Vorm versus sier (Uit het Stamboek - 2026 nummer 4)
Wat er allemaal ooit is vastgelegd ....
Meestal gaat het over vorm versus inhoud, maar dat is hier niet de discussie. Het gaat over platbodems en vorm vs. sier. Ik wil het hebben over de functionaliteit en de schoonheid van een geslaagd scheepsontwerp. Over fraaie schepen zonder versiering, zoals er ook veel fraaie platbodems zijn met versiering en schepen met een minder goede lijn, maar wel voorzien van houtsnijwerk en bladgoud.
Door de eeuwen heen zijn in Nederland schepen die meer waren dan een eenvoudige werkboot voorzien van enige sier. Soms uitbundig, vooral achter op het schip, dan weer meer ingetogen. Daar is ook veel over gepubliceerd, zeker over de versieringen op onze ronde en platbodemjachten. Die sier viel ook de eerste buitenlandse watersporters op die ons land kwamen bezoeken. Zoals de Engelsman Henry Montagu Doughty die in 1888 met zijn gezin in een Norfolk wherry de Noordzee overstak om te zeilen in Friesland. Een jaar later publiceert hij een interessant reisverslag van die tocht onder de naam Friesland Meres.
Aangemeerd in Sneek tijdens de jaarlijkse feestweek kijkt Doughty zijn ogen uit bij het zien van al die eigenaardige vrachtschepen, die allemaal op elkaar lijken, maar desalniettemin wel allemaal verschillende scheeptypen genoemd worden. ‘We hebben nooit al hun verbijsterende namen onder de knie gekregen’, zo schrijft hij. Vlak voor zijn wherry meerde een houten jacht aan. Een gepavoiseerde boeier, vanwege het feest. Doughty brengt een bezoek aan het schip, bewondert de nieuwe vernis en de fraaie versieringen op het schip en ziet tot zijn verbazing het roer, dat zo bijzonder is, dat volgens hem een verzamelaar van curiosa er begerig naar zou kijken. Een grote, grotesk gebeeldhouwde en vergulde bever kruipt bij het roer omhoog vanaf de waterlijn. Met zijn kop en klauwen komt het monster tot op de kop van het roer.
Niet geheel ten onrechte beschouwt Doughty deze versiering als een curiositeit. Waarschijnlijk bekeek hij de oude Sneker boeier ‘De Bever’, die een roer had met een monster, een bever verbeeldend, dat bij het roer inclusief de roerkop omhoog leek te klimmen. Die bevers hadden natuurlijk niet het eeuwige leven. Er zijn verschillende uitvoeringen van. Het bevermotief beperkte zich ook niet tot deze boeier. Ook het Fries jacht van Tjerk Voordewind, gebouwd in 1820, waar zijn zoon Hendrik Voordewind wel eens zeiltochtjes mee maakte, was voorzien van zo’n monster: de ‘Lytse Bever’, een Fries jacht met een klein bevertje dus.
In de 19e eeuw werden roeren van dergelijke jachten vaker van dergelijke monstrueuze versieringen voorzien. Iedere tijd heeft daarin zijn eigen smaak en voorkeur. Over de geschiedenis van het jacht ‘De Lytse Bever’ heeft Peter Tolsma overigens een zeer informatief boekje geschreven, dat in 2008 bij de voltooiing van de restauratie van dit varend monument werd uitgebracht.
Niet iedereen is vanzelfsprekend onder de indruk van versieringen op schepen. De maritiem publicist Hans Vandersmissen (1950 – 2009), die zelf zeiltochten over zee maakte met een Drascombe, zag weinig tot niets in fraaiigheden aan boord die onpraktisch waren en de zeiler bij zijn handelen in de weg konden zitten. Hans pleegde meermaals zijn mening ongezouten te presenteren, wat niet voor iedereen aardig was, maar uiteindelijk wel duidelijk. Zo zag hij niets in de ‘prullaria’ waarmee romantische schippers hun schip in de juiste sfeer brachten, zoals een grote koperen bel binnen bereik van de schipper. Daar had je op zee en niet alleen daar, vooral last van en dat koperen obstakel was nog nutteloos bovendien.
Daar had Hans Vandersmissen natuurlijk een punt. Maar dan kijk je wel erg naar details. Hans keek ook breder. Hij vond bijvoorbeeld de Friese boeier als ontwerp maar niets. Er zit geen enkele zeeg in. Bij harde, achterlijke wind wordt de kop bijna onder water gedrukt. Dat was bij de oude Hollandse boeiers echt anders. Dat is inderdaad zo. Maar ik wil naar een ander perspectief. Ik wil de aandacht liever richten op de schoonheid van een ontwerp zonder versiering. Als we dan nog even bij bijvoorbeeld de boeier Friso blijven, dan moeten we uit de geschiedenis van het schip vaststellen dat de romp er niet fraaier op is geworden.
In de dertiger jaren werd deze boeier verkocht aan dhr. Hamstra die het schip liet restaureren bij Kok in Muiden. In 1944, tijdens de oorlog, stond de boeier bij Kok in winterberging. Door brand raakte de kop van het schip ernstig beschadigd. Hamstra deed afstand van de boeier. De Gebr. Kok restaureerden het schip maar voorzagen het van een dikkere kop dan EH vd Zee in Joure oorspronkelijk deed. Bij Kok kreeg de boeier een soort blazerkop. Toen na de oorlog de zorgen om het voortbestaan van de houten ronde en platbodemjachten toenamen, werd in 1953 deze boeier naar Friesland gehaald om (weer) als statenjacht te dienen. Maar ja, wel met de (te) dikke kop van Kok. In de jaren daarna is met slim schilderwerk de aanblik van de boeier weer verbeterd. Optisch valt de dikke kop minder op en tegenwoordig ziet het schip, dat bij Henk van der Meulen in Sneek wordt onderhouden, er natuurlijk geweldig uit, ondanks de iets zware kop.
Hans Vandersmissen keek echter niet primair naar de luxe jachten die door personeel gezeild en onderhouden werden. Zijn aandacht ging uit naar zeilboten die handig te varen waren zonder poespas en zich op ruim water goed gedroegen. Niet primair fraai versierde jachten voor de show, maar functionele scheepjes waar je handig mee overweg kunt. Ook dan kan je verschillend tegen schepen aankijken. Hendrik Voordewind zeilde wel eens met zijn vader Tjerk mee in de overnaadse boeier de ‘Stavo’ op de Zuiderzee. Hendrik noemde zich trots een ‘schipperszoon’, maar was geen held op het water. Hij zag met grote vreze hoe zij met de boeier Stavo op de Zuiderzee verzeild raakten tussen de vissende botters. Dat vond hij maar niets, daar tussen die geteerde werkschuiten met die ruwe visserslui erop. Met geen woord heeft Hendrik het over de schoonheid van de botter, gewoon vanwege de scheepsvorm, functioneel zonder enige versiering op een geschilderde prins (roodwitblauwe driehoeken) en een beetje houtsnijwerk in een deurtje na. En toch voor velen een prachtig schip. Smaken verschillen, maar het beeld van zo’n botter kan velen meer bekoren dan dat van een boeier die opgesierd is met een gouden leeuw op het roer en houtsnijwerk met verguldsel overal waar maar plaats is voor die sier.
De prachtige ei-vorm van de botter, de spannende lijnen met de hoge kop en lage kont en de eenvoud van de tuigage blijven een lust voor het oog. Het is gewoon wonderbaarlijk dat de schipperszoon Hendrik Voordewind dit niet herkende.
Dat niet ieder jacht mooi genoemd kan worden, zelfs onder erkenning dat smaken verschillen, is helaas zo. De laatste jaren valt me op het water op dat er zelfs foeilelijke sloepen op het water verschijnen, grote, hoge bakken met veel motorvermogen en een open ruimte voor wel 20 man/vrouw om te feesten. Bij zo’n vaartuig helpt geen versiering om het mooier te maken. Dit zijn de ‘hopeloze gevallen’. Maar ook niet alle platbodems zijn even fraai. Ik laat hier foto’s zien van in mijn ogen geslaagde platbodemjachten en het is wat flauw om nog bestaande schepen op negatieve schoonheid te beoordelen. Maar een Lemsteraakjacht uit het verleden dat op dit moment gesloopt is, de Pijlstaart, kan nu wel ter illustratie dienen. De eigenzinnige en overigens zeer capabele ontwerper Thiebout ontwierp direct na de Eerste Wereldoorlog een houten Lemsteraakjacht van ruim 15 meter lengte voor de opdrachtgever Brugma, die overigens overleed voordat zijn aak werd opgeleverd. Het bijzondere aan dit jacht was, dat het niet van eikenhout werd gebouwd, maar van teak, en daar had de ontwerper zich op verkeken. Thiebout kon ongetwijfeld wel een mooi rond schip ontwerpen, maar teakhout kan niet zo mooi rond gebogen worden zoals bij eikenhout wel het geval is. Hij moest het ontwerp tijdens de bouw daarom aanpassen aan de werkelijke mogelijkheden van het bouwmateriaal. Het resultaat was een Lemsteraakjacht dat niet de fraaie vormen had die wij graag zien. Gewoon te stijf en te strak. Deze aak kende daarna wel een interessante geschiedenis op de Middellandse zee. In de jaren zeventig kwam de aak terug in Nederland en zag ik haar regelmatig in Harlingen liggen. In 2020 voer ik over de Langweerder wielen en zie, daar lag de Pijlstaart, als wrak achtergelaten in een ondiepe hoek aan de westoever. Ze lag daar rustig op de bodem te wachten op het einde.
Dit Vlugschrift "Uit het Stamboek - Behoud(t) het Goede" is samengesteld door Dirk Huizinga.