De Douwiege Moen

De Douwiege Moen Niet actief

Ronde en Platbodemjachten, die binnen deze groep (Categorie Z) vallen, zijn ooit met een 9000-registratie-nummer in het Stamboek geregistreerd. Ze hebben nooit een plaquette gehad. Dit schip staat geregistreerd in Categorie Z in het Stamboek en wordt dus gekenmerkt als 'Inactief'. Wij weten op dit moment niet waar het schip zich bevindt of dat het nog bestaat. Bij een 'Actieve' inschrijving krijgt zo'n schip alsnog een plaquettenummer. Wanneer zeker is dat het schip niet meer bestaat, verhuist het naar Categorie V.

In ons archief bevindt zich het verhaal van dhr. F. Verhage over de bouw van de allereerste Blomaak in de herfst/winter van 1967-1968, waarvan hij de opdrachtgever was. Helaas waren er geen foto’s bij, maar het is een prachtig verhaal, helemaal in de stijl van de jaren zeventig/tachtig en doorspekt met alle belevenissen die de familie Verhage aan de Grouns, de Vlakke Brekken en in Hindeloopen meemaakte. 

Het ontstaan van 'De Douwiege Moen'

Iege Blom Sr. had nooit geleerd hoe je scheepstekeningen kon maken. Voor de bouw moest dus een andere weg bewandeld worden. Die lag bij hem voor de hand. Als kleine jongen had hij immers al scheepsmodellen gemaakt, en wat je in het klein kunt maken, kun je toch ook in het groot! Maar zo simpel is het met de bouw natuurlijk niet gegaan. In werkelijkheid moesten een aantal weloverwogen beslissingen worden genomen. Vader Iege, die een idee in zijn hoofd had en zoon Dirk, die “er voor geleerd had” tekeningen te maken en te lezen, werkten daarbij intensief samen. Uitgegaan werd van de maten die Iege eerder eens had opgenomen van de HA42, de 'Zevija'.

Eigenschappen

Plaquette nummer:9301 Zeil nummer: VB62
Categorie:Z Tekening nummer:
Type:Lemsteraak

Bouw

Bouwjaar:1968 Ontwerper:I. Blom
Werf:I. Blom & zn Werf plaats:Hindeloopen
Motor:Inbouw Motor type:
Materiaal romp:Staal Materiaal kajuit:Staal
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip: Kiel:

Afmetingen

Lengte stevens:10,05 m Breedte berghout:0,00 m
Diepgang:0,00 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1968 – onbekend F. Verhage, Amstelveen / Amsterdam ( Douwiegemoen)

Geschiedenis

1995

1995

1995: De eerste Blom-aak, een persoonIijk Odyssee door opdrachtgever F. Verhage

In 1995 heeft de heer F. Verhage een document geschreven wat hij 'De eerste Blomaak - een persoonlijke Odyssee' heeft genoemd.
Hij begint de Odyssee als volgt:

Het verhaal over onze Iemsteraak, de eerste Blom-aak, begin ik in het midden van de jaren vijftig, omdat ik toen kennis maakie met de traditionele, vaderiandse zeilschepen. In die tijd heeft een klein aantal liefhebbers voorkomen dat de schoonheid van die schepen verloren ging. Zo kwam het Friese skutsjesilen van de grond; werd het Zuiderzeemuseum
gesticht en belegden studenten zeilweekenden op een klein, schitterend-origineel skûtsje De Gudsekop.
Een van die eerste enthousiastelingen was Knoek Hamoen die een origineel skûtsje had gekocht. Ik had Knoek in het werk op het ziekenhuis weleens ontmoet, maar we leerden elkaar pas goed kennen, toen we, met enkele collega's van de Groninger Universiteit, wekelijks voor een cursus naar Amsterdam reisden. Tijdens de langdurige treinreizen vertelden we elkaar sterke verhalen. Die van Knoek gingen vrijwel altijd over wat hij had meegemaakt op de zeiltochten met zijn tjalkje. Het was voor mij een onvoorstelbaar groot schip van bijna zeventien meter, maar in navolging van de beroepsschippers werd toch van een tjalkje gesproken.
De lezer dient te beseffen dat in die jaren het de mensen in Nederland begon goed te gaan. Voor de generatie oude schippers, die het varen op het zeil op de binnenwateren nog had meegemaakt, betekende dat vaak een oude dag in een comfortabele woning aan de wal in plaats van de inperkende omstandigheden van een oud schip. Een schip dat bovendien vaak al lang aan reparatie toe was. Een herstel dat steeds was uitgesteld, omdat er toch geen vracht meer was te krijgen en er dus ook niet gevaren behoefde te worden.
De scheepjes werden als overbodig van de hand gedaan, evenals het bijbehorende gaande en staande want. Allerlei spul als blokken en zeilen kwam van zolders en uit schuren als het maar iets opbracht. Knoek was dus een van de eerste bezitters uit liefhebberij van een origineel Fries skûtsje. Een scheepje van ruim zestien meter zeventig. Vermoedelijk was het gebouwd bij Van der Werff in Drachten in het begin van deze eeuw en gekocht bij een destijds regelmatig in de Waterkampioen adverterende Hagewoud uit Meppel. Om het ernstig verwaarloosde schip in de originele staat te brengen, kreeg Knoek het advies naar lege Blom in Hindeloopen te gaan. Knoek had mij gevraagd lid van zijn bemanning te worden en zo kwam het dat ik niet alleen ging zeilen op een traditioneel zeilschip met de karakteristieke naam 'De Goede Verwachting', maar ook dat ik betrokken raakte bij het overleg met lege Blom over het herstel.

Het Stamboek heeft de 'De Douwiege Moen' helaas al jaren uit het oog verloren. In het archief staat vermeld: 'Ingeschreven 1970-1977, daarna weg uit de schepenlijsten.' Maar in 2013 werd het verhaal opeens weer actueel, vanwege de verhuizing van Skipshelling Blom in Hindeloopen. Het verhaal begint in 1968.

“Nou, een aak heb ik altijd wel een mooi schip gevonden!”

Aanvankelijk wilden de heer en mevrouw Verhage een schouw door Iege Blom laten bouwen. Daarvan had hij al een aantal mooie en stoere schepen afgeleverd. Blom antwoordde echter op de vraag of dat zou kunnen: “Jawel, maar ik had ook wel eens een Lemmeraak willen bouwen….” Dat leek de familie Verhage ook een goed plan en zo kwam de eerste opdracht voor een Blomaak tot stand. Later heeft Iege Blom zelf verteld dat hij op dat moment dacht: “Als ik er één bouw volgen er later vast wel meer.” Zoals we allen weten heeft hij daarin gelijk gekregen. Toen er later werd gevraagd naar de reden, waarom Blom toch zo graag een aak wilde bouwen, werd dat maar een rare vraag gevonden. Het antwoord was: “Nou ja, een aak heb ik altijd wel een mooi schip gevonden”.

Tekeningen

Iege Blom Sr. had nooit geleerd hoe je scheepstekeningen kon maken. Voor de bouw moest dus een andere weg bewandeld worden. Die lag bij hem voor de hand. Als kleine jongen had hij immers al scheepsmodellen gemaakt, en wat je in het klein kunt maken, kun je toch ook in het groot! Maar zo simpel is het met de bouw natuurlijk niet gegaan. In werkelijkheid moesten een aantal weloverwogen beslissingen worden genomen. Vader Iege, die een idee in zijn hoofd had en zoon Dirk, die “er voor geleerd had” tekeningen te maken en te lezen, werkten daarbij intensief samen. Uitgegaan werd van de maten die Iege eerder eens had opgenomen van de HA 42, de Zeveya. Hij had die maten gebruikt voor een modelletje van een lemsteraak dat thans in het bezit is van het Zuiderzeemuseum. Zoon Dirk heeft met behulp van die maten een eerste lijnenplan getekend, waarbij tevens gebruik werd gemaakt van foto’s die hij voor dat doel had geschoten, van de ST1, de latere LE6. Na het maken van een halfmodel met de gewenste vorm, werden de lijnen overgenomen in een tekening, waarna de vormen werden overgenomen op houten mallen en vervolgens op de staalplaten.

Om een tastbaar concept te krijgen had Iege niet genoeg aan een lijnenplan, maar werd er eerst een halfmodel gemaakt, van op elkaar geschroefde plankjes. Daaraan werd net zo lang geschaafd, geschuurd en veranderd, tot het de vorm had die hem voor ogen stond. Toen Iege er uiteindelijk tevreden over was, wat enig tijd in beslag had genomen, werden de plankjes weer losgeschroefd en kon Dirk zijn tekeningen reviseren. Nadat het lijnenplan strokend was gemaakt, kon op de vloer de uitvergroting op een schaal van één op één plaatsvinden. Maar ook daaraan moest natuurlijk het een en ander aangepast worden. Er werden houten mallen van gemaakt die op de staalplaten werden gelegd, waarna ze uitgeknipt konden worden. Bij de bouw kwamen eerst de stevens en het vlak geschoord te staan en vervolgens de spanten (met van boven de berghoutsplaat). Tot slot konden dan de gangen worden gemald en passend gemaakt.

Bouwen

Het lassen was bij ons schip geen eenvoudige opgave. Tegenwoordig zet met het schip op twee assen, waardoor het gekanteld kan worden. Destijds moest men om aan beide zijden te kunnen lassen, lichamelijk soms in de onmogelijkste standen werken. Een zwaar en lastig karwei, vooral als je de lassen mooi recht wilde hebben. Door het lassen kan er een te grote spanning in de plaat ontstaan, waardoor ze krom gaat staan. Vooral bij dunnere plaat kan dat makkelijk gebeuren. Die spanning werd er dan uitgehaald door in de plaat te knippen en dat vervolgens weer dicht te lassen. De lengte van het schip stond vanaf het begin eigenlijk wel vast; dat moest 36 voet zijn. Waarom dat zo is weet niemand, maar 36 voet is een geëigende maat.

Unieke naam

Ook de naam was voor ons geen probleem; deze moest verwijzen naar de drie leermeesters die mij (Verhage) bij het zeilen van traditionele schepen de weg hebben gewezen; Douwe Tjerkstra, Iege Blom en Knoek Hamoen. En zo ontstond de naam 'DE DOUWIEGE MOEN', kortweg meestal in de dagelijkse omgang “Moen” genoemd. Het zeilen met dit schip is voor ons gezin, hun vrienden en onze gasten een heel groot genoegen geweest, aldus dhr. Verhage. Hij besluit zijn verhaal met de opmerking dat het hen ook een grote bevrediging heeft gegeven om een bescheiden steentje te hebben kunnen bijdragen aan de bloei van de scheepsambachtelijke activiteiten in het stadje Hindeloopen.

pdf Persoonlijke Odyssee VB62 Lemsteraak 'De Douwiege Moen' door eigenaar en opdrachtgever F. Verhage

2013

maart 2013

maart 2013: 'De Douwiege Moen' in de Spiegel der Zeilvaart

Zoon Dirk heeft met behulp van de maten van de 'Zevija' een eerste lijnenplan getekend, waarbij tevens gebruik werd gemaakt van foto's, die hij voor dat doel had geschoten, van de ST1, de latere 'LE6 Lemster Liefde'. En toen dat gebeurd was, werd begonnen met de tekeningen van de stevens, span ten en gangen. Het lassen van een schip was toen geen eenvoudige opgave. Tegenwoordig zet met het schip op twee assen, waardoor het gekanteld kan worden. Destijds moest men om aan beide zijden te kunnen lassen, lichamelijk soms in de onmogelijkste standen werken. Een zwaar en lastig karwei, vooral als je de lassen mooi recht wilde hebben. De lengte van het schip stond vanaf het begin eigenlijk wel vast; dat moest 36 voet zijn. Waarom dat zo is weet niemand, maar 36 voet is een geëigende maat. Die lengte heeft het voordeel dat je het schip nog goed met zijn tweeën kunt zeilen en er tegelijkertijd voldoende comfort kan worden gerealiseerd.

pdf Nou, een aak heb ik altijd wel een mooi schip gevonden!

2018

26 december 2018

26 december 2018: Reactie van Maarten Trijsburg

Via een Google opdracht vond ik het artikel in de Spiegel over dit schip waar mijn familie een band mee heeft. Als u het oorspronkelijke verhaal van Frans Verhage heeft, dan zou ik dat graag lezen! Bijgaand een 3-tal foto's.
Hartelijke groet, Maarten

Op één van de foto's eigenaar/opdrachtgever Frans Verhage met bril aan het roer
Op één van de foto's eigenaar/opdrachtgever Frans Verhage met bril aan het roer

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht