J. Kok & Zn - Huizen

Ruim een eeuw geleden bezat Huizen twee botterwerven, de werf 'Gebroeders Schaap' en de werf 'J. Kok & Zn'. Huizen was een bloeiende vissersplaats van waaruit werd gevist op de Zuiderzee op: 'bot, haring en ansjovis'. Na het afsluiten van de Zuiderzee in 1932 was het moeilijk voor de vissers om nog een bestaan te vinden. In 1924 sloot de scheepswerf 'Gebroeders Schaap' definitief de deuren.
Tot 1924 zijn bij de werf 'Gebroeders Schaap' 232 botters, 13 kwakken en een blazer van stapel gelopen (gebouwd). De werf werd gesloten toen bleek dat er geen geld meer te verdienen was met de bouw en het onderhoud van botters. Na een conflict met de Gebroeders Schaap werd in 1882 de werfkolk uitgebreid met een 2e werf Lindeman en Kooy. Enkele jaren later trad ook Joost Kok, een zeilmaker van oorsprong en werkzaam geweest bij Gebroeders Schaap, toe en in 1916 ging de werf verder onder de naam J. Kok & Zn. De scheepswerf 'J. Kok & Zn.' bleef bestaan tot 1967.

Tekening (Kok) Botter EB69 1898 - In tekening gebracht door Henk Lunstroo in 1961
Tekening (Kok) Botter EB69 1898 - In tekening gebracht door Henk Lunstroo in 1961

Waterkampioen 1938 augustus nr606 - De haven van Huizen en de botters

Toen het IJsselmeer nog Zuiderzee was, en de verschillende kustplaatsen haar productief aandeel hadden in de loonende vischvangst, was ook Huizen een belangrijke visschershaven. Ruim zoo botters voerden de letters HZ in hun bruin getaande zeilen. Langs de haven stonden verschillende rookerijen, er waren flinke scheepstimmerwerven, waar regelmatig nieuwe botters gebouwd werden en de Huizer vischventers met hun bekende platte petten, de zoogenaamde „vischkruiers", vond men over het geheele land verspreid, ja breidden hun zwerftochten zelfs uit tot het Rijnland en Westfalen.
De langzaam voortschrijdende industrialisatie van Huizen was zelfs oorzaak, dat de haven een geheel ander aanzien kreeg. In de door de rookerijen verlaten gebouwen vestigden zich kleine industrieën. De alles overheerschende Balatum-fabriek breidde zich dermate uit, dat ten langen leste de overgebleven scheepswerf van J. Kok, met het bijbehoorende haventje werden opgeslokt. De enorme hoeveelheden vliegasch, die deze fabriek met kwistige hand over de haven uit-strooide en het gebrek aan een rustige ligplaats waren oorzaak, dat de zeiljachten Huizen gingen mijden en het zag er alleszins naar uit, dat deze mooie haven voor de zeilsport verloren zou gaan.
De heer Kok, de eigenaar van de laatst overgebleven, en door de uitbreiding der Balatum-fabriek verdwenen scheepswerf, dacht er anders over. Geboren Huizenaar en ervaren scheepsbouwer, wilde hij noch zijn geboorteplaats verlaten, noch zijn mooie vak vaarwel zeggen. Van de veronderstelling uitgaande, dat het IJsselmeer een prachtig water is voor de beoefening van de zeilsport, en dat de haven van Huizen voor het Gooische achterland, waar zoovele zeilers wonen, een unieke gelegenheid biedt om als zeilsportcentrum te worden gekozen, werkte hij een plan uit tot stichting van een nieuwe werf, speciaal gebaseerd op de zeilsport. Na veel moeilijkheden te hebben overwonnen slaagde hij er eindelijk in een nieuwe werf te bouwen, aan den overkant van het havenkanaal, recht tegenover de kalkfabriek. Een ruime werkloods, gescheiden van een flinke bergloods voor winterberging, een werfkanaal met helling, geven de scheepswerf een outillage, die den eigenaar in de gelegenheid stelt aan de zwaarste hem gestelde eischen te voldoen.
En wat zien wij nu gebeuren? De botter, het schip, dat door de eeuwen heen bewezen heeft zoo bij uitstek geschikt te zijn voor het bevaren van de Zuiderzee en de Wadden, het schip, dat door het ophouden van de vischvangst ten doode was opgeschreven, dat mooie schip zal niet verdwijnen. De botter herleeft in den vorm van zeiljacht. Op de nieuwe werf staan er reeds twee op stapel.

pdf Waterkampioen 1938 augustus nr606 - De haven van Huizen en de Botters

Waterkampioen October 1931 nr 249 - Ontwerp van een botterjachtje van 9 bij 3 Meter, dus belangrijk kleiner dan de vischbotters

Terecht zijn onze Zuiderzeevisschersvaartuigen bij de Nederlandsche plezierzeilers geliefd als voorbeelden voor den bouw van jachten. Het zijn ruime, zeewaardige schepen, en de snelheid staat niet al te ver achter bij die van moderne scherpe jachten. Vaak worden dan ook botters en lemmeraken tot jacht verbouwd. Een bezwaar daarbij is, dat men aan bepaalde, gangbare afmetingen gebonden is. De schepen der Zuiderzeevisschers varieeren slechts weinig in afmetingen: de lengte is steeds ongeveer 12 à 14m en de breedte ongeveer 1/3 deel daarvan. 
De werven, die deze vaartuigen bouwen, zijn op deze afmetingen ingesteld, evenals de mallen, die zij voor den bouw gebruiken, en vrij veel moeite kost het haar, een schip van andere afmetingen dan de gangbare te bouwen. Wij zagen wel eens een enkel klein bottertje of hoogaartsje als jacht in de vaart, maar toch slechts zeer zelden.
Het is daarom met veel genoegen, dat wij hierbij onzen lezers een ontwerp toonen van een botterjachtje van 9 bij 3 Meter, dus belangrijk kleiner dan de vischbotters, maar niettemin nog „schip" genoeg, om onder vrijwel alle omstandigheden de Zuiderzee te bevaren. Het ontwerp werd gemaakt door den heer A. Kok van de Scheepswerf J. Kok te Huizen (N.-H.), een werf, die zich naast den bouw en reparatie van visschersvaartuigen ook op den bouw van jachten toelegt en op dat gebied reeds goed werk leverde.

Een klein Botterjacht van J. Kok in Huizen

De Jachtbotters van Kok in Huizen

Dr. G.H. Bast schrijft in december 1988 in zijn "Levensbeschrijving van zijn botterjacht 'Taling' ('Johanna')":
Zijn werf deelde in de algemene malaise, rondom de Zuiderzee verergerd door de afsluiting; al jaren bestelde geen visserman meer een houten botter. Niettemin had hij de euvele moed in '37 een nieuwe werf in een nieuw gegraven haven in Huizen in gebruik te nemen alwaar hij besloot botterjachten te gaan bouwen. De rompvorm paste hij een beetje aan: een slag kleiner dan de visserbotters, ten gerieve van de kajuit de mast een fractie voorlijker en ten gerieve van een zelflozende kuip het achterschip iets hoger; per slot hoefden er geen netten binnengehaald te worden. Uit die laatste overweging plaatste hij achter aan beide boorden een zelfde bolder als op het voorschip, in plaats van de losse korvijnagel door de knie voor het achterhuisje. In De Zeilsport van van Kampen (2e druk) staat een lijnenplan van een klein exemplaar van het type.
Het werd een hele serie (zie onder) maar de bouwer kon daar helaas weinig gegevens over verschaffen omdat in latere jaren zijn archief door brand verloren ging. De bouwer schreef mij (in '71) dat hij in de winter '37/38 in aanbouw had de 'Hetty II' en een "gelijkwaardige botter" Johanna (later 'Taling'), de eerst genoemde voor de heer Jelgersma te Wassenaar en de tweede voor de heer Chr. Kok (geen familie) te Oud-Loosdrecht. De schepen werden in juni, resp. juli '38 opgeleverd (volgens overlevering compleet getuigd maar zonder motor voor de prijs van f. 3.750.-).& Hoewel de opgegeven loa maten niet kloppen met die genoemd in De Uitkijk (Waterkampioen 25-2-38), ben ik overtuigd dat de 'Hetty II' de latere 'Vrijheid' is; met de 'Taling' (ex 'Johanna') een perfecte één-eiïge tweeling. Overige mij bekende exemplaren uit de serie zijn: 'De Jonge Jaap', de Bruine Beer, de 'Bruinvisch' (1945), de 'Geertje', de 'Kleine Beer' (1946), de Afke Tjeerdje (1954) en wellicht de 'Schokland' (ca 11.50 m.) Beide laatst genoemden wijken constructief in verschillende opzichten af van de type kenmerken.
Alvorens de levensgeschiedenis van de Taling te volgen nog enkele wetenswaardigheden van het type Kok-jachtbotter.
Ook zijn visserbotters herkent men onmiddellijk aan de Kok knop van het helmhout. Typisch voor zijn jachtbotters is de doosvormige constructie van binnen- en buitenboeisel met potdeksel, met in zijaanzicht een gilling achter de voorbolder en voor de achterbolder. De constructie van de romp is exact die van de visserbotters, zij het dat uiteraard de bun met deken en dekenpoten ontbreekt. Men moet grote bewondering hebben voor het esthetisch talent waarmee Kok de kajuitlijnen heeft afgekeken van boeiers/Friese jachten en heeft aangepast aan zijn botterzeeg. Maar hoe zo'n kajuit constructief moest had hij uiteraard niet van zijn vader geleerd en daar deugt dan ook geen hout van. De voorzijde van de kajuit zat koud tegen het zeilwerk gespijkerd, de zijden koud tegen de kopse kanten van knieën en gangboordbalkjes.
Hetzelfde gebrek aan constructief inzicht in de eisen van een dragende houtconstructie kwam tot uiting in de constructie van de kajuitschotten (tegen de legger gespijkerd i.p.v. er op staand), van het schuifluik en van de langsscheepse "hoofden" van het vioolluik (te licht uitgevoerd en niet solide dragend op respectievelijk mastwang en eerste weer doorlopende dekbalk). Bij "vioolluik" hoort een toelichting: sommige jachten uit de serie, w.o. de Taling, hebben een zogenaamde klikmast, afgekeken van de tjalk. Enkelen strijken bovendeks met bokkepoten.
De Taling behoort kennelijk tot de vroege exemplaren van de serie. Het opmerkelijke is dat latere exemplaren een aantal constructieve zwakten niet meer vertonen. Om een voorbeeld te noemen: bij de Taling staat het binnenboeisel koud op het buitenste dekdeel; een moeilijk te breeuwen naad. Bij de Kleine Beer is dat een "droge naad". Kok leerde al doende.


Zeeschouwen na 1964

In 1920 werd de op één na laatste botter voor de visserij gebouwd en ging deze werf over op jachtbouw. In 1931 neemt zoon Janus Kok de werf over, die nadat zijn broers in Muiden waren begonnen, de werf met veel tegenwerking van de Gemeente wist over te plaatsen naar de 'elleboog' van de haven. In 1964 kwam zoon Jan in de werf en werd de werf bekend door zijn stalen Kokschouwen.

In 1956 kwam er iemand met een stalen vissermanschouw op de werf. Hij had de schouw gekocht van een visser uit Hoorn. De bun moest eruit, het vooronder betimmerd en het schip moest als jacht word en getuigd. De eerste zeeschouw als plezierjacht! Daarna volgde een opdracht voor een scherp spitsgatjacht van 11,50 m. Intussen nam Jan in Amsterdam privé-les om de theorie van het tekenen van lijnenplannen onder de knie te krijgen. In 1959 tekende hij een zeeschouw van 9 meter en plaatste een advertentie in de Waterkampioen. Een dag later waren er op het plan al twee schepen verkocht! Bij het ontwerpen werd vanaf het begin rekening gehouden met de voorschriften van de International Offshore Rule, zodat de jachten een gunstige meting hadden. In de praktijk bleken de schouwen snelle zeilers en ze konden in hun klasse bijzonder goed meekomen. Aanvankelijk werd er met tien man personeel gewerkt. In de jaren tussen 1960 en 1970 toen er zo'n 60 schouwen werden gebouwd, waren er 20 man in dienst.

Na een brand in 1967 die de hele werkplaats in as legt, loopt het af. Er komen steeds meer werven die zeeschouwen bouwen en de spoeling wordt daardoor dun. Later hebben andere werven ook Zeeschouwen, ontworpen door Kok, in hun bouwprogramma opgenomen.

Alle resultaten

Overzicht van schepen met SSRP-Plaquette, gebouwd door J. Kok & Zn

Spiegel der Zeilvaart: de Zeeschouwen van Kok

In de Spiegel der Zeilvaart nummer 5 van 1981 schreef Wim de Bruijn een artikel onder de titel: De Zeeschouwen van Kok.

pdf SdZ 1981 nr05 - De Zeeschouwen van Kok

Meer informatie

In het boek 'Tien Platbodemjachten' van Jan Kooijman worden de 9 en 10 meter Kok-schouw beschreven met daarnaast een aantal praktijkervaringen.

Terug naar vorige pagina