, het mondje op het kaar, bevestigd. Kleinere visserijpunters, bijvoorbeeld van Gieters en Kamper model (Kamper punters waren 7-spanters en dus vrij kort) hadden het kaar nogal voorin, tot bijna tegen de achterkant van de doft. Kamper punters bezaten soms niet eens een doft. Mast en mastspoor stonden dan direct tegen het voorschot van het kaar. In dit geval vormden kaardeksel, doft en roeibank één multifunctioneel geheel. De voorlijke plaatsing van het kaar gaf bij kortere punters de vissers toch enige ruimte achterin.

Zeepunters

Met de zeepunter zijn we beland bij het grootste puntertype, afgezien van nog te bespreken vlotten en bokken. De term "zeepunter" geeft uitdrukking aan het feit dat er, tot de afsluiting in 1932, op de zoute en brakke Zuiderzee met speciaal toegeruste punters werd gevist. Maar bij de vissers zelf was de term niet of nauwelijks in gebruik. Oostwalvissers (de aanleg van de Noordoostpolder maakte aan het bestaan van de Oostwal voor een flink deel een eind) spraken gewoon van "punter", soms met aanduiding van herkomst: een Kuunder punter, een Grafhorster , Zwartsluizer, Kamper, Elburger en Blokzijler punter. Maar soms was een Kuunder punter geen punter. Men sprak daar omstreeks 1920 van een "grote punter" als men een bonsje bedoelde, en over een "kleine punter" als men het over een zeepunter had. Tegelijkertijd sprak men langs het Zwarte Water van grote en kleine punters, maar dat waren wel allebei zeepuntervarianten.
Daarnaast gebruikte men voorvoegsels gebaseerd op hun uitrusting ten aanzien van de visserij: dekenpunters, kaarpunters en zegenpunters. In Kampen kende men de uitdrukking "zeepunter" wel, maar dan betrof het een kleine variant, die hiervoor als Kamper punter werd beschreven. Het probleem (indertijd was het voor niemand een probleem; dat werd het pas toen definieerders zich ermee gingen bemoeien) werd nog ingewikkelder in de zeepunterrecreatiefase na ±1970.
Een dekenpunter had een lage bun en een kaarpunter een hoge, het kaar. Dekenpunters waren qua type vrijwel altijd wat wij nu zeepunters noemen, al waren die doorgaans korter en smaller dan de huidige recreatiezeepunters. De "moderne" zeepunters, zoals ze sinds 1970 door Harm Wildeboer en diens assistent Jan Bene Oort, en na ruwweg 1985 door Jan-Harm Schreur werden gebouwd, weken op details af van hun voorgangers in de visserij. Ten eerste werden ze ontdaan van hun visserij-attributen: het kaar of de deken en de windas met de handspaken als het zegenvissers betrof. Ten tweede werden ze verbreed, wat het verlies aan stabiliteit door weglating van de bun compenseerde en bovendien het verblijfscomfort verhoogde.

Waterkampioen juni 1965 nr1152 - Punters en punters

Wie punter zegt doet denken aan Giethoorn en verwonderlijk is dat niet, want dit dorp is lang niet zonder reden beroemd geworden om de uitzonderlijke rol, die de punters daar in het verkeer spelen. Minder bekend is het, dat Giethoorn maar een fractie is van een veel groter moerasgebied, waar de punter tot voor kort het enig bruikbare vervoermiddel was. In de hele voormalige veenstreek tussen Zwartsluis en Ossenzijl, waar nog een tiental gehuchten liggen, bestonden tot de vijftiger jaren nagenoeg geen wegen, voor 1930 zelfs geen fietspaden. Daar overal moesten de punter en zijn varianten voor al het vervoer zorgen.
Ook deze omstandigheid heeft bijgedragen tot de grote verspreiding van de Gieterse punter en de verbreiding van zijn reputatie. Geen wonder ook, dat Giethoorn en punter bijna synoniem zijn geworden en dat haast niemand schijnt te weten, dat er nog allerlei andere soorten punters bestaan. Maar, behalve dat het bijvoeglijk naamwoord van Giethoorn niet is „Giethoorns", maar „Gieters", de Zwarte Beer was geen Gieterse punter, maar een zeepunter. Dit is een ander type, dat op verschillende punten sterk afwijkt van het Gieterse dat dit niet zo opviel is misschien ook daaraan te wijten, dat de Zwarte Beer behoorde tot de kaarpunters, een ondersoort, dat de karakteristieke eigenschappen minder geprononceerd vertoont.
Laat ik mij nader verklaren: de zee-punters vormen - zoals de naam al doet vermoeden - een type vaartuig, dat op de voormalige Zuiderzee voorkwam (en op de resten daarvan nog wel voorkomt). Men zag ze vooral in de Overijsselse kustplaatsen, maar ook wel in Elburg en Harderwijk en op Urk en Schokland.

pdf Waterkampioen 1965 nr1152 juni - Punters en punters.pdf

Van punter naar grundel

De voorloper van de Grundel was de punter. Het was een houten vaartuigje waarvan  de voor- en achtersteven scherp gebouwd waren, dus op een ‘punt’ uitliepen. Dit oude scheepstype kwam niet alleen in Giethoorn voor, maar ook in andere streken, Nicolaas Witsen beschreef al in 1671 de Aalsmeerse punter. Later bleek dat een boot met een platte achtersteven goedkoper was te bouwen en bovendien vast op het water lag.  Dit type werd in Aalsmeer ‘grundel’ of werkschuit genoemd. Maar… de meeste Aalsmeerders bleven de grundels gewoon ‘punters’ noemen! De in Amsterdam geboren scheepsbouwer C.J.W. de Vries (1868 – 1947), had sinds 1906 zijn werf aan de Kerkwetering in de dorpskern van Aalsmeer. In de loop der jaren bouwde hij veel Aalsmeerse punters.