De Zeilsport

door H.C.A. van Kampen

Uit het voorwoord van de vijfde, opnieuw herziene en vermeerdere druk

Sedert de eerste druk van dit boek verscheen is er in de zeilwereld veel veranderd en na het verschijnen van volgende drukken zette die verandering zich voort.
Meer en meer verdwenen de groote jachten uit onze jachthavens. De aanblik van een keurig onderhouden groot zeiljacht, met smetteloos blanke dekken, glanzend koper en betaald personeel is thans zeldzaam. De ongunstige economische toestand der laatste jaren, die vele groote vermogens gevoelig aantastte, vele welgestelden bizonder voorzichtig maakte, was er oorzaak van dat vele onzer groote jachten naar het buitenland werden verkocht en dat er slechts zeer weinig nieuwe voor in de plaats kwamen en eerst in de laatste jaren voor den oorlog, toen er liefhebberij ontstond voor het varen op zee, zag men van tijd tot tijd weer een flink schip, dat onze jachtvloot kwam verrijken. De thans woedende wereldkrijg deed echter weer vele grootere en kleinere vaartuigen van onze jachtvloot verdwijnen.
Daarentegen kon een overweldigende toename van kleine zeilscheepjes geconstateerd worden, scheepjes die zonder betaalde krachten gevaren worden. Een groei als bijv. in de 16 m2-klasse, kleine open jachtjes, die vrij gemakkelijk door niet-bootbouwers kunnen vervaardigd worden, een klasse, waarvan het aantal eenheden in de enkele jaren van haar bestaan snel tot ver over de duizend opklom, zou een korte spanne tijds geleden ondenkbaar zijn.

De inhoud

  • Voorwoord
  • Inhoud
  • Inleiding
  • Hoofdvormen van jachten
  • Onderdeelen van schip en tuig
  • Touw, en wat daarbij hoort
  • Scheepsteekeningen
  • De keuze van het vaartuig
  • Voorbeelden van booten en jachten in tekening
  • Onderhoud en behandeling van het schip
  • De hulpmotor, door ir. J. loeff
  • De theorie van het varen
  • De praktijk van het varen
  • Nog meer praktijk. eenige tochten en een wedstrijd
  • Het leven aan boord
  • Het gebruik van vlaggen
  • Allereerste beginselen der zeevaartkunde, door M.H. Blokpoel
  • Weer en wind, door P.H. Gallé    
  • De inrichting van de zeilsport in nederland
  • Woordenlijst, tevens alfabetisch register

De zoo algemeen geconstateerde zucht naar het vrije buitenleven heeft ook op de zeilsport een weldadigen invloed gehad. De sport is gemeengoed geworden van arm en rijk, het aantal beoefenaren is sterk gestegen. Alles bijeen kunnen wij, de slechte tijdsomstandigheden ten spijt, van een grooten vooruitgang spreken. Ook in technischen zin is er veel veranderd. De zeilbond heeft nieuwe klassen in het leven geroepen, klassen waarvan er enkele een zeer groote verspreiding kregen. De wetenschap van het ontwerpen maakte voortgang, niet zoozeer waar het den scheepsvorm zelf betrof, als wel met betrekking tot de tuigage, de zeilvormen vooral. Een groote evolutie heeft zich in onze sport afgewikkeld!

De schrijver zag zich voor de taak gesteld, bij dezen vijfden druk opnieuw zijn boek aan de nieuwe omstandigheden aan te passen. Hij moest zich voor oogen stellen, dat het boek in het vervolg in andere kringen zou gelezen worden dan vroeger, bij de eerste verschijning. Hij moest zich meer tot de jongeren wenden, waar hij zeker geen gebrek aan geestdrift, maar misschien wel een gebrek aan.... contanten kon verwachten. Maar is geestdrift niet wèl zoo goed?
 
Het boek is opnieuw uitgebreid. Hopen wij, dat het in zijn nieuwen vorm weer zijn weg moge vinden!
Het is hier de plaats om mijn dank te betuigen aan de medewerkers, die voor enkele hoofdstukken mij het werk uit handen namen, en aan het weekblad „De Waterkampioen", dat voor den nieuwen druk een aantal clichés afstond.

In de eerste plaats is het boek bedoeld voor beginnende zeilers. Alle onderwerpen zijn van het begin af behandeld; zoo weinig mogelijk wordt als bekend verondersteld. Vandaar ook het alfabetisch register, dat den lezer in staat stelt opheldering te krijgen over scheepstermen of uitdrukkingen, die hem onbekend zijn. Natuurlijk was het onmogelijk vele der onderwerpen tot in finesses te behandelen: zij zouden ieder een boekdeel voor zich vereischt hebben. Toch zullen ook ervaren zeilers allicht uit het boek het een en ander kunnen putten, dat nieuw voor hen is. Daar is bijvoorbeeld het artikel over het ontwerpen van jachten, dat waarschijnlijk door de beginners overgeslagen zal worden, maar dat ik toch inlaschte omdat over dit onderwerp in 't geheel geen Nederlandsche literatuur bestaat, terwijl juist hiernaar zoo vaak gevraagd werd. Ook in het hoofdstuk „De theorie van het varen", misschien ook bij wat er over wedstrijdzeilen geschreven werd zullen oudere zeilers wel wat nieuws vinden, terwijl in elk geval verondersteld mag worden, dat zij met belangstelling kennis zullen nemen van de jachtontwerpen, in het boek gereproduceerd.
Moge dit boek bijdragen tot bevordering van onze mooie sport, een sport die bij uitstek Nederlandsch is en die echte Hollandsche jongens kweekt!

H.C.A. VAN KAMPEN

Voorbeelden van booten en jachten in tekening: Open Ronde en Platbodemjachten

Met dit onderdeel van ons hoofdstuk keeren wij terug tot de kleine open vaartuigjes, die slechts voor de binnenwateren bedoeld en geschikt zijn. Teekeningen
van onze nationale ronde en platbodemjachten zijn moeilijk te bekomen; vele ervan worden geheel en al zonder teekening gebouwd. Schrijver dezes acht zich dan ook gelukkig dat hij, zij het dikwijls na veel moeite, in staat werd gesteld ontwerpen van de meest voorkomende typen, en daarbij zelfs in vele gevallen van zeer goede voorbeelden daarvan, te reproduceeren.

De Tjotter en het Friesche jacht
Ten eerste vinden wij dan hier een afbeelding van een tjotter, een scheepje, dat als voorbeeld mag gelden van een echt-Nederlandsch vaartuig; nergens anders ter wereld kan men iets vinden, dat er ook maar op lijkt. Het type is zeer rond, zeer breed en zeer vlak; de zijzwaarden zijn bijzonder groot en breed, evenzoo het roer. Bij voor- en achtersteven loopen de boeisels vrijwel in elkaars verlengde. De vroegere tjotters vertoonen geheel ronde, in de kiel doorloopende spantlijnen; later werden zij meestal „gepiekt" gebouwd, d.w.z. de spantvorm is min of meer S-vormig, zooals in ons voorbeeld.
Helaas verdwijnen de tjotters, evenals de meeste houten vaartuigen, tot de nationale typen behoorend, steeds meer van onze wateren, zelfs in Friesland, de bakermat van het type. Met alles wat erbij behoort als keurig snijwerk, fraai vergulde versieringen en dergelijke is een tjotter een kostbaar scheel*, niet alleen in aanschaf maar ook in onderhoud.
Het zeiloppervlak is zeer verschillend in grootte: in wedstrijden was het soms abnormaal groot en dan moest het scheepje door den noodigen binnen-ballast in staat gesteld worden het te dragen. Evenals de meeste ronde en platbodemjachten vertoont ook de tjotter een „zetboord", een verhooging van het boeisel, die echter niet tot voor- en achtersteven doorloopt.
Grooter dan de tjotter is het Friesche jacht, een schip, dat alle kenmerken heeft van den boeier, doch alleen de kajuit mist. Dus is het roer smaller dan bij een tjotter en zijn er flinke berghouten aanwezig, die de tjotter mist.

De schouw
Een geheel ander Friesch vaartuig is de schouw. Schouwen worden, in tegenstelling met tjotters, gebouwd van breede planken, die alleen in de lengterichting gebogen worden, zoodat de spantlijnen hoekige vormen krijgen. Het uitzien van het scheepje wordt daardoor ietwat kistachtig, hetwelk nog versterkt wordt door de platte spiegels voor en achter. De planken worden zonder stoomen gebogen, waardoor de vorm vrij lang en smal wordt - een heel andere verhouding dan bij een tjotter. Door dit alles kost een schouw weinig geld en toch behoeft ze, wat snelheid en zeewaardigheid aangaat, bij een tjotter niet ten achter te staan, integendeel. De niet al te fraaie vormen worden voor het oog wat gecamoufleerd door kleurige versieringen op zetboord en roer. De vorm der zwaarden en van het tuig is gelijk aan dien bij de tjotter; ook schouwen werden soms op Friesche wedstrijden overladen met zeiloppervlak. Kleine schouwen worden vaak met een spriettuig met fok uitgerust.

Punters
Punters zijn scheepjes die vóór en achter scherp op steven gebouwd zijn. Zij zijn voorzien van vrij breede zwaarden, hebben een hoekigen spantvorm ongeveer als een schouw, voeren meestal een torentuig, en zijn breed of smal naar gelang van de tradities in de streek waar ze vandaan komen. Overijselsche punters zijn smal en lang. Aalsmeersche punters kort en breed. Maar op de Aalsmeersche wateren is de punter geheel en al verdrongen door den goedkooper te bouwen grundel, waarbij de achtersteven niet scherp is, maar in een platten spiegel uitloopt. Grundels worden in Aalsmeer en elders vrij vaak voor plezierscheepjes gebruikt, en in den laatsten tijd veelal in wat grooter afmetingen met kajuitje gebouwd. In de volgende afdeeling van dit hoofdstuk vindt men twee grundelj achten met kajuit afgebeeld.

Zaansche gondel
Een dergelijk scheepje is de Zaansche gondel, die echter steeds met een gaffeltuig wordt uitgerust. Wel merkwaardig is deze groote verscheidenheid van typen, waarvan de onderlinge verschillen meer op traditie berusten, dan op oorzaken die in verband zouden staan met het gebruik dat van de scheepjes gemaakt wordt of met het te bevaren watergebied.

Staversche jol
Tjotters behooren tot de ronde jachten, schouwen, punters en grundels tot de platbodemers, daar zij een vlak hebben dat alleen van voor naar achter, niet zijdelings, gebogen is. Nog een rond scheepje is de Staversche jol, waarvan zelfs de ronding zich boven water in de zijden zoover voortzet dat deze laatste invallend worden: het schip is aan dek smaller dan eronder. Wel een zeer merkwaardig type van vaartuig is dit en het zou mij niet verwonderen, indien het zou blijken van buitenlandschen oorsprong te zijn. Het vrijboord is zeer hoog, de zeeg zeer gemarkeerd. De meest afwijkende eigenschap is het ontbreken der zijzwaarden, die vervangen worden door een lange kiel, die van voor tot achter doorloopt. In Stavoren ziet men het type, zooals het door de visschers gebruikt wordt; het zijn voor de afmetingen zéér zeewaardige scheepjes. Gewoonlijk hebben ze een vast dek vóór, tot aan den mast. Worden ze voor liefhebberzeilen gebruikt dan ziet men vaak dit dek verhoogd om eronder een kajuitje te vormen; zeer fraai staat dit in het algemeen niet. Een Staversche jol met een gewone kajuit, dus achter den mast, vindt men hierbij afgebeeld.

Voorbeelden van booten en jachten in tekening: Ronde en Platbodemjachten met kajuit

Alle in ons land voor visscherij of transport gebruikte soorten van zeilschepen kunnen natuurlijk ook als jacht gebouwd of ingericht worden. En daar het aantal van die soorten zeer groot is. Vooral als men tot fijnere onderscheiding overgaat, kan men theoretisch zich ook een zeer groot aantal soorten van ronde en platbodemjachten voorstellen. Zoo is het zeer goed mogelijk, dat ergens een jacht zou opduiken, gebouwd naar het voorbeeld van de zeer zeewaardige en snelle palingaken, die de paling uit Friesland naar Engeland brachten, en zeker niet gedaan hebben. Ook in Zeeland kunnen voor zoekers naar wat nieuws nog heel wat typen van visschersschuiten gevonden worden, die wellicht de moeite en het geld waard zijn om er jachten van te maken. Een voorbeeld van iets dergelijks is het „Maassluissche platje", verder afgebeeld. Maar over het algemeen behooren toch de meeste bestaande ronde en platbodemjachten met kajuit wel tot een der typen boeier, Lemmer aak, Staversche jol, botter, hoogaars of schokker. Hierbij komt dan nog het grundeltype, sedert men grundels met kajuit is gaan bouwen.

Staversche jol
Als kleinste kajuitjacht vindt men hierbij een Staversche jol afgebeeld. Door de groote breedte kan van een visschersboot van dit type een zeer logeabel jachtje gemaakt worden. Het scheepje in ons voorbeeld is slechts 6 in lang, maar bezit toch drie goede slaaplaatsen. Stahoogte in de kajuit mag men natuurlijk in zulk een klein scheepje niet verwachten. Het type heeft het voordeel van zijn zeewaardigheid, maar er zijn ook nadeelen aan verbonden. De lange kiel maakt, dat het vaartuig slecht draait en het kost vaak moeite om het overstag 'te krijgen. Op zee is dit niet zoo heel erg en daar is het scheepje ook wel op zijn plaats, maar voor onze smalle binnenwateren is het minder aan te bevelen. Een bijkomend ongemak, eveneens door de lange kiel veroorzaakt, is dat men ermee zeer moet opletten, wanneer het schip eens door een sleepboot of motorjacht op sleeptouw wordt genomen. Het giert dan sterk, en het roer moet daarom zeer oplettend bediend worden, daar anders dwars komen en zelfs kapseizen "niet geheel uitgesloten zouden zijn. Vaak wordt voor de fok nog een kluiver met kluiverboom gevoerd.

Grundeljacht
Ons volgende voorbeeld is een grundeljacht met kajuit. Het scheepstype beschreven wij eveneens reeds bij de open jachten. Het torentuig, door de Aalsmeersche grundels gevoerd, bestaat uit een driehoekig grootzeil met lossen broek en een rijglijn om den mast; indien een fok gevoerd wordt grijpt het val in den masttop aan.

Maassluis platje
Volgt het „Maassluissche platje" (misschien lijkt het nog meer op een „Vollenhovensche bol"), de „Bruinvisch", die wij boven reeds aankondigden. Er behoort zeker heel wat kennis op dit gebied toe om het type te kunnen determineeren. Mij is het bijvoorbeeld onmogelijk te vertellen wat de intrensieke verschillen zijn tusschen dit type en een Lemmer- of botaak; waarschijnlijk spelen daarbij het platte vlak en de vorm van het voorschip de voornaamste rollen. Een inrichtingsplan ontbreekt; trouwens de inrichting wijkt niet van de algemeen gebruikelijke bij ronde jachten van deze afmetingen af: twee als kooien te gebruiken banken en eenige kasten in de kajuit, nog twee wat meer bekrompen kooien in het vooronder. Tusschen deze twee laatste kooien bevat de „Bruinvisch" een pompcloset.

Boeier
Het boeierjacht, waarvan het ontwerp hierbij is gereproduceerd, is een beroemde vertegenwoordiger van het type. Het is de boeier „Sperwer", een der beste voortbrengsels van den vroegeren Frieschen scheepsbouwer E. H. van der Zee te Joure. Het schip is nu meer dan 70 jaar oud en vaart in Engelsche wateren, waar het den naam „Hawke" kreeg en waar de enthousiaste eigenaar het in teekening liet brengen. In zijn jonge jaren behaalde de toenmalige eigenaar de heer Carl Jurrjens, er heel wat prijzen mee, o.a. won de „Sperwer", in 1890, '91 en '92 te Sneek den befaamden „Amerikaanschen beker".
In den vorm van het roer van de „Hawke" ziet men een der meest op den voorgrond tredende verschillen tusschen de typen tjotter en boeier. Ook mist een tjotter de berghouten, die bij een boeier voorhanden zijn. En dan is er de kajuitopbouw. De „Sperwer" is gepiekt gebouwd.
Voor gebruik op zee is een boeier, tenzij in zeer groote afmetingen, niet zeer geschikt. Het zeer platte voorschip doet het schip bij-den-wind niet gemakkelijk tegen den golfslag in vooruitkomen. Maar op onze binnenwateren hooren zij thuis en hier kunnen zij vaak een prachtigen aanblik leveren. Jammer dat ook dit type snel aan het uitsterven is !

Lemmeraak
De volgende teekeningen geven de plannen van het Lemmeraakjacht „Schollevaer II", waarbij op te merken valt, dat het dekhuisje, in het lijnenplan gegeven, niet tot uitvoering kwam. Zooals de lezer zal opmerken is de kop van een Lemmeraakjacht anders gevormd dan die van een boeier; ook de waterlijnen wijzen hierop. Dit en de smalle zwaarden maken dat het schip veel zeewaardiger is. Bij een schip van deze grootte kan men al veel eischen gaan stellen aan de inrichting. De breede kajuit geeft het voordeel, dat ze niet symmetrisch behoeft ingericht te worden; men krijgt daardoor een goeden doorloop naar voren en kan bij voorbeeld een gemoedelijke hoeksofa inbouwen. Merkwaardig bij de „Schollevaer" is het doorloopen van het kajuitdek tot voor den mast; dit is mogelijk daar het schip van staal gebouwd is - bij een houten schip zou de constructie van den mastkoker niet gemakkelijk sterk genoeg te maken zijn, daar op deze hoogte geen van boord tot boord doorloopende dekbalk kan aangebracht worden.

Botterjacht
Het botterjacht „Brandaris" was een van de snelste platbodemers van ons land. Het fraaie schip is helaas naar Frankrijk verkocht en volgens de laatste berichten op het Kanaal vergaan. Uit de teekening zien wij dat we met den botter weder tot een geheel ander type komen: de voorsteven is zeer hoog en spits, de waterlijnen zijn scherper en het vlak is plat. Als zeeschip is een botter boven de voorgaande soorten te prefereeren. Het zeer lage achterschip, dat de vischbotters hebben ter wille van het gemakkelijk behandelen der netten, is op vele botterjachten door een hooger achterschip vervangen; de „Brandaris" echter heeft het vrijwel behouden. Ook in een ander opzicht wijken de meeste botterjachten van het vischbottertype af, n.l. in het tuig. De vischbotters hebben een vrij achterlijk staanden mast, een klein grootzeil en een reusachtige fok, waarvan de schoothoorn tot ver achter den mast reikt. Op de jachten wordt dit vrijwel steeds vervangen door het gewone tuig onzer ronde en platbodemjachten, dat wij in ons hoofdstuk over de „hoofdvormen" het „boeiertuig" noemden. Wij zien in de teekening der „Brandaris", dat de zwaarden veel smaller en langer zijn, dan bij de voorgaande typen van boeiers, tjotters en dergelijke. Dat hangt samen met de te bevaren wateren. Botters, Lemmeraken en schokkers zijn bedoeld voor de Zuiderzee, hoogaarsen voor de Zeeuwsche stroomen, en op deze vrij rumoerige wateren zou een breed boeierzwaard niet op zijn plaats zijn, daar het bij zwaren golfslag gemakkelijk zou kunnen breken.
Een wat kleiner botterjacht, van 11 bij 3.54 m, is hierbij eveneens afgebeeld. Het is het werk van de werf A. Kok te Huizen, die sedert jaar en dag botters bouwt,
aanvankelijk alleen voor de visscherij, later, sedert de indijking van de Zuiderzee, hoofdzakelijk voor de pleziervaart. Bij dit ontwerp zien wij het ietwat hoogere achterschip, waarvan hierboven sprake was. Wat het tuig aangaat is echter het voorbeeld der vischbotters geheel gevolgd : wij zien hier de groote „visschermansfok", die tot ver achter den mast reikt en daardoor geheel het werk van een Genua-fok doet. Voor de te behalen snelheid is zulk een fok op een botter zeker verre te prefereeren boven een fok als op de „Brandaris", maar de benoodigde kracht bij de behandeling van dit groote zeil maakt sommige pleziervaarders er huiverig voor. Bij den bouw van het 11 m lange botterjacht was een der eerste eischen van den opdrachtgever: rijkelijke stahoogte in de kajuit en zelfs werden de afmetingen van het schip hiernaar vastgesteld. Het bleek daarbij, dat een lengte van 11 m noodig was om een stahoogte van ca. 2 m mogelijk te maken zonder te vervallen in een te hoogen, dus leelijken opbouw. In de slaaphutten in het vooronder is alleen werkelijke stahoogte onder het schijnlicht; verder bedraagt hier de hoogte ongeveer 1.70 m.
Het inrichtingsplan ontstond geheel volgens de wenschen van den opdrachtgever. Er Zijn in het geheel zeven slaapplaatsen.. Vier daarvan zijn gelegen in de beide slaaphutten vóór en zijn zoo ingericht, dat twee kooien dwarsscheeps liggen, met de voeteneinden boven elkaar. In de stuurboordshut is daardoor nog plaats gevonden voor een groote linnenkast onder de langsscheepsche bovenkooi. In den salon bevindt zich een uitschuifbare tweepersoonskooi en tenslotte is er achter aan bakboord nog een klein afgeschoten hutje met een hondenkooi, welke ruimte in het algemeen als bergplaats dienst doet, maar bij groote tochten kan dienen als slaapplaats voor een betaalden man. Er zijn verder een ruime toiletgelegenheid, een groote kombuiskast en vele hang- en legkasten.

Hoogaars
Met het hoogaarsjacht „Jetty" kunnen wij eveneens een van de beste vertegenwoordigers van dit. type vertoonen, een type, dat als voorbeeld de schepen van Zeeuwsche visschers nam. Het lang uitgetrokken voorschip, op een rechten stevenbalk gebouwd, is het hoofdkenmerk van een hoogaars. Bij het droogvallen op een plaat - iets waarmee in Zeeland vooral rekening moet gehouden worden - wordt het roer wat opgelicht, zonder dat daarbij gedacht behoeft te worden dat de roerhaken uit de vingerlingen wippen. De „Jetty" is thans in Belgisch bezit. Ook bij het hoogaarsjacht is het oorspronkelijke tuig, een spriettuig, door het boeiertuig vervangen.

Schokker
Als laatste platbodemontwerp toonen wij de teekeningen van een schokkerjacht, vervaardigd door H. Kersken, die reeds vele plannen van ronde en platbodemjachten op zijn naam heeft staan. De hoekige voorsteven en de vorm van het boeisel met de uitschulping vóór zijn de typische eigenschappen van dit vrijwel uitgestorven scheepstype. Terzijde van den voorsteven en op eenigen afstand daarvan bevindt zich een klamp of klos hout in denzelfden vorm als de voorsteven. Tusschen dien klamp en den voorsteven zelf bevindt zich een rol, waarover de ankertros loopt. Het anker, een vierhandige dreg, wordt bij niet-gebruik tot in den voorsteven opgehaald. De groote visschermansfok, in het zeilplan aangegeven, zal stellig de snelheid van het schip zeer kunnen opvoeren, maar de behandeling ervan zal veel kracht en vooral handigheid vereischen. Wat de inrichting aangaat : de plaats van de W.C. komt ons niet zeer geschikt voor, noch de ruimte, waarover men in dit onmisbare compartiment beschikt. In het groote vooronder zijn twee vaste kooien en een klapkooi aangebracht, de laatste alleen te gebruiken na wegname van de trap.
Het grootste platbodemjacht van de Nederlandsche jachtvloot is eveneens , een schokker. Het is het schokkerjacht „Margaretha", waarvan een foto hierbij is weergegeven. Met zijn 23.70 m lengte en 6 m breedte is dit een reusachtig schip, snel en zeewaardig. Het maakte vele snelle reizen over de Noordzee en het Engelsche Kanaal. Het jacht werd in 1895 gebouwd door den scheepsbouwmeester D. Duivendijk te Willemstad en was het laatst in gebruik o. a. bij een groep zeeverkenners te Schiedam.

pdf Zeilen: Voorbeelden van Booten en Jachten door HCA van Kampen

Hermann Carl Anton van Kampen (1881-1946)

Eerde Beulakker schrijft in zijn boek 'Onderscheid moet er zijn' het volgende over Van Kampen:
Van Kampen kreeg als watersporter landelijke bekendheid omdat hij als mede-oprichter en hoofdredacteur de Waterkampioen negentien jaar naar zijn smaak modelleerde. Voor hem was dit populaire ANWB-watersportblad een podium voor zijn persoonlijke vaarenthousiasme en opvattingen over alle mogelijke kwesties die de pleziervaart betroffen. Door die jarenlange journalistieke bemoeienis met de watersport verwierf Van Kampen een invloedrijke positie binnen de KVNWV en het netwerk van de talrijke verenigingen. 
Van Kampen ontwierp en tekende (als autodidact) door de jaren heen honderden, vooral kleine jachten en publiceerde daar regelmatig over in de Waterkampioen. Zijn bootjesliefde en hand van tekenen lieten een breed scala toe: wedstrijdboten, kajuitzeiltoerjachten, motorjachtjes, open zeilboten, woonboten en een grundel. Ook besprak hij vaak Amerikaanse, Engelse, Franse en Duitse jachtontwerpen. In feite publiceerde hij al een aantal jaren eerder in De Watersport en Ons Element, Watersportbladen waarvan hij redactiemedewerker was. Maar met zijn stroom aan publicaties in de Waterkampioen groeide hij uit tot een begrip. Hij was de Waterkampioen. 
Schoonheid stond bij Van Kampen als jachtontwerper zeker niet voorop, wel functionaliteit. Daarbij wogen de kosten van aanschaf en onderhoud zwaar voor hem. De eerste helft van jaren '30 waren immers rampjaren terwijl zijn leus bleef: 'iedereen moet het water op', Van Kampen: 'Wat doeltreffend is, is ook mooi! Dit is een waarheid, die ook in de wereld van den jachtbouw dikwijls bewezen is: vroeger vond men eerst den klipperboeg leelijk in vergelijking met den rechten voorsteven, en daarna den lepelboeg leelijk in vergelijking met den klipperboeg. Maar niettegenstaande dat werd het pleit beslist ten gunste van het doeltreffendste'," 
Van Kampen had met zijn stand punt 'dat vorm functie volgt' zeker een punt. Was eeuw na eeuw, zoals we eerder zagen, vracht- en personenvervoer de hoofdfunctie van scheepvaart, en waren daardoor de schepen vooral 'recht en hoekig', plezierboten maakten zich van dit concept los. 
Van Kampen schreef ook boeken, soms als co-auteur. Het waren toegankelijke boeken over de pleziervaart. En omdat hij vaardig leerde tekenen, maakte hij zelf nogal eens de illustraties. De volgende titels verschenen onder andere van zijn hand:

  • De Kanosport;
  • Nederland als waterland;
  • Schepen die voorbij gaan;
  • Varen;
  • Het water op;
  • Zeilen voor beginners;
  • De Zuiderzee, een herinneringsboek.
  • Als laatste, om er extra aandacht op te vestigen, noem ik: De Zeilsport.

De eerste druk verscheen in 1924 bij de eigen familie-uitgeverij P.N. van Kampen te Amsterdam. Het lijvige boek, dat door de jaren heen de status van 'monument' verwierf, was geschreven vanuit het idee zo'n beetje alles wat met zeilen van doen had te beschrijven. De Zeilsport beleefde acht drukken en was zeker tot in de jaren '80 van de vorige eeuw de raadgever van zeilers.

De eerste druk is in 1924 verschenen, de laatste in 1977

Nederlands, 787 pagina's, 8e geh. herz. dr.,  januari 1977
ISBN10  9060911784
ISBN13  9789060911785

Terug naar vorige pagina