Joh. Smit - Slikkerveer

In het boek "Ronde en Platbodemjachten schrijft C.J.W. van Waning:
Ik heb wel eens de indruk gekregen, dat de Friese scheepsbouwers het bouwen van stalen boeiers min of meer als heiligschennis beschouwden en wanneer men weet in welk een hoog aanzien de Friese boeier staat bij elke rechtgeaarde Fries, kan men dit wel begrijpen. Men kan nu eenmaal in staal niet die sierlijkheid in lijn en laat staan warme kleur geven, welke naar veler oordeel bij de blanke boeier behoort. Aukebaas bouwde drie stalen schepen, die hij in zijn werf boeken wel 'boeier' noemde, doch die niettemin geen van drieën boeiers zijn in de oude, vooral Jouster betekenis. De stalen boeier zinde de Friezen niet en met de overgang in staalbouw was het vrij spoedig met de suprematie der Friese boeierbouwers gedaan. De "Smitten" aan de Kinderdijk, die van oudsher ook goede zeilers waren en al heel vroeg stalen centerboards en andere scherpe nieuwigheden bouwden, namen ook in de bouw van stalen boeiers rond de eeuwwisseling enkele jaren de leiding over. De werf van Johan Smit te Slikkerveer bouwde snel achter elkaar drie stalen boeiers voor rekening van de Smitten zelf.

Boek "De Boeier" van Dr. Ir. J. Vermeer

Dr. Ir. J. Vermeer schrijft in zijn boek "De Boeier":
De Smitten zouden van oorsprong uit Duitsland afkomstig zijn. In het laatste kwart van de achttien¬de eeuw vestigden zij zich in de omgeving van Alblasserdam en werkten daar als scheepsbouwers. De in de loop van de negentiende eeuw aan de Kinderdijk ontstane werven J.& K. Smit en L. Smit & Zn bestaan onder een andere naam nog steeds. In 1820 kocht de fameuze Fop Smit (1777-1866) in Slikkerveer een stuk grond en begon daar een werf, vanaf 1825 eerst samen met zijn broer Jan. Zij bouwden onder andere de eerste raderstoomboot voor de beurtdienst van Rotterdam op Nijmegen. Dit schip, ontworpen door Folkert Nicolaas van Loon, staat beschreven in diens boek 'Handleiding tot den burgerlijken scheepsbouw' . De samenwerking met zijn broer Jan duurde echter maar kort en Fop zette in 1828 het bedrijf alleen voort. Na dit eerste succes kreeg hij opdracht tot de bouw van het eerste zee-stoomschip, de "Batavier", dat werd ingezet op de dienst Rotterdam-Londen v.v., de allereerste lijndienst met vaste vertrektijden. Fops zoon Jan Smit (1811-1875) volgde zijn vader op. Later werd het bedrijf voortgezet door diens zoon Arie Smit (1845-1935). Er werden toen voornamelijk ijzeren bedrijfsvaartuigen voor de Rijnvaart gebouwd. In 1890 werd de werf opgeheven, omdat Arie ter plaatse geen grote stalen schepen kon bouwen. Hij vertrok naar Vlissingen en werd een der oprichters van de Maatschappij 'De Schelde' aldaar. Het bouwen van schepen werd overgedaan aan de firma De Groot & Van Vliet te Krimpen a/d IJssel. Al eerder, in 1869, was een andere zoon van Jan Smit, Johan (1839-1921) op het werfterrein te Slikkerveer begonnen met de machinale fabricage van breeuwwerk. Later startte diens zoon, Johan Smit jr. op het verlaten werfterrein een fabriek voor klinknagels en schroefbouten.

De boeiers van Joh. Smit

Hoewel het bouwen van schepen in Slikkerveer in feite dus omstreeks 1890 reeds was beëindigd, zijn op de nog aanwezige helling tot 1903 toch nog enkele, uiteraard ijzeren, boeiers van stapel gelopen voor rekening van de Smitten zelf. Het bezit van een boeier was in die jaren in de toonaangevende kringen populair en betekende voor de eigenaar een statussymbool, waar de Smitten kennelijk gevoelig voor waren. Over de bouw van deze boeiers zijn weinig concrete berichten beschikbaar, zodat hier-over enige verwarring bestaat. Op grond van de ons ten dienste staande informatie concluderen wij dat er tussen 1895 en 1903 drie boeiers van stapel liepen onder de namen "Agonisma", "Kampioen" en "Agonisma II", aanvankelijk alle bedoeld voor gebruik in de familie Smit. Waarschijnlijk is bij de bouw gebruikgemaakt van tekeningen of opmetingen van bestaande houten boeiers. Welke dat geweest zouden kunnen zijn, is onbekend. De derde boeier, "Agonisma II", heeft een merkwaardige ontstaansgeschiedenis. Johan Smit ontwierp en bouwde dit schip op zijn eigen terrein te Slikkerveer in 1903 als `centerboard sloep', dus met midzwaard. In 1919 werd dit schip in opdracht van een andere Smit alsnog omgebouwd tot een echte boeier.

De in dit boek gepresenteerde feiten wijken op enkele punten af van de mededelingen van Van Waning in zijn overzichtsartikel over boeiers in het boek "Ronde en Platbodemjachten". Voor de argumentatie zij verwezen naar de beschrijving van de historie van deze boeiers. Voorts zijn wij van mening dat de in het Nederlandsch Jachtregister van 1924-25 voorkomende stalen boeier met de naam "Waterhoentje", waarvan aldaar staat vermeld dat hij gebouwd is door Joh. Smit, Slikkerveer, identiek is met de in 1895 gebouwde "Agonisma" en niet uit 1909 stamt, zoals in het Jachtregister staat vermeld. In een wedstrijdverslag uit 1920 wordt namelijk de boeier "Waterhoentje" genoemd met de toevoeging: ex "Bencor" ex "Agonisma". Slechts vijftien jaar later moet, gezien deze pertinente toevoegingen, de identiteit van deze boeier met zekerheid bekend geweest zijn. Bovendien komen de lengte en breedte van dit "Waterhoentje", zoals ze in het Jachtregister vermeld staan (Bijlage B nr 85), exact overeen met die van "Agonisma". Het is niet duidelijk of heden één of meer van deze boeiers nog bestaat. We weten slechts met zekerheid dat de "Kampioen" in 1954 als wrak in een slootje bij de Loosdrechtse Plassen is gezien. De "Agonisma II" is in 1930 naar Engeland verkocht en ten laatste nog gezien in 1963.

  1. 1895 - gebouwd voor eigen gebruik, 7,70, Geklonken staal/ijzer, Agonisma (Bencor, Waterhoentje)
  2. 1897 - gebouwd voor eigen gebruik, 8,60, Geklonken staal/ijzer, Kampioen
  3. 1903 - gebouwd voor eigen gebruik, 8,50, Gebouwd als geklonken staal/ijzeren midzwaardjacht Agonisma II; in 1919 omgebouwd tot boeier; in 1930 naar Engeland verkocht.

Boek "Ronde en Platbodemjachten" - De boeier als pleziervaartuig (C.J.W van Waning)

Boeiers van de werf van Johan Smit te Slikkerveer
De werf van Johan Smit te Slikkerveer bouwde snel achter elkaar drie stalen boeiers voor rekening van de Smitten zelf.

  • 1899 Agonisma voor rekening van Joh. Smit. Latere eigenaars A.N. den Ouden, Bolnes 1906-1912, J. Kievits, Dordrecht 1912-1919, B. Bernhard, Amsterdam 1919 tot 1922.
    In 1922 werd zij onder de naam Breewijd naar Engeland verkocht. Het is vermoedelijk dit schip, dat onder de naam Mary Jane ex Esna, ex Breewijd in 1953 toebehoorde aan L.P.W. Hamilton. Het is lang 45'-5", breed 13'-5", diepgang 2'-8".
  • 1897 Kampioen. Jaarregister 1925: Kon. Marine Jachtclub, Den Helder. Stalen boeier W.M. 8.7 - OB3. Lang 8.60 meter, breed 3.50 meter. Werf Joh. Smit Slikkerveer. Ook de Kampioen was aanvankelijk een familieschip van de `Stuitten' en zoals we in het Jubileumboek van De Maas lezen, won zij reeds in de eerste jaren van haar carrière menige prijs met Cor Schouten, de zeilmaker uit Gouwsluis aan het roer. Zij was één der eerste schepen van de in 1899 opgerichte Kon. Marine Jachtclub en won in de jubileumwedstrijden van de KRZV De Maas in 1901 de premie in haar klasse. Ook in later jaren zeilden Kampioen en Sperwer nog menigmaal tegen elkaar in verbeten kamp, welke nu eens door de één dan door de ander gewonnen werd. Er bestaat ook een prachtige foto van de boeiers Kampioen en Fata Morgana, gebouwd door Bernhard in 1889 terwijl deze beide schepen op de zeilwedstrijden van de 'Koninklijke' eveneens in 1901 gelijktijdig door de eindstreep gaan. Na een zesentwintig-jarige eervolle loopbaan onder de vlag van de KMJC werd zij in 1927 verkocht aan de heer Stutterheim te Zwolle. In 1954 ontdekte de heer F. G. Spits haar wrak in een slootje bij de Loosdrechtse plassen; sic transit...
  • 1903 Agonisma II, thans Mother Goose. (stalen boeier - 8 ton. Lengte 8.5 meter, breedte 3 meter). Deze boeier heeft een zeer merkwaardige geschiedenis. Johan Smit bouwde haar in 1903 op zijn eigen werf aan de Kinderdijk en wel als `centerboard sloep'. Zij had echter het onderwaterschip van een boeier, doch een middenzwaard, geen kajuit en een volkomen glad dek. Zo voer zij tot 1919 toen H. Smit haar op dezelfde werf liet ombouwen tot boeier. Zij werd nu omboeid met een berghout en tevens opgeboeid. Zij kreeg een kajuit en Auke van der Zee van de Joure leverde de zwaarden. In 1930 verkocht Fop Smit haar naar Engeland, vanwaar zij eerst 20 jaren later haar grote zwerftocht zou beginnen. De schrijver Ernié Bradford voerde haar dwars door Frankrijk naar de Middellandse Zee en tot diep in de Griekse Archipel. Aan boord schreef hij over deze reizen 'Wind off the Islands' and 'The journeying Moon' en later ook Siege of Malta'. Haar huidige eigenaar Maurice Darton vond haar in Malta in 1963, helaas nu uitgerust met een valse kiel.

Dankzij de familie Smit kon het 'Stamboek' de oorspronkelijke tekening als centerboard van 1903 en de tekeningen als boeier van 1919 naar Malta zenden.

Het streven naar een rond schip met stahoogte deed Mr. Jan Smit van de Kon. Mij. De Schelde besluiten in 1905 bij A. Pannevis te Alphen aan de Rijn een boeier te bestellen, met als eis, dat men in de kajuit 'met een hoge hoed op zou moeten kunnen lopen'. Dit werd de Noach, gebouwd door A. Pannevis.

De boeier als pleziervaartuig


"Onderscheid moet er zijn" door Eerde Beulakker

Eerde Beulakker schrijft in zijn boek "Onderscheid moet er zijn":
Voor mijn studie is van belang dat de familie Smit een watersportfamilie was en dat sommige leden verwoede zeilers waren. In 1820 kocht 'stamhouder' Fop Smit, een kind van Duitse immigranten die eind achttiende eeuw naar Nederland waren gekomen en in Alblasserdam al een werfje hadden, in Slikkerveer een stuk grond en begon schepen te bouwen. 
Arie Smit was een kleinzoon van Fop. De werf was al vroeg van hout- op ijzerbouw overgestapt en men bouwde voornamelijk bedrijfsvaartuigen voor de Rijnvaart, tot omstreeks 1890, toen de helling te krap bemeten bleek voor de steeds grotere schepen. Wel liepen er nog een paar ijzeren boeiers van stapel, voor rekening van de familie Smit zelf. Het bezit van een boeier was in die jaren in toonaangevende kringen populair en fungeerde voor de eigenaar als statussymbool, iets waar de familie Smit nogal gevoelig voor was.Arie was toen allang naar Vlissingen vertrokken en politiek actief. Hoe fanatiek lijndrager Arie Smit zeilde is niet bekend. Zijn naam komt niet voor op de uitslagenlijsten van zeilwedstrijden van watersportverenigingen. Wel die van neef Johan Smit, de zeiler die later op het oude werfterrein een fabriek voor klinknagels was begonnen.


De schepen van Joh. Smit

In het Stamboek geregistreerde schepen die zijn gebouwd door Joh. Smit in Slikkerveer

Stichting Cultuurbezit Familie Smit

Smit is de naam van een familie van reders, scheepsbouwers en industriëlen. Het stamboomboek vertelt hun geschiedenis en verhalen. Stichting Cultuurbezit Familie Smit heeft als doelstelling voorwerpen met een historische waarde, die betrekking hebben op of verband houden met de scheepsbouw en/of scheepvaart, ter beschikking te kunnen stellen aan musea en/of anderzins in het openbaar te kunnen tonen.
Leonardus Johannes Smit (1865-1927), directeur L. Smit en Zoon scheepswerf en machinefabriek te Kinderdijk vanaf 1897, was tevens een verwoed amateurfotograaf. Hij deed mee aan tentoonstellingen en verwierf met zijn foto's verschillende prijzen. De collectie glasnegatieven van de familie Smit staat compleet op de beeldbank van het Regionaal Archief Dordrecht.
Ook op de Fotobank, die historische verenigingen in staat stelt hun collectie aan het publiek ten toon te stellen, kunt u vele foto's, ook van de pleziervaart, terug vinden.

Terug naar vorige pagina