Overleven door vernieuwing
15-07-2026
Vaak wordt nog gedacht dat het uitgangspunt van ‘survival of the fittest’ in de evolutietheorie van Darwin betekent dat de sterksten overleven. Zo is het echter niet. Darwin bedoelde dat de soorten die overleven, de dieren, planten en organismen zijn die zich het beste aanpassen aan veranderingen die hun overkomen. De sterkste is dan de meest flexibele en creatiefste soort die erin slaagt mee te veranderen met de ontwikkelingen in zijn ‘Umwelt’. Dat geldt natuurlijk ook voor de hoog ontwikkelde diersoort die wij ‘mens’ noemen. Mensen zijn daarbij niet zozeer solitair levende individuen, maar sociaal-culturele gemeenschappen. Wat dat met scheepvaart en watersport te maken heeft? Daarvoor kijken we bijvoorbeeld naar de maritieme geschiedenis in Nederland van de afgelopen honderd jaar.
Honderd jaar geleden was er nog de zeilende vrachtvaart met relatief kleine schepen. Sommige schippers hadden een hulpmotor in hun schip, maar dat waren uitzonderingen. Wel waren er stoom- en motorbeurten en sleepboten die hun diensten aanboden. Wat vergeleken met onze tijd vooral opvalt, is de kleinschaligheid. De vrachtscheepjes brachten hun lading naar ieder dorp dat maar over water bereikbaar was. In vele dorpen waren er ook scheepswerfjes, want die vele vrachtscheepjes hadden een cruciale transportfunctie en kwamen overal, dus konden ook overal gebouwd en onderhouden worden. In Friesland had een klein stadje als IJlst in 1832 maar liefst zeven scheepswerfjes: scheepswerf wed. Veldhuis, schuitenmaker Dijk, scheepstimmerschuur Hendriks, werf Croles, scheepstimmerschuur Nijdam, scheepstimmerwerf Hoekstra en mede Erven Wijtze Willems en scheepswerf Sibble Wytzes Hoekstra. Aan het einde van de 19e eeuw waren in de ‘vlecke Drachten’ vier scheepswerven gevestigd. Drie van de scheepsbouwersfamilie Van der Werff en één van de Gebroeders Roorda. Een ‘vlecke’ was de naam voor een voor die tijd flinke plaats zonder stadsrechten. En zo waren in Friesland overal in dorpen en steden scheepstimmerwerven, die nu vrijwel allemaal verdwenen zijn. De tijden veranderden en de werfbazen zagen geen mogelijkheid die veranderingen bij te benen. Of ze hadden daar gewoon geen zin in.
In Friesland vormde de familie Van der Werff een ware ‘scheepsbouwersdynastie’ die begon in Drachten in het midden van de 18e eeuw en zich vervolgens verspreidde over tal van Friese steden en dorpen. De scheepswerf waar alles begon is gevestigd naast het Buitenstvallaat van de Drachtster Compagnonsvaart. In 1641 werd een buitenste sluis aangelegd voor de aanleg van een turfvaart via Drachten naar Bakkeveen. In 1710 werd daar bij de sluis een werf gesticht, zo’n vier kilometer ten westen van dat veendorp. Pieter Haykes werd daar in het midden van de 18e eeuw scheepstimmerman. Hij erfde in 1774 de werf aan de Noorderdwarsvaart in Drachten en werd in 1811 bij de invoering van het bevolkingsregister de eerste scheepsbouwer in die familie die ‘Van der Werff’ ging heten. Zijn werf in Drachten werd bekender dan die aan het Buitenstvallaat. Vanuit zijn werf ontstond een tweede Van der Werff-werf in Drachten, aan de Langewijk naar Ureterp – Bakkeveen. Zonen van die twee generaties Van der Werff verspreidden zich over de provincie. Vanuit de werf aan de Langewijk naar in Warga en van daar uit gingen weer twee zonen naar respectievelijk Leeuwarden (Welgelegen op Schilkampen) en Stavoren (de Volharding). Op dit moment kent de werf op het Buitenstvallaat zonder onderbreking vanaf 1843 een Van der Werff als werfbaas, Haiko van der Werff, die zijn bedrijfje in onze tijd draaiende houdt met cascobouw voor derden, reparaties en restauraties en met het ontwikkelen van een skûtsjecentrum bij zijn werf.
Scheepswerf Volharding in Stavoren ontstond toen Auke van der Werff in 1918 de oude houtwerf van Ids Strikwerda overnam en deze ombouwde tot een ‘ijzeren scheepsbouwwerf’ voor binnenschepen en vissersvaartuigen. Die scheepsbouwwerf is op dit moment, meer dan honderd jaren later, de koninklijke Jachtwerf Volharding Stavoren, die vooral bekend is om zijn zeewaardige, luxe motorjachten. De Volharding bouwt ‘Sturiërs’, die varen bij IJsland, in Scandinavië, natuurlijk ook in Nederland, maar ook in Portugal en de Mediterranee. De onderscheiding van ‘koninklijk’ werd deze werf in 2018 toegekend, toen ze honderd jaar bestond en zich op dat moment positief onderscheidde op kwalitatief gebied binnen het segment waarin ze actief was (en nog is). Het succes van die werf is te danken aan het aanpassingsvermogen en de vernieuwingsdrang van drie generaties werfbazen Van der Werff. Waar diverse Van der Werff-werven in de loop der jaren het loodje legden, wisten de werfbazen in Stavoren niet alleen te overleven, maar hun onderneming ook op een hoger niveau te brengen.
In Stavoren investeerde Auke van der Werff (1892-1964) in 1918 in de ombouw van de oude houtwerf binnen de zeesluis. Daar werden Staverse vissersjollen en sloepen gebouwd. Nieuw was voor die jaren de aanleg van een brede dwarshelling bij de Volharding met hellingwagens die elektrisch omhooggetrokken werden. Bij het weer te waterlaten van de schepen reden ze uit zichzelf wel naar het water van de Stadsgracht. De helling werd gebruikt voor onderhoud. Nieuwe schepen werden gebouwd op de oever tegenover het grote treinstation dat Stavoren in die tijd nog had. Luxe motors, spitsen, klippers en beurtschepen. Na de afsluiting van de Zuiderzee ook vissersschouwen. Tijdens de oorlog kreeg de werf het moeilijk. Auke wilde niet voor de Duitsers bouwen, wat na de oorlog ertoe leidde dat hij door de overheid weinig staal kreeg toebedeeld, omdat hij de voorgaande jaren immers ook niet veel nodig had. Werven die wel voor de bezetters hadden gewerkt, gingen voor. Scheepswerf Volharding zette toen versterkt in op onderhoud van binnenvaartschepen, op de bouw van ‘Stavokruisers’ voor de pleziervaart en het onderhouden van vissersschepen.
In de zestiger jaren had Aukes zoon Anton (1938-2020) de leiding bij de scheepswerf van zijn vader overgenomen. Hij zag dat je iets bijzonders moest doen om bekend te worden op de markt van plezierschepen en jachten. Hij dacht in het nieuws te kunnen komen met de bouw van twee stalen Staverse jolletjes, in de winter van 1962-1963. Zijn vader leek dat geen goed plan. Die scheepjes waren volgens hem te klein en te duur. De pleziervaarders konden zich door een stalen schouw te bestellen voor minder geld een ruimer schip aanschaffen.
Anton zette echter door en kreeg opvallend veel aandacht met zijn jolletjes. In de Waterkampioen verscheen in 1964 een groot artikel en ook de Leeuwarder Courant toonde dat jaar belangstelling. Die zag dat hier scheepsbouwers aan het werk waren die een rond schip wisten te bouwen, heel anders dan de plaatwerkers die een knikspant schouw konden maken. Helaas bleef het bij kijkers en kwamen de kopers niet opdagen. Met enige moeite werd de linker jol op de foto wel verkocht (de ‘Ansjovis’, ST63), maar de andere jol niet. De Ansjovis had ik in 1964 wel zien varen, maar ook weer uit het oog verloren. In 1967 zag ik bij De Volharding de rechter jol als casco in een hoekje van de loods staan. Ik kocht het casco en begon in de herfst met het gereedmaken voor de vaart, zodat ik in het voorjaar van 1968 ermee kon zeilen. In die jol vaar ik nog steeds, zij het dat ik het scheepje in de loop der jaren regelmatig aanpaste aan de voor ons gezin veranderende omstandigheden.
Er werden bijna 130 van gebouwd, al spoedig ook in grotere maten.. (Foto: DH)
Na het wat mislukte jollenavontuur bouwde Anton voor Yke de Vries in Laaksum een schouw met kotterkop en even later voor Jelle Zwaan een viskottertje met het grootspant van een schouw, maar kop en kont van een echte kotter. Een aardig scheepje, dat hij doorontwikkelde tot een motorjacht. De jaren zeventig werden topjaren voor de jachtbouw. Toen Anton zijn ‘Staverse kotter’ had gepresenteerd op de ‘Recreana’ in Leeuwarden, stroomden onverwacht de opdrachten binnen. Het model bleek een schot in de roos te zijn in een periode dat de watersport tot bredere ontwikkeling kwam.
De scheepswerf aan het Hellingpad in Stavoren werd al spoedig te klein voor de kotterbouw, zodat Anton in 1988 een loods liet bouwen aan de Kooijweg, aan de overzijde van de Spoorhaven van Stavoren. Daar werd de bouw van kotters efficiënt en planmatig georganiseerd. Op de oude werf aan het Hellingpad kregen de jonge idealisten die voormalige werkscheepjes restaureerden tot zeilende charterschepen van Anton nog meer de ruimte om aan hun schepen te werken met af en toe ondersteuning vanuit de werf.
De oude werf was in 1843 gevestigd binnen de sluis en was voor de bewoners van Stavoren in de 20e eeuw vanzelfsprekend een bedrijf dat voor levendigheid zorgde en voor de oude mannen gespreksstof opleverde. Het landelijk- en provinciale beleid ontwikkelde zich echter heel anders. Dergelijke bedrijven die ook nog eens een bron konden zijn van veel lawaai, die hoorden niet thuis binnen de bebouwde kom, in een woongebied, zo vond de politiek. De werf moest dus verdwijnen. Dat bleek niet zo eenvoudig, want de grond onder de dwarshelling was vervuild met olie en teer. Bij opheffing van de werf moest die bodem gereinigd zijn. Na lang touwtrekken en onderhandelen werd besloten de vervuilde grond ‘in te pakken’, waarna alle scheepsbouwactiviteiten van de Volharding zich zouden concentreren bij de Spoorhaven, waar de kotters al werden gebouwd. In 1998 werd de werf aan het Hellingpad beëindigd. Het werfterrein werd ingepakt en kreeg van boven een betonnen afdichting. De jongste zoon van Anton, Arthur van der Werff, begon op die plek zijn scheepsmakelaardij het Nautisch Kwartier. Zo’n dienstverlenende onderneming was op die plek wel toegestaan.
In het midden van de negentiger jaren had de oudste zoon van Anton, Auke van der Werff, de leiding overgenomen van de jachtbouw aan de Kooijweg bij de Spoorhaven. Hij bouwde het bedrijf om tot een echte jachtwerf, waar Anton aan de Spoorhaven ook nog wel eens een viskotter bouwde. Dat laatste was nu verleden tijd. Ook de ontwikkeling van de succesvolle Staverse kotter werd aangepast. Er kwam nog één gemoderniseerde versie uit onder een nieuwe naam: de Sturiër 400 Ocean Cruiser. Daarna volgden vele nieuwe ontwerpen, die niet langer gemaakt waren door de werfbaas zelf, geduldig werkend aan de tekentafel, maar in samenwerking met een ontwerpbureau, dus aangepast aan onze tijd. Jachten teken je niet meer, maar ontwerp je op de computer. De nieuwe Sturiërs werden groter dan de kotters en zeker ook voorzien van veel meer luxe en techniek. Ze waren bestemd voor de internationale markt, voor een kapitaalkrachtiger doelgroep dan Anton met zijn kotters voor ogen had. Auke liet nog een tweede productiehal bouwen langs de Kooijweg, waarmee hij de ruimte kreeg die hij voor deze jachtbouw nodig had.