Vreemdelingen op Frieslands wijde wateren

Dirk Huizinga

Dirk Huizinga schrijft in zijn voorwoord:
De watersport in Friesland kent een relatief lange geschiedenis. Reeds in 1848 wordt in Leeuwarden de zeilvereniging `Oostergoo' opgericht. Incidentele zeilwedstrijden worden in Friesland reeds vanaf het midden van de 18e eeuw gehouden. Maar die sporadische activiteiten zijn niet te vergelijken met de massale vrijetijdsbesteding op het water zoals we die de laatste decennia kennen. Recreëren op het water was in de 18e en de 19e eeuw voorbehouden aan enkelen uit de maatschappelijke elite die er aardigheid in beleefden om met een plezierjacht (met personeel) af en toe een dagje te spelevaren.
In de 19e eeuw worden er in Friesland regelmatig 's zomers in het kader van dorpsfeesten `hardzeilerijen' gehouden voor mensen die over een zeilvaartuig beschikken: boeren, vissers en vrachtvaarders en enkele notabelen. Pas in het midden van de 20e eeuw, in de jaren dertig, wordt het ook voor `gewone' mensen mogelijk om in de vrije tijd op het water te zijn. Het duurt echter tot in de zestiger jaren van de vorige eeuw voordat de watersport gezien wordt als een mogelijke vrijetijdsbesteding voor iedereen. Toen van die massaliteit nog geen sprake was, werden de enkele watersporters die van elders naar Friesland kwamen door de lokale bevolking gezien als vreemdelingen en zij werden niet altijd zonder argwaan bekeken.

In dit boek schets ik een beeld van de ontwikkeling van de watersport in Friesland van de laatste jaren van de 19e eeuw tot en met het midden van de 20e eeuw, waarbij de komst van `vreemdelingen' op het water centraal staat. Hoe ervaren deze varensgasten het Friese landschap, de cultuur, de steden en de mensen die er wonen en werken? Hoe worden omgekeerd deze watersporters van buiten de provincie tegemoet getreden door de plaatselijke bevolking die in het begin van de 20e eeuw immers nauwelijks ervaring heeft in de omgang met dergelijk `vreemd volk'?
De ontwikkeling van de watersport en recreatie op en aan het water is een autonoom proces dat de relatief gesloten plattelandscultuur in Friesland versneld heeft doen verdwijnen. Er is bij de bevolking niet alleen sprake van enige weerstand en lichte ergernis. Spoedig winnen nieuwsgierigheid en zakelijke belangen het van achterdocht en behoudzucht. Niet voor niets wordt zo rond 1900 ook in Friesland een provinciale Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer (V.V.V.) actief die ondermeer de nieuwe watersporters de helpende hand biedt bij het ontdekken van de mooie plekjes in deze provincie. Ik beperk me in dit boek tot `de ontdekking van Friesland over het water'. In de periode van ruwweg 1875 tot 1960. Dat is niet geheel toevallig ook de periode waarin velen nieuwsgierig worden te weten hoe andere volkeren leven in vreemde streken. Op wetenschappelijk niveau ontwikkelen zich begin 1900 de `volkerenpsychologie ' en de `volkskarakterologie' en met een bredere scoop de `volkenkunde'. De bijzondere identiteit van een volk zou bepaald worden door bepaalde raskenmerken en door culturele, economische en historische factoren uit het woongebied. Zo zouden de Friezen tot het Noordse ras behoren, dat gekenmerkt wordt door de lange schedelvorm, de grote lengte en de geringe pigmentatie. Ze hebben dus blauwe ogen, blonde haren en een blanke huid. De Hollandse zeilers Bakker en Kleijn (1936 en 1938) zien in Friesland alleen maar mensen met dit uiterlijk. Meertens en De Vries laten in hun standaardwerk `De Nederlandse Volkskarakters' (1937) J.P. Wiersma schrijven over "De Friezen". Deze legt een rechtstreeks verband tussen het karakter van de Friezen en het land waar ze wonen, het landschap, de economie en de politieke geschiedenis van deze regio. Hij stelt bijvoorbeeld: "De Fries van de klei zal op de hoge gronden nooit geheel aarden. Hij is een man van het water en het vlakke land zonder bomen. Zijn oog moet even vrij zijn als zijn wil en handelen."(p. 41) Omgekeerd zou een Woudfries niet kunnen aarden op het vlakke land in het westen, terwijl de Friso-Saks uit de Stellingwerven een weerstand moet overwinnen, voordat hij op de klei gaat wonen. De zucht naar vrijheid bij de echte Fries vertaalt zich naar de woonsituatie. De Fries woont met zijn gezin op een hoeve in de eenzaamheid, op de vlakte, bij het water. Dat verleent hem een gevoel van eigenwaarde en trots. Dat zorgt bij hem voor een gelijkmatige, onafhankelijke geest, die vreemdelingen soms en ten onrechte inschatten als koppig en afstandelijk.
Dit idee van samenhang tussen mens en woongebied, tussen bloed en bodem, is een genre dat tot in de zestiger jaren van de 20e eeuw heeft bestaan, ondanks het onvruchtbare karakter ervan als wetenschappelijke aanpak en ondanks het feit dat dogmatici het racistisch element ervan politiek gebruikt hebben met desastreuze gevolgen. Het gebruik van volkenkundige clichés is algemeen bij de toeristen die naar Friesland komen om er hun ogen uit te kijken naar die bijzondere Friezen in hun zo vreemde provincie.
 

Een Norfolk wherry onder zeil. Alleen een grootzeil met enorme gaffel. (foto: Ian Ruston)
Een Norfolk wherry onder zeil. Alleen een grootzeil met enorme gaffel. (foto: Ian Ruston)

Inhoudsopgave

1 .   Vreemdelingen op Friese wateren
2.    Buitenlandse watersporters in Friesland
3 .   Eerste tussenstand
4 .   Hollandse watersporters ontdekken Friesland
5.    Tweede tussenstand
6.    Van vreemdelingenverkeer naar toerisme

Buitenlandse watersporters in Friesland

Van de buitenlanders die over het water (ook) Friesland komen bezoeken, maakt de kunsthistoricus M. Henry Havard, die meerdere keren Friesland bezocht, ongetwijfeld de meeste indruk. Vooral zijn reis in 1873 langs de dode steden van de Zuiderzee (Voyage AUX VILLES MORTES du Zuiderzée) maakt in de 19e eeuw naam onder de Friezen.
Veel minder bekend is het boeiende reisverhaal van G. Christopher Davies uit 1886: On Dutch Waterways. The Cruise of the S.S. Atalanta on the Rivers & Canals of Holland & the North of Belgium (In 2001 vertaald als De ontdekking van Nederland). Terwijl Davies toch ook enige interessante ervaringen beschrijft met de Friezen en het Friese vaarwater.
Veel meer aandacht is er voor het boek Friesland Meres van de Engelsman Henry Montagu Doughty uit 1889 en het reisverslag van H.F.Tomalin: Three Vagabonds in Friesland uit 1907. Doughty had met zijn interessante reisverslag Friesland Meres tevens de bedoeling het bezoek aan een waterrijke provincie als Friesland te promoten bij watersporters in Engeland. Dat is hem goed gelukt, want Tomalin vaart 17 jaren later over de Friese meren met Doughty’s reisverslag in de hand.
In tussentijd zijn overigens vele landgenoten van Doughty Tomalin voorgegaan met het huren van een zeilkotter met zetschipper in Stavoren om het onbekende Friesland te ontdekken. En tenslotte is er nog een verslag van een jonge zetschipper, Hendrik Voordewind, die met Franse gasten vanuit Leeuwarden een tocht maakt over de Friese meren met het jacht ‘Bever’.
Deze boeken zijn in de eerste plaats reisverslagen, waarbij de auteurs proberen een interessant beeld van Friesland neer te zetten. Vooral Davies en Doughty weten hun ervaringen boeiend onder woorden te brengen in afwisselende bewoordingen en over een veelheid van onderwerpen. Davies is helder, informatief en geestig, terwijl Doughty serieuzer en meer betrokken schrijft over de lokale bevolking. Deze Engelsen schrijven in een ook voor ons nog moderne stijl, die je tevergeefs zoekt bij veel van onze eigen schrijvers uit de 19e eeuw. Havard, de kunsthistoricus, heeft natuurlijk vooral naam gemaakt met zijn treffende typering van de volgens hem ‘dode Zuiderzeesteden’. Hij is daarbij retorisch begaafd en schrijft niet alleen zakelijk over de geschiedenis van steden, maar schetst ook op poëtische wijze de sfeer van de tocht. Ook Tomalin is een schrijver die toegankelijk schrijft, maar is minder literair getalenteerd dan Davies en Doughty. Bij Tomalin vallen zeker ook de vele foto’s op dankzij de activiteiten van zijn vriend Marshall. Voordewind tenslotte is in dit verband natuurlijk een vreemde eend in de bijt. Hij is een Fries die een jeugdherinnering beschrijft over het varen met Franse toeristen.

Ontdekkingsreizen naar Friesland

Zowel Doughty als Tomalin beginnen hun ontdekkingsreis in Stavoren. Doughty vaart in 1888 met zijn Norfolk wherry van Wroxham Broad naar Yarmouth. Vandaar brengt een stoomsleper hem via Den Helder, waar hij bij de douane wordt ingeklaard, naar Stavoren. Daar gaat de tocht verder als zeilschip. De wherry waarmee ze varen, is een traditioneel Engels, zeilend vrachtschip, in dit geval als jacht uitgerust met kajuit. Met haar lengte van 16 meter, een breedte van 4 meter en een diepgang van minder dan een meter is het schip qua afmetingen enigszins te vergelijken met een skûtsje. Maar het is zeewaardiger,veel slanker, het steekt wat dieper en is lichter gebouwd. Deze schepen zijn voorzien van een opvallende tuigage: een enorm grootzeil met een zeer lange gaffel, maar zonder giek. Dat tuig wordt gehesen aan een stevige mast die helemaal voorop het schip staat. Volgens Doughty is het een ideaal schip. Een snelle zeiler die door zijn geringe diepgang bijna overal kan komen. En bovendien een comfortabel schip met de lange kajuit waarin voor vele bemanningsleden comfortabele hutten zijn ingericht. De kajuit heeft over de gehele lengte relatief grote ramen, zodat de bemanning goed naar buiten kan kijken.

Tomalin en zijn twee vrienden, die als vagebonden bijna twintig jaar na Doughty ook Friesland willen ontdekken, overigens met het boek van Doughty als reisgids in de hand, houden niet van schepen. Een vagebond moet vrij zijn en heeft volgens hen geen tijd om een schip te onderhouden. Het bezit van een schip brengt een zorg en een verplichtingen met zich mee die de vagebond te zeer beperken in zijn vrijheidsdrang. Zij steken daarom in 1906 met de veerboot over naar Holland, reizen langs Volendam en Hoorn om in Enkhuizen de stoomveerboot naar Stavoren te nemen.Bij het station worden de vagebonden opgewacht worden door bootverhuurder Pieter Heinsius en de zetschipper die de door Tomalin gehuurde boeier ‘Marie’ zal varen. Met zetschipper, want als je niet kunt varen, kan je zonder schipper ook niet rondzwerven met een zeilschip. Een van de vagebonden, Arthur Marshall, heeft zijn grote 9x12 cm. platencamera mee om de belevenissen onderweg te vereeuwigen. Dat idee van vagebondje spelen is kenmerkend voor de naïveteit van deze mannen die in hun tijd tot de betere klasse behoren. Deze drie heren willen vrij zijn. Vrij van maatschappelijke conventies. Ze willen onbekommerd kunnen rondzwerven zonder maatschappelijke verplichtingen, vrij van de maatschappelijke mores. Maar hun inzet is niet meer dan een spel van vrijblijvendheid. Waarschijnlijk weten ze zelf heel goed dat echte vagebonden in één adem genoemd worden met zigeuners, zwervers en landlopers, die maatschappelijk nauwelijks geaccepteerd worden en regelmatig worden verjaagd of worden opgepakt. Ook weten ze heel goed, dat er helemaal geen reden is om afgunstig te zijn op het vrije, ongebonden leven van dakloze zwervers. Deze zelfbenoemde vagebonden laten zich daarom rondvaren in een boeier en klagen na afloop dat de leefruimte in dit scheepje wel iets te wensen overliet.

Davies is in 1885 met de door hem gehuurde stoomboot Atalanta overgestoken van Engeland naar Nederland. Hij maakt een tocht door Nederland en Vlaanderen en doet daarbij ook Stavoren aan. Hij komt tot deze tocht, omdat hij het om gezondheidsredenen, hij is 36 jaar, met het werk wat rustiger aan moet doen. Hij gaat er daarom wat langere tijd met de boot op uit. Hij schrijft: "Ik herinnerde mij een vaartocht die ik al vaak had willen maken en waarover ik tijdens winteravonden met verwante geesten had gesproken, maar die weer vergeten werd zodra het werk van de zomer met alle bijbehorende moeilijkheden zich aandiende. Het betrof een tocht naar dat vlakke land dat de mens uit de golven had gewonnen, dat doorsneden werd door rivieren en kanalen en waarvan gezegd werd dat ons lievelingsdistrict, Norfolk Broads, er op kleinschalige wijze gelijkenis mee vertoonde. Geen enkel land dat zo dicht bij Engeland ligt, is zo vreemd in haar wonderlijke verschijningsvormen, klederdrachten en gewoonten. De gebouwen zijn er vreemder dan in de meeste andere landen. De waterwegen zijn er de belangrijkste doorvoerwegen, hetgeen zeer interessant is voor zeilers." (Davies, 2001, p.9). Voor Davies is het echter moeilijk om tijdens de voorbereiding van de reis voldoende relevante informatie te vinden. De weinige reisboeken die hij vindt, gaan overal over, behalve over wat hij belangrijk vindt: de waterwegen. Het interessantste werk is voor hem Havards "Dead cities of the Zuyderzee", maar juist dat boek blijkt voor hem ietwat misleidend te zijn, omdat Havard in zijn ogen een overdreven beeld geeft van de gevaren van zijn reis in een plaatselijke schuit, genaamd een tjalk, terwijl een tjalk in de ogen van Davies nu juist het veiligste schip is dat er bestaat. Davies dacht er eerst over een Norfolk wherry naar Holland te laten brengen en daarmee door Nederland te zeilen. Deze wherry’s bieden in zijn ogen een fantastische accommodatie. Ze hebben weinig diepgang, zijn gemakkelijk bestuurbaar en zeilen sneller en scherper aan de wind dan de Nederlandse schepen. Voor het laten overslepen van een Norfolk wherry naar Vlissingen wordt van hem echter een bedrag gevraagd dat Davies niet wil betalen. Hij laat daarom dit idee los en kijkt uit naar een stoomschip. In Nederland is zo’n schip volgens hem niet te krijgen, dus zoekt hij een schip dat groot genoeg is om ermee de Noordzee over te steken, terwijl de diepgang toch beperkt moet blijven in verband met de vaart over het binnenwater van de Lage Landen. Uiteindelijk kiest hij voor de huur van de Atalanta. Een stoomschip uit Lowestoft, een mooi en bijna nieuw schip van 20 meter lang, drie meter breed en een diepgang van 1.50 meter. Davies betaalt niet alleen huur voor het schip. Hij betaalt ook weeklonen aan de schipper, de machinist en de dekknecht. De loodsen die hij nodig heeft, moeten uiteraard ook betaald worden en krijgen daarbij ook de kost en logies. Evenals Tomalin maakt ook Davies onderweg foto’s met een voor die tijd kleine ‘half-formaat platencamera’, dus voor 6 x 9 cm. glasplaten. Zijn foto’s zullen helaas voor een deel mislukken. Een aantal meegenomen glasplaten blijkt van inferieure kwaliteit te zijn.

De Fransman Havard laat zich in 1873 over de Zuiderzee vervoeren met een tjalk. Hij ervaart de navigatie over deze binnenzee als extreem moeilijk vanwege de wisselende waterstanden en de vele ondieptes. De Franse loggers en barken die hij eigenlijk prefereert, zijn voor dit water ongeschikt en overigens ook niet beschikbaar. Hij moet zijn toevlucht nemen tot een tjalk van zestig ton, met een diepgang van iets minder dan een meter. De schipper stelt hem echter gerust: "Avec l’aide de Dieu et un bon vent, nous nous tirerons d’affaire." Met een gunstige wind en de hulp van God zullen ze het dus wel fiksen.

Tenslotte Hendrik Voordewind. Zijn vader Tjerk Voordewind voer eind 1800 als zetschipper op jachten die hij aan Het Vliet in Leeuwarden verhuurde aan toeristen. Hij is bovendien vaste zetschipper op de boeier ‘Stavo’ van de familie Eysinga. Als Tjerk toevallig enige dagen met de ‘Stavo’ te varen is, dienen zich twee Franse toeristen aan die op huwelijksreis zijn. Tjerks zoon Hendrik, toen 14 jaar en nog leerling op de middelbare school, wordt bij afwezigheid van zijn vader gevraagd of hij met deze mensen een tochtje met een motorbootje kan maken. De Franse toeristen vinden de boeiers en Friese jachten die ze onderweg tegenkomen zo fraai, dat ze te kennen geven wel eens met zo’n schip te willen zeilen. Dat voorstel valt precies in het straatje van Hendriks plannetjes. Hij biedt aan met de ‘Bever’, een Fries jacht uit 1820 dat Tjerk Voordewind in 1884 gekocht heeft voor zijn verhuurvloot, een dergelijke tocht te maken. Daarmee gaan zij de volgende dag te varen, met de jonge Hendrik Voordewind als nieuwbakken zetschipper.

Over de auteur

Dirk Huizinga heeft intussen vele publicaties op zijn naam staan. Hij is een schrijver die zich vooral bezighoudt met de geschiedenis van de scheepsbouw, de scheepvaart en de visserij langs de Oostwal van de Zuiderzee (van Harlingen tot de IJssel) van circa 1850 tot 1960.

Uitgegeven in eigen beheer

248 pag.,hardcover, geïllustreerd. Er is ook een goedkope paperbackversie in zwart/wit te verkrijgen. 
Naast de "papieren" uitvoeringen is het boek ook beschikbaar als E-boek en gratis te downloaden.
Ga voor alle informatie naar naar de website van Dirk Huizinga: www.dirkhuizinga.com.
Dirk Huizinga vergaart steeds nieuwe informatie. Dat houdt in dat zijn boeken regelmatig worden aangepast  en aangevuld. Ze worden daarom ook steeds actueler!

Maritieme schrijvers

Een aantal jaren geleden heeft Elly Meijn het initiatief genomen om een maritieme website op te zetten. Zij schrijft recensies voor de Spiegel der Zeilvaart en vertaalt maritiem getinte boeken. Haar vriend, Ron de Vos, schrijver/journalist, kreeg van verschillende schrijvers te horen dat het maritieme boek is ondergegaan in de storm van het commerciële boek. Hoe zou dit tij kunnen worden gekeerd, was de vraag die zij zich stelden. En zo werd de website Maritieme Schrijvers in het leven geroepen. Velen werden aangeschreven en tot aan nu hebben zich al vele schrijvers aangemeld, onder wie een aantal Belgische schrijvers.

Terug naar vorige pagina