Hoop op Beter
20-05-2026
Het Jaarboek 2025 van het Fries Scheepvaart Museum in Sneek is uitgekomen en niet ten onrechte wordt daarin (op p. 27) door Jelle Koenen aandacht besteed aan een nieuwe aanwinst: journalen van Marten Johannes de Boer (1857- 1931). Marten was een vrije schipper uit Workum die met zijn Friese tjalk ‘Hoop op Beter’ vooral in de noordelijke helft van Nederland transporten verzorgde. Daarvan hield hij een soort boekhouding bij in notitieboekjes en twee daarvan zijn bewaard gebleven en gaan over de periodes 1889-1902 en 1914-1925. Dergelijke boekjes bevatten meestal waardevolle informatie, vooral omdat ze zelden bewaard blijven. Ze zien er een beetje onooglijk uit, vol aantekeningen en meer niet. Als het schip verkocht wordt of de schipper komt te overlijden is er op dat moment eigenlijk voor de nabestaanden geen reden om dergelijke boekjes te bewaren. Deze twee zijn dus bijzonder, want zeldzaam.
Fries Scheepvaart Museum - Nieuw in de collectie - Voor het archief: Journalen van Marten Johannes de Boer
Twee onooglijke notitieboekjes geven een schat aan historische gegevens over de bedrijfsvoering van een vrije schipper uit Workum: Marten Johannes de Boer. In twee periodes (1989-1902 en 1914-1925) hield hij nauwgezet alle vaarten met zijn tjalk Hoop op Zegen bij. Niet alleen beschrijft hij de lading en bestemming, maar tussendoor ook alle kosten voor laden en lossen, sluizen en bruggen en sleep- en jaaglonen. Om tenslotte per vaart zijn brutowinst te berekenen. Een fascinerende hoeveelheid gegevens die achterkleinzoon (en naamgenoot) Marten de Boer en mathematisch antropoloog Wim Dechering inspireerden tot een complete statistische analyse, die zij schonken bij de boekjes. Afgezien van een inkijk in de financiële huishouding aan boord, valt op dat niet alleen met vracht werd gevaren. Geheel onverwacht blijkt deze tjalkschipper ook visser te zijn geweest. Gedurende de lentes van 1900-1902 staan er ansjovisvangsten genoteerd. Kennelijk was dat in die periodes een aantrekkelijker bedrijf dan het varen met vracht! Hoe dat vissen precies ging met een tjalk, staat er helaas niet bij vermeld
Af en toe duikt er nog onverwacht uniek materiaal op bij nazaten van schippers of vissers die zijn gaan inzien dat het na honderd jaar om historisch belangwekkende informatie gaat. Ook voelen zij zich persoonlijk en emotioneel verbonden met zulke geschriften omdat het van hun voorouders afkomstig is. Zo wordt er bijvoorbeeld door de familie Haagsma belangwekkend historisch materiaal bewaard over de palinghandel van Workum op Londen. Originele kasregistraties van schippers die met de aken van Haagsma op Londen voeren, die bewaard en gekoesterd worden bij Siebe Bokma in Workum, een oudere neef van Siebe Haagsma uit Leeuwarden die eveneens origineel materiaal heeft. Ik schreef er een ‘verhaaltje’ over onder de kop ‘Palinghandel, een financieel onzeker bedrijf’.
De overgebleven journalen over de vrachtvaart met de tjalk ‘Hoop op Beter’, vastgelegd in notitieboekjes van Marten Johannes de Boer, werden bewaard door de achterkleinzoon van de schipper, tevens naamgenoot, Marten de Boer uit Oegstgeest. Vorig jaar benaderde hij mij. Hij had in samenwerking met de mathematisch antropoloog Wim Dechering de informatie uit deze boekjes door Wim statistisch laten bewerken en toegankelijk laten maken in overzichtelijke grafieken en diagrammen. Voor de historische context bij de cijfers had hij gebruik gemaakt van mijn boeken over de binnenvaart en de Zuiderzeevisserij. Ik ontving van hem een conceptversie van dat door hen gemaakte boekje dat moet dienen als toelichting bij de bewaardgebleven journalen van de schipper. Of ik daar eens naar wilde kijken. Nou, daar was ik natuurlijk toe bereid. Die notitieboekjes waren historisch gezien natuurlijk het belangrijkste en vormden de bron van het statistiek onderzoek van Wim Dechering. De toegankelijkheid en de overzichtelijkheid van de inhoud van de informatie van schipper Marten Johannes de Boer was door dat statistisch werk en de mooie presentatie in kleurrijke grafieken zeer toegenomen. Moeilijk toegankelijke aantekeningen van ruim honderd jaar geleden zijn dankzij het vakkundige werk van Wim Dechering veranderd in heldere informatie. Ik kon een paar plaatsnamen waar schipper De Boer zijn lading ophaalde of naar toe bracht verduidelijken. De schipper gebruikte namelijk ook oude plaatsnamen die tegenwoordig niet altijd meer gebruikelijk zijn.
Gelegenheidsvissers
Jelle Koenen van het FSM meldt in het Jaarboek nog een verrassing: ‘Geheel onverwacht blijkt deze tjalkschipper ook visser te zijn geweest. Gedurende de lentes van 1900 – 1902 staan er ansjovangsten genoteerd. Kennelijk was dat in die periodes een aantrekkelijker bedrijf dan het varen met vracht Hoe dat vissen precies ging met de tjalk staat er helaas niet bij vermeld.’
Dat vrachtschippers in de goede ansjovisjaren ook daarvan een graantje wilden meepikken, is overigens niets nieuws. Ook schoolmeesters en postbodes deden dat. Het waren ‘gelegenheidsvissers’ die zich eenvoudig bij hun gemeente lieten registreren voor de Zuiderzeevisserij en daarmee een vergunning kregen. Hoe zij dat vissen deden? De schoolmeester en de postbode met een roeiboot of een boatsje met daarin de beug, het staandwant. De vrachtschipper beschikte in de regel wel over een sloep of een vlet. De Zuiderzeevissers met een botter of een Lemsteraak visten als ze met staandwant visten, ook niet vanuit die botter of aak, maar met een groot vlet dat ze met de botter of aak meesleepten naar de visgronden. De beug lag in het gesleepte vlet. Gelegenheidsvissers gebruikten van alles wat maar varen wilde. Roeiboten, punters en ook voormalige reddingsloepen. Maar ook heel andere schepen. In de grootste vissershaven van Friesland, De Lemmer, viste Jan Poepjes met een tjalk, de LE6. Bakker gebruikte in 1931 een sleepboot (LE22), evenals Wagenmaker (LE 26) en Johannes Postma (LE77). Gerrit van der Zee viste in 1912 met een klipper (LE77) evenals Van de Zande (LE87). Jacob Pilon gebruikte een vrachtschip (LE79) en Jan Pilon een tjalk. Braamhorst koos voor een stoomsleepboot (LE90) en ook Van Koningsveld had in 1925 een stoomsleepboot (LE93) evenals Jelte van der Zee (LE111). En zo zijn er nog meer voorbeelden van Lemster vissers die met een schip visten dat niet voor de visserij was gebouwd.
Marten wilde de boekjes en de begeleidende tekst aanbieden aan het Museum Warkums Erfskip, dat gehuisvest is in de 17eeeuwse Waag van Workum. Daar nodigde hij ook mij bij uit en daar in Workum kreeg ik de notitieboekjes ‘in het echt’ te zien. Afwegende wat de beste bestemming voor dit bijzondere materiaal zou zijn, kwamen we met de vertegenwoordiger van Warkums Erfskip tot de conclusie dat ze het beste bij het Fries Scheepvaart Museum konden worden aangeboden. Ter plekke werd dat contact gelegd en enige weken later kwamen Marten en Wim bij mij langs in Drachten om wat persoonlijk kennis te maken. Met Wim had ik bij de koffie een interessant gesprek over het wetenschapsniveau van de bij de antropologie toegepaste methoden als participerende observatie. Dat afgezet tegen de normen uit de wetenschapsfilosofie van Karl Popper. Vervolgens reden zij naar Sneek om het voor het FSM belangwekkende materiaal daar te overhandigen. Dus ‘sa doande’!