Waardevolle bolle vormen (Uit het Stamboek - 2026 nummer 5)
Wat er allemaal ooit is vastgelegd ....
Het lijkt wel eens, alsof onze traditionele platbodems met hun volle vormen weliswaar goed voldeden onder de omstandigheden waaronder ze gebruikt werden, maar voor het overige ingehaald zijn door de moderne technologische ontwikkelingen.
De traditionele scheepsbouwers werkten op grond van ervaring en intuïtie. Ze maakten geen proefmodellen om daar in sleeptanks vergelijkende metingen mee te verrichten. Ze beschikten niet over PC’s met software om computerondersteund te ontwerpen, inclusief computersimulaties om vergelijkend tot het beste resultaat te komen. Nee, ze bouwden schepen op het oog, zonder al te veel berekeningen, maar wel met open oog en oor naar de schippers die hun praktijkervaringen en wensen inbrachten.
Onze platbodems werden vooral voor het binnenwater en daarnaast voor de kustwateren gebouwd. De grote zeetjalken bijvoorbeeld voeren buitenom naar Scandinavië, evenals de palingaken en ook de vissers met grote blazers waagden zich met hun zware aken wat verder op zee. Als het over zeewaardigheid gaat, dan moet je bij platbodems echter een slag om de arm houden. De meeste zijn oorspronkelijk niet bedoeld voor de zeevaart, ze zijn per definitie kenterbaar en zijn meestal niet volledig gedekt.
De reddingboten uit Noorwegen van Colin Archer bewezen wel hun zeewaardigheid. Die ontwerpen zijn ook meer dan een eeuw oud en daarna veel gebruikt bij vissersschepen en bij plezierjachten. Opvallend is hun volle vorm, het diepe S-spant en de diepe, lange kiel. Vergeleken met moderne zeiljachten met kleine waterverplaatsing, dus laag gewicht, zijn de Colin Archers goed als toerjacht, maar voor velen eigenlijk ook wat achterhaald.
Dat die mening na de Fastnet Race 1979 weerlegd werd door de realiteit, kwam binnen als een bom. De ramp bij wedstrijdjachten op zee kwam door de tekortschietende zeewaardigheid van de moderne light displacement ocean racers. De traditionele Colin Archerjachten waren weliswaar niet snel, maar zeilden relatief comfortabel en kapseisden niet, zoals vele moderne jachten tijdens die zware storm wel deden. Enige bleven toen zelfs omgekeerd, met de mast naar beneden en de kiel omhoog, in zee drijven. De moderne ontwerpen waren weliswaar zeer snel op relatief rustig water, maar schoten op zee tekort toen het er op aan kwam. De ontwerpers hadden de rol van de hydrostatische stabiliteit overschat, terwijl iedere zeezeiler weet dat jachten op zee te maken hebben met een grillige hydrodynamische stabiliteitsbeïnvloeding. Ook onderschat werd het humane belang dat de bemanning zich aan boord comfortabel blijft voelen als ze langere tijd in een storm op zee in hun jacht moeten zien te overleven.
Voor dat laatste aspect bleken jachten met traditioneel volle vormen, een flinke waterverplaatsing en een lange kiel sterk in het voordeel te zijn boven de lichte ocean racers met een smalle, diepe vinkiel en een aangehangen roer. Ontwerpers meenden op grond van proeven dat de koersvastheid van een jacht niet bepaald werd door de lengte van de kiel, maar door de afstand tussen de (vin)kiel en het roerblad. In een rustige situatie was dit ook zo, maar bij storm op zee niet. Voor de wind zeilend (met te veel zeil) gebeurde het bijvoorbeeld, dat bij een jacht de kop diep in de voorliggende golf werd gedrukt, terwijl de kont opgestuwd werd door een nieuwe golf. Dat het roer daarbij boven water kwam, waardoor het jacht stuurloos werd. De stuwende golftop drukte de kont vooruit, terwijl de kop vastzat in de zuigende werking van het golfdal, met als gevolg dat het jacht om werd gedrukt en ‘ankerde’ achter de zeilen die zich met water vulden.
Een heel traditioneel scheepstype voor ons land is het 17e eeuwse statenjacht. Hein Kersken Sr. publiceerde in zijn boek met ontwerpen voor ‘Hollandse jachten voor de toekomst’ (1963) ook een bijzonder jacht: namelijk een traditioneel Statenjacht dat dankzij Kersken gebouwd kon worden op moderne wijze, van staal.
Heel Hollands, maar tegelijkertijd qua lijnenplan gelijkend op een Colin Archer! Met (uiteraard) een lange kiel en een diep S-spant, met relatief (voor een Hollands schip) scherpe waterlijnen. Niet ieder traditioneel Hollands schip zag er dus uit als een tjalk, zoals bijvoorbeeld wel het geval is bij een palingaak.
Juist die palingaken staan bekend om hun goede zeewaardigheid. Niet als het erop aankomt van lagerwal vrij te zeilen, maar wel om relatief comfortabel mee op zee te zeilen, ook bij storm, zolang er ruimte aan lij is. Palingaken zijn geheel gedekt. Mocht een hoge golf schuin van echter overkomen, dat komt er nog geen water aan boord, wat natuurlijk cruciaal is voor het behoud van de stabiliteit.
Ook relevant voor dit soort schepen bij de vaart op zee is, dat het slingeren beperkt blijft. Een platbodem volgt het wateroppervlak en wordt bij halve wind door golven veel meer heen en weer geslingerd dan een geballast kieljacht. Als die slingertijd gelijk op gaat met de golflengte, zodat de slinger steeds opnieuw een zet krijgt, kan er gemakkelijk een gevaarlijke situatie ontstaan. Ook op het IJsselmeer ervaren platbodemzeilers met botters, aken en jollen deze ongewenste slingerbeweging als ze met harde wind door hoge golven zeilen met halve wind. Dat rollen kan je vrij eenvoudig doorbreken door je koers te verleggen. Iets op te sturen en na een tijdje weer wat af te vallen, zodat de slingertijd van het schip vertraagd wordt en niet meer gelijkloopt met het ritme van de golven.
De tegenvallende zeewaardigheid van de moderne ocean racers werd natuurlijk mede veroorzaakt doordat deze jachten een wedstrijd voeren. Lang gold het uitgangspunt dat bij toerzeilers de veiligheid op één kwam en de snelheid op twee, terwijl dat voor wedstrijdzeilers omgekeerd zou zijn. De Fastnet Race 1979 leerde, dat dit uitgangspunt niet klopt. Bij die race startten 303 jachten. Tijdens de onverwacht zware storm die opstak sloegen er 75 om, 24 jachten werden verlaten en 5 zonken. Slechts 86 schepen bereikten de finish. Dat waren vooral de grootste schepen. Die ramp schokte de jachtwereld en heeft daarom tot nieuwe veiligheidsregels geleid en andere, meer stabiele jachtontwerpen, terwijl ook het menselijke aspect van zeezeilen als serieus onderwerp op de agenda kwam.
Een schip is immers zo zeewaardig als haar bemanning. Als die het niet meer ziet zitten, bijvoorbeeld doordat het schip zich onaangenaam gedraagt in de golven, dan houdt het op. Als positief voorbeeld werd onder meer gewezen op de Colin Archers en de daarop geïnspireerde ontwerpen: volle vormen, lange kiel, diep zwaartepunt, flinke waterverplaatsing. Die schepen verdwenen niet onder de golven. Wat wedstrijdzeilers ook niet snel bleken te doen, was zeilen te minderen en desnoods te gaan bijliggen. Dan win je immers geen wedstrijd.
Captain Voss zeilde begin 1900 met zijn 9 meter lange zeilkano Tilikum om de wereld en overleefde in de Indische oceaan tornado’s, doordat hij ze uitreed achter een zeeanker. Zoals hij overigens steeds deed bij storm op zee. Nu hoor je dat mensen schrikken als ze horen dat een jacht door het oog van een tornado gaat. Voss wist dat onder dat oog de zon schijnt en dat er geen wind staat. Alleen de golven komen er niet tot rust. Wellicht denken moderne mensen bij het oog van een tornado aan de uitdrukking ‘door het oog van de naald’?
Dit Vlugschrift "Uit het Stamboek - Behoud(t) het Goede" is samengesteld door Dirk Huizinga.