Zuiderzee Museum

Het Fries Scheepvaartmuseum en het Zuiderzeemuseum zijn twee van de oprichtende partijen van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten in 1955. Daarnaast zijn er nog meer musea met schepen in eigendom, die staan ingeschreven in het Stamboek.

In 1932 sloot de Afsluitdijk de Zuiderzee af en kregen de twee binnenmeren de naam IJsselmeer en Markermeer; het gedeelte buiten de dijk hoorde voortaan bij de Waddenzee. Het Zuiderzeemuseum richt zich op de geschiedenis, actualiteit en toekomst van dit gebied. De thema’s water, ambacht en gemeenschappen staan centraal. In het buitenmuseum met historische gebouwen en het binnenmuseum met thematische tentoonstellingen wordt dit verhaal zichtbaar gemaakt.

In het binnenmuseum kunnen bezoekers de grote verzamelingen houten schepen bewonderen. Het is ook mogelijk om tussen de boten door te lopen en van heel dichtbij te bekijken. Deze historische houten schepen horen tot de meest bijzondere stukken uit de verzameling van het museum. Te zien zijn onder meer een Marker botter, een ijsvlet, de snik Grietje, de boeier Sperwer en een Fries jagersbootje.


 

Waterkampioen juli 1964 nummer 1130 - Zuiderzeemuseum krijgt groot botenhuis

In de Waterkampioen van juli 1964 staat hetvolgende bericht:
Na jaren voorbereiding is het zover: Schepen komen (droog) te liggen in een groot botenhuis. De rijksgoedkeuring voor de bouw van het botenhuis is net op tijd gekomen. Had men dit jaar nog niet kunnen bouwen, dan zou waarschijnlijk een groot deel van de museumvloot, die nu nog in de Oosterhaven ligt, in handen zijn gevallen van de sloper. De schokker, de bons, de Lemsterschouw, de hoogaars, de hengst en het Friese boterschip hebben dit trieste lot reeds ondergaan.De meeste overblijvende schepen, die de strenge winter '62-'63 in het water hebben overleefd, krijgen nu een laatste en blijvende ligplaats in het botenhuis, waar ze zonder buitensporige kosten bewaard kunnen blijven.
Er wordt op het ogenblik hard gewerkt aan de bouw van het grote botenhuis (45 meter lang, 18 meter breed, 10 meter hoog), waarin elf schepen een plaats kunnen krijgen. De schepen komen (droog) te liggen in een betonnen kuip, waarvan de bodem zich 1,70 meter beneden het straatniveau bevindt. Waarschijnlijk zullen de schepen half september van dit jaar in de kuip worden getakeld. 

pdf Waterkampioen juli 1964 nr1130 - Zuiderzeemuseum krijgt groot botenhuis

Vereniging Vrienden van het Zuiderzeemuseum

Door een aantal betrokkenen werd in mei 1947 de Vereniging Vrienden van het Zuiderzeemuseum opgericht. Een jaar later was het Zuiderzeemuseum al een feit. De Vrienden zetten zich in eerste instantie in bij de verwerving van grond en gebouwen en waren zo de grondleggers van wat u vandaag de dag in het museum kunt zien. Later kwam het accent van de vereniging meer te liggen op het steunen van het museum bij de aanschaf van schepen of scheepsmodellen, schilderijen, boeken en gebruiksvoorwerpen. Verder heeft de vereniging als doel het uitgeven van tentoonstellingscatalogi en andere publicaties over het museum en de collectie.


 

Waterkampioen 1965 januari nr1140 - Elf schepen van Zuiderzeemuseum naar de nieuwe botenhal

Het bewaren van schepen, vooral als het gaat om de houten, is een even kostbare als moeilijke aangelegenheid. Men moet er zich soms in de meest vreemde bochten voor wringen. Zoals thans in Enkhuizen bijvoorbeeld, waar de directie van het Zuiderzeemuseum de zeer prijzige maatregelen heeft genomen om elf historische ronde- en platbodemvaartuigen van de ondergang te redden. En dat geschiedt thans op een wijze, die voor het oude stadje aan de kromming van het IJsselmeer gerust als een wereldprimeur mag gelden. De elf schepen zijn door een grote kraan uit het water van de Oosterhaven getild en over de kade heen op een enorme betonnen vloer geplaatst. In een formatie, zoals die tot in lengte van dagen gehandhaafd zal blijven. Want over en om de schepen heen bouwt men thans een geweldige botenhal met een glazen dak en een hoogte, die het mogelijk zal maken het oude mastwerk geheel te handhaven en sommige schepen zelfs weer de glorie van hun majesteitelijke tuigage te geven.

Met de grote omschakeling en het verdwijnen van een groot aantal vissers kwam er ook danig de klad in de vloot der ronde- en platbodemvaartuigen. Vanaf dat moment kwam het Zuiderzeemuseum, waarin men de herinnering aan de voormalige binnenzee za goed mogelijk levend houdt, in actie. Men ging over tot de aankoop van deze schepen. Veruit de meeste van deze vaartuigen werden reeds als „zorgenkind" aangekocht, hoogbejaard en ogenschijnlijk moe en der dagen zat. 

Terwijl de bouw van de hal in hoog tempo doorgaat, want men wil er in het voorjaar van 1965 mee gereed komen, krijgen de elf schepen een intensieve opknapbeurt, worden zij als het ware „gebalsemd" om in hun soort mausoleum tot in lengte van jaren te kunnen pronken. Tot de elf uitverkorenen behoren onder andere:

  • De fraaie Urker ijsviet
  • De kleine spitse snikke, een slank en elegant scheepje dat vroeger echter speciaal voor het bonkige aardappelvervoer bestemd was.
  • Dan ligt er de 'Sperwer', evenals de 'Hilda' een boeier en ook als dit schip van het Zuiderzeemuseum destijds gebouwd op de beroemde werfgrond van Eeltje Holtrop van der Zee in Joure. Ofschoon de Hilda uit 1843 zo'n veertig jaar ouder is, blijkt de conditie van dit schip dusdanig dat het zonder bezwaar in "levend water" kan blijven en zelfs nog actief de representatie voor het museum op het water kan beoefenen. Maar voor de 'Sperwer' was „een opname" erg noodzakelijk. En deze boeier, waarmee de Engelse schrijver Merlyn Minshail op zijn huwelijksreis de wateren van Europa bevoer tot aan de Zwartezee toe, is nu een van de pronkstukken op het droge.
  • Verder maken van deze collectie deel uit de Staverse jol, het Friese scheepstype dat van oorsprong uit Laaxum afkomstig is.
  • De zware Wieringeraak
  • De 'Marken 53', de botter waarmee de gebroeders Van der Zee tot voor kort vanuit Marken ter visvangst voeren.

Met de opname van deze elf is het gelid der „nautische troetelkinderen" in de Oosterhaven dus wel danig gedund. Gebleven zijn onder andere dus de 'Hilda', de zware en grote hektjalk 'De Vier Gebroeders', de Blazer van Texel met de verhoogde boeisels en het Bolletje, het ronde bunschip van Vollenhove.

Niet meer te redden

Niet meer te redden, daarvoor is de botenhal gewoon te laat gekomen, bleek de oude Schokker, met de zware rechte stevenbalk, het laatste schip van de vloot, die ooit van het verdwenen eiland Schokland uitzeilde. Men was gedwongen het schip te slopen. En hoe triest dat ook was, men had toen met een een bewijs dat het nut van een botenhal duidelijk onderstreepte.

pdf Waterkampioen 1965 januari nr1140 - Elf schepen van Zuiderzeemuseum naar de nieuwe botenhal

Eén van de schepen, die de Schepenhal niet heeft gehaald (collectie Marchienus de Jonge), de Hoogaars links op de foto
Eén van de schepen, die de Schepenhal niet heeft gehaald (collectie Marchienus de Jonge), de Hoogaars links op de foto

Waterkampioen juli 1965 nr1156 - Zuiderzeemuseum heeft tegenslag met bouwplannen

De schepen die nu in het botenhuis liggen zijn de Urker ijsvlet, de snikke, de laatste Marker visbotter MK53, de Wieringer aak WR3, het Vollenhovens bolletje, de boeier Sperwer, het Friese jacht Neptunus, het midden-zwaardjacht Wilhelmina, twee Friese tjotters en een in eigen werkplaats herbouwde ansjovisjol. De Staverse jol die hier ook eerst zou worden „opgelegd" verkeert in een te slechte conditie. Men zal dit scheepje nu op de scheepshelling plaatsen die te zijner tijd in het buitenmuseum zal worden aangelegd. In de Oosterhaven zijn achtergebleven de Tesselse blazer, de Katwijker garnalenschuit, de hektjalk De vier Gebroeders, de boeier Hilda, het Heeger beurtscheepje en het potschip. Hoewel de Hilda ongeveer veertig jaar ouder is dan de Sperwer verkeert zij in een veel betere conditie en zij zal zelfs nog voor representatiedoeleinden op het water gebruikt kunnen worden.
 

pdf Waterkampioen 1965 nr1156 juli - Zuiderzeemuseum heeft tegenslag met bouwplannen

Jaarboeken van de Vrienden van het Zuiderzeemuseum - Het Peperhuis

De Vereniging Vrienden van het Zuiderzeemuseum is opgericht in 1947. De Vrienden hebben destijds het Peperhuis in eigendom ontvangen, de basis voor het Museumcomplex. De Vrienden hebben in 1948 het Zuiderzeemuseum opgericht. In 1993 is het Zuiderzeemuseum een rijksmuseum verzelfstandigd. Inhoudelijk werd het Museum daarmee onafhankelijk van de Vrienden. Nog tot de eeuwwisseling exploiteerden de Vrienden echter de horeca en de winkels in het museum, en waren daarmee in zakelijk opzicht direct betrokken bij het museum. De opbrengsten werden grotendeels aangewend voor het doen van aankopen ten behoeve van het Museum.
In 1996 en 2006 zijn resp. de Elburger en Rijper afspraken gemaakt. De afspraken betreffen de relatie tussen het Museum en de Vrienden. In de Rijperafspraken hebben de Vrienden de commerciële activiteiten overgedragen aan het Museum, in ruil voor een jaarlijkse bijdrage aan het aankoopfonds van de Vrienden, uiteraard te besteden ten behoeve van het Museum. In de Enkhuizerafspraken (2009) is besloten deze jaarlijkse bijdrage te beëindigen in ruil voor een altijddurende regeling van gratis toegang en korting voor de Vrienden.
Het laatste decennium zijn de financiële banden tussen Museum en Vrienden dus verder aangepast aan de eisen van de tijd. De banden zijn vereenvoudigd en transparanter gemaakt, maar niet los gemaakt. De Vrienden steunen het Museum nog altijd financieel en omgekeerd zijn de Vrienden nog altijd een speciale partner voor het Museum. De Vrienden zijn van oprichters geworden tot sympathisanten.

Jaarlijks wordt een Jaarboek (voorheen het tijdschrift "Uit het Peperhuis, wat vaker verscheen) uitgegeven, met daarin artikelen over het museum, de geschiedenis en de collectie. Diverse interessante artikelen uit Jaarboeken (en tijdschriften) door de jaren heen, kunt u terugvinden op de website Cultuurtijdschriften.


 

Het Zuiderzeemuseum, één van de oprichtende partijen van de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten

In SSRP Monografiën (01) De onverwachte gevolgen van een ondoordacht idee van de hand van de toenmalig voorzitter C.J.W. van Waning staat uitvoerig beschreven welke bijdrage het Zuiderzeemuseum heeft geleverd aan de oprichting van de SSRP.

Een interessante zinsnede uit de Monografie:

Het museaal fundament van de Stichting Stamboek werd verbreed door de Vereniging van Vrienden van het Zuiderzeemuseum. De eerste directeur S.J. Bouma van het Zuiderzeemuseum vertegenwoordigde zijn museum in de vereniging met de boeier 'Sperwer' bij de eerste reünie. Op zijn voorstel kocht deze vereniging Neerlands oudste boeier 'Tjet Rixt', later 'Hilda' genoemd naar mevrouw Bouma. Daar maakt zij nu deel uit van de schepenverzameling in de hiertoe bestemde loods.

Tjet Rixt - Stamboeknummer 2091

Het is één van de oudste nog varende boeiers: de 'Tjet Rixt'. Na een ingrijpende restauratie, die meer dan tien jaar heeft geduurd, is het vlaggenschip van het Zuiderzeemuseum in 2008 weer in de vaart gekomen. De boeier 'Tjet Rixt' is in 1843 gebouwd op de beroemde werf van Eeltje Teadzes Holtrop (1768 – 1848) te IJlst.


 

Alle resultaten

Schepen in het Zuiderzeemuseum in Enkhuizen die in het Stamboek staan ingeschreven

Meer informatie

I www.zuiderzeemuseum.nl


 

Zuiderzee: De scheepvaartgeschiedenis wordt gemaakt door de schepen die varen, maar ook door de schepen die zijn geweest.

Voor de oorlog werden al veel schepen gesloopt. De zee was dicht en de inpoldering lag in het verschiet. De botters die werden gesloopt gingen tot het berghout kaal. Dit hout werd in manden verkocht als brandhout voor de kachel, waar het water voor de was werd gestookt. Dus van botter tot schone was. Niet alle botters verdwenen naar onder de golven. Velen werden gewoon gesloopt op de krip voor de haven, anderen werden met hoog water op de pier gevaren en rustig gesloopt. Botters verdwenen dus in de kachel. Ook doen er natuurlijk nog veel verhalen de ronde. Over dit onderwerp is veel informatie verzameld op de website "Mijn Zuiderzee, Verhalensite over de IJsselmeerregio".

Terug naar vorige pagina