Skûtsjes zeilen met hun tijd mee

29-07-2026

Dit jaar is bij het SKS-skûtsjesilen voor het eerst publiekelijk duidelijk geworden, dat er sprake is van een nieuwe versie, een nieuwe presentatie en beeldvorming rond dit folkloristisch wedstrijdzeilen. Zeg maar een update van Skûtsjesilen 2.0 naar Skûtsjesilen 3.0. Het skûtsjesilen dat direct na de oorlog werd opgericht door de Sintrale Kommisje Skûtsjesilen (SKS) was natuurlijk een geforceerde, maar wel succesvolle, actie om het traditionele skûtsjesilen van de 19e en 20e eeuw na de Tweede Wereldoorlog niet geheel verloren te laten gaan.

Zeilwedstrijd voor vrachtschepen in 1906
Zeilwedstrijd voor vrachtschepen in 1906

Dat oorspronkelijke Skûtsjesilen 1.0 werd ’s zomers decentraal door kasteleins georganiseerd tijdens dorpsfeesten als ‘hardzeildag voor beurt- en vrachtschepen’. Daar was bij schippers die over een snel scheepje beschikten in de slappe zomertijd best animo voor, want er kon geld mee verdiend worden. Voor de feestvierders in het dorp was het een mooie attractie en de kastelein zag zijn omzet stijgen. Deze wedstrijden werden georganiseerd na Franse Tijd, zo vanaf 1820, en handhaafden zich meer dan honderd jaar. Vanwege de toenemende motorisering van de binnenvaart in de dertiger jaren nam het aantal deelnemende schippers natuurlijk wel af. Ook was het aantal deelnemers eigenlijk maar beperkt. Meestal zo’n 10 tot 15 schepen verschenen aan de start. Schippers met een traag schip gingen daar uiteraard geen wedstrijden mee varen. Het skûtsjesilen concentreerde zich in de loop der jaren rond een beperkt aantal schippersfamilies, met ook nu nog legendarische namen als de Zwaga’s, Meeters, Van Akkers, Salverda’s, Brouwers, Van der Meulens, Minken, Blommen, Hoekstra’s, Ritsma’s en nog enkele.

Skûtsjesilen in 1925
Skûtsjesilen in 1925

De zeilwedstrijden voor vrachtscheepjes in Friesland zouden in de dertiger jaren een natuurlijk einde hebben gekregen, als er niet in en na de oorlog een opleving was geweest voor de zeilende vrachtvaart vanwege het tekort aan gasolie voor de gemotoriseerde vrachtvaart. Om die toch wel bijzondere wedstrijdzeilen niet verloren te laten gaan, werd daarom in 1945 de SKS opgericht, een overkoepelend orgaan dat eenheid bracht in de organisatie bij de diverse wedstrijdcommissies in de dorpen en steden. Dat werd in mijn ordening hier dus het skûtsjesilen 2.0, waarbij de invloed van de SKS zich in de loop der jaren steeds sterker deed voelen. Voor een eerlijke zeilwedstrijd moeten de schepen immers zo gelijk mogelijk zijn. De zeilers moeten het verschil maken en niet de schepen.

pdf Spiegel der Zeilvaart 2020 nummer 4 - 75 jaar Sintrale Kommisje Skutsjesilen

Skûtsjesilen in SKS-verband op De Veenhoop in 1962. De schepen zijn geadopteerd door hun ‘thuishaven’, door een stad of dorp in Friesland. Ze zien er nog uit zoals ze waren als vrachtscheepje: de mast ver naar voren, de mast relatief kort, het tuig laag.
Skûtsjesilen in SKS-verband op De Veenhoop in 1962. De schepen zijn geadopteerd door hun ‘thuishaven’, door een stad of dorp in Friesland. Ze zien er nog uit zoals ze waren als vrachtscheepje: de mast ver naar voren, de mast relatief kort, het tuig laag.

Maar wel hun thuishaven met een letter in het grootzeil. Voorop vaart het Philipsskûtsje uit Drachten, van de scheerapparatenfabriek

Vooral dankzij Lodewijk Meeter (1915-2006) uit Huizum (zuidelijk van Leeuwarden) bleef het skûtsjesilen als jaarlijkse wedstrijd bestaan. Na de oorlog lagen de grachten van Sneek en Leeuwarden vol skûtsjes die nog bewoond werden door schippersfamilies. Niet geheel uit vrije keuze, maar vanwege de woningnood na de oorlog. De schippers die bleven varen, waren overgestapt op een motorschip. Voor de wedstrijden in de zomer moesten die zich dus vrij maken om te kunnen zeilen. De skûtsjes werden vanwege de hoge kosten niet meer goed onderhouden en takelden af, dus zag het er niet goed uit voor het voortbestaan van deze traditie. De SKS stapte daarom over op een ander model: niet de schippers onderhielden de skûtsjes, maar stichtingen die zich verbonden met de inwoners van dorpen en steden. Die stichtingen zorgden ervoor dat hun skûtsjes goed onderhouden werden en zo konden deelnemen aan de wedstrijden in de zomer. 

Maar hoe houd je de schippers verbonden met die wedstrijdzeilerij, als zij met hun motorschepen vrijwel steeds onderweg waren? Daar zorgde oud-schipper Lodewijk Meeter voor, die zijn (oud)collega’s op directe wijze wist aan te spreken en aan de Potmarge in Huizum voor de wedstrijden (als particulier ondernemer) een skûtsje opknapte en klaarmaakte als wedstrijdschip voor de SKS. Zijn skûtsje was daarmee het eerste ‘wedstrijdskûtsje’ uit de geschiedenis. De ietwat eigenzinnige Lodewijk Meeter was daarmee zijn tijd vooruit. De stichtingen die een skûtsje beheerden, zagen later ook in dat het noodzakelijk was de schepen  niet alleen redelijk te onderhouden, maar ze ook te gaan zien als wedstrijdschip. Dus als zeilscheepje dat snel moest zijn om een wedstrijd te kunnen winnen. 

Na een wat experimentele periode waarin deze 14 SKS-skûtsjes omgebouwd werden tot wedstrijdskûtsjes, werd er zoveel veranderd aan de schepen, dat de centrale organisatie regulerend moest optreden. Het traditionele uiterlijk van de schepen dreigde verloren te gaan. Alles werd op eigen houtje uit de schepen gesloopt om deze lichter te maken. Zelfs de aardige roefbetimmeringen werden eruit gebroken. Dat werd te gek. Er werd daarom onderzocht hoe de schepen zo vergelijkbaar mogelijk konden worden gemaakt. De afmetingen werden genormeerd, het gewicht in relatie gebracht met het zeiloppervlak, de SKS liet stabiliteitsberekeningen maken en normeerde daarmee de wedstrijdskûtsjes. Ook aan het uiterlijk werd gedacht, evenals aan de betimmering van de roef. Die normeringen leidden uiteraard niet tot meer variatie tussen de schepen in de SKS-vloot, maar tot meer uniformiteit. De voormalige vrachtscheepjes die allemaal verschillend waren, werden geüniformeerd binnen de gestelde normatiek. Langzaam maar zeker bleek er zodoende na enkele tientallen jaren een eenheidsklasse te zijn ontstaan: het wedstrijdskûtsje van de SKS. Tegenwoordig wordt er zelfs al gesproken van een ‘authentiek wedstrijdskûtsje’, wat natuurlijk een vreemde formulering is, want dat heeft met de historische authenticiteit van deze voormalige vrachtscheepjes niets van doen.

‘Authentieke wedstrijdskûtsjes’ als eenheidsklasse. (Foto: Thomas Vaer/Tom Coehoorn)
‘Authentieke wedstrijdskûtsjes’ als eenheidsklasse. (Foto: Thomas Vaer/Tom Coehoorn)
Het skûtsje van Drachten in 2024 bij Elahuizen. Geen zeilend vrachtscheepje meer, maar een wedstrijdmachine. Geen zeilende schipper met vrouw en knecht, maar 14-koppig team dat zeilt. (Foto: Thomas Vaer/Tom Coehoorn)
Het skûtsje van Drachten in 2024 bij Elahuizen. Geen zeilend vrachtscheepje meer, maar een wedstrijdmachine. Geen zeilende schipper met vrouw en knecht, maar 14-koppig team dat zeilt. (Foto: Thomas Vaer/Tom Coehoorn)

Wie dacht dat daarmee het SKS-skûtsjesilen uitontwikkeld was, die heeft het mis. Het seizoen 2026 kenmerkt zich door een nieuwe aanpak bij de beeldvorming die tamelijk fundamenteel is. Het is een soort upgrade naar Skûtsjesilen 3.0. Voor deze upgrade lag het accent bij de verslagen over het skûtsjesilen via de media nog sterk op de geschiedenis, op de relatie met de wedstrijden waar de schippers met hun vrachtscheepjes voor de oorlog aan deelnamen. Dat format raakt echter uitgewerkt. In de zestiger jaren waren de wedstrijden in de ogen van liefhebbers nog spectaculair. De oevers langs het wedstrijdwater zagen ‘zwart van de mensen’ die betaalden voor de entree, terwijl een vloot van watersporters langs de oevers lag afgemeerd en als bijdrage aan de organisatie een wimpel hadden gekocht. Die tijd is echter voorbij. De babyboomers die nog enthousiast waren vanwege hun band met de maritieme geschiedenis in Friesland sterven uit. De romantiek om het stoere zeilen van schippers is verbleekt. De schippers die nu op de skûtsjes staan, hebben ook helemaal geen jarenlange zeilervaring meer. Het publiek kijkt er daarom kritischer naar en voelt niet automatisch verbondenheid met nazaten uit voormalige schippersgeslachten. 

Het skûtsjeverhaal is voor wat zij zien ongeloofwaardig geworden. Ondertussen zijn de kosten van het in wedstrijdconditie houden van de schepen torenhoog geworden. Dorpen in het Friese waterland kunnen en willen die niet meer opbrengen. Het skûtsjesilen moet commerciëler en heeft sponsors nodig. Het moet beter aansluiten bij de moderne tijd met nieuwe media en zich richten op een jonger publiek, wil het kunnen overleven. En dat is te merken aan de wijze waarop dit jaar met dit ‘product’ aan de weg wordt getimmerd. Niet alleen Omrop Fryslân brengt dagelijks uitgebreid verslag van het gebeuren, maar ook Omroep Max, waarbij de presentatie veel sneller en modieuzer gaat dan vroeger. Meer gericht op een minder deskundig en ook jonger publiek. Het gebruikelijke verslag over stoere schippers met hun traditionele schepen is veranderd in een luchtig ‘feel good’ programma waarbij ook jonge mensen zonder veel kennis van zaken zich enthousiast uitspreken over hoe leuk en boeiend het is. 

Omrop Fryslân meldt op haar site (27-07-26) dat de SKS een kerngroep heeft opgericht van betrokken jongeren. Die groep moet een brug vormen tussen de jongeren in de maatschappij en de SKS-organisatie. Zo vaart Douwe Struiksma, kleinzoon van schipper Douwe Visser van Sneek, als jongeman nu zelf mee op de ‘Sneker Pan’ en zegt: ‘We hebben het erover wat we terug willen zien in de SKS om de jeugd een stem te geven. Dat gaat hartstikke mooi.’ De jeugd wil wat meer snelheid, wil iets zien op social media wil meer modernisering. Het is de taak voor het bestuur van de SKS om tevens een goed evenwicht te vinden met de tradities van het skûtsjesilen, die immers bepalend zijn dat deze wedstrijden op dit moment nog bestaan.


Terug naar vorige pagina