Het schip "Wilhelmina"

Zoektocht naar de achtergronden van een foto door Peter Tolsma

Enige tijd geleden kreeg ik van een kennis bijgaande foto in handen van, naar ik aanvankelijk vermoedde, een beurtscheepje, met de mededeling dat achterop deze foto met potlood geschreven stond: "Wilhelmina" en "Horjus". Ik kende de familie Horjus vanuit mijn jeugd als beurtvaarder van Workum en Bolsward op Groningen. Met Piet Horjus kon je alles meegeven. Zo bracht hij al mijn spullen naar de grote stad toen ik in Groningen ging studeren. Een bureau, stoel, tafel, boeken en kleren. Dat gebeurde dan samen met de overige vracht die hij vervoerde. Maar voor de kinderen van een andere familie uit Bolsward bracht hij eens twee schapen mee naar hun studieadres, wat later een pony en ook die gingen moeiteloos mee ! Een grote kast ? Geen probleem: Horjus bracht alles ter bestemder plekke.

Omdat het zo'n mooie foto is, werd mijn belangstelling voor de geschiedenis van dit schip gewekt. Het is duidelijk een portretfoto van het schip, waarvoor geposeerd is. De mannen hebben alle drie hun "goeie goed" aan en zich voor de gelegenheid getooid met een hoed. De oudste met een gleufhoed lijkt deze vaker te dragen, beide anderen met een bolhoed lijken zich daarmee niet helemaal op hun gemak te voelen. De vierde persoon aan boord wekt de indruk druk bezig te zijn en eigenlijk geen tijd te hebben om op de foto te komen. Hij draagt een werkmanspet, hetgeen past bij zijn werkkleren. Omdat hij slechts op de achtergrond mee poseert, kan worden aangenomen dat hij de (schippers)knecht is.

Als ik de foto wat uitvergroot zie ik achter de mast nog een jongetje dat aan de wallenkant zit en lachend toekijkt, met achter zich een vriendje waarvan het gezicht schuilgaat achter de werkman. Doordat de foto van een uitzonderlijke scherpte is vallen allerlei details op, bijvoorbeeld het lofwerk op de gillingen en de mooie strakke biezen. De ster rond de zwaardbout steekt scherp af tegen het hout van de kop van het zwaard. Op de voorkant van het spinnegatdeksel staat "WORKEM". Het is een zogenaamd half gedekt vaartuig (grote open kuip achter de mast zonder luikenkap, met een vast voordek). En wat de vorm betreft: wat een prachtig schip !

Bijzonderheden aan het schip - de voorkant

Voorop valt de vierschijfs stagtalie (a) op, en de kluiverboomring (b) achter de botteloef (c). Daarachter zien we op de gebruikelijke plaats een schoorsteentje (d) op het voordek, met aan de bovenzijde een knik om terugval van de rook te voorkomen. Het kluisbord (e) lijkt niet voorzien van kluisgaten maar wel uitgedost met een rond (koperen?) ornament. Helaas is niet te zien wat dit ornament en detail voorstelt. Het end van de stagtalie hangt opgeschoten op de kop van de onversierde berentand (f).

Bijzonderheden aan het schip - dek en boeisel

Op het voordek zien we het luik van de mastwip (g). Omdat dat wat hoger schijnt als gebruikelijk, komt het ons voor dat het voordek ook vrij hoog is gesitueerd. De ijzeren overloop (h) voor de fok is aan de stuurboordzijde weggelegd. Zou de mast net gestreken zijn geweest ? Op het boeisel zijn een drietal gillingen (i) te onderscheiden met hun bekende ojiefvorm (een ojief is een profiel of afwerking die hol én bol is). Op deze gillingen traditioneel lofwerk van een fraaie kwaliteit. Waarschijnlijk is het lofwerk witgeschilderd, maar mogelijk is het ook verguld. Van de biezen (j) is er eentje wit ingekleurd terwijl de andere drie ongeschilderd zijn gebleven.

Bijzonderheden aan het schip - het zwaard

De ster (k) op het zwaard (l) is zevenpuntig, zoals het eigenlijk hoort, en zo te zien van messing. De foto is zo scherp dat bij uitvergroting zelfs het drogenaadstuk van het berghout (m) te zien is. Het mooie zwaard is verder opgebouwd uit de twee buitenste brede delen (n) en een vijftal smaller binnendelen (o). Het beslag loopt door rond het zwaard en is aan de achterzijde, op de zandloper (p), scherp uitgesmeed.

 

Bijzonderheden aan het schip - de achterkant

Achterop bestaat het lofwerk uit een viertal gesneden krullen en bladeren (q). Het roer (r) heeft de vorm van een tjotter- of eigenlijk een aakroer.
Natuurlijk vallen in het achterschip het mooie gestoken spinnegatdeksel met de naam WORKEM (s), en de hennebalk met de naam WILHELMINA (t) op, beide wederom omgeven door mooie snijwerkornamenten. De vlag is aan de vlaggenstok gehesen, maar de onderzijde van de broek lijkt met de vlaggenlijn aan het uiteinde van de giek te zijn vastgebonden. Kennelijk voerde men deze driekleur niet dagelijks. Dat was ook ongebruikelijk als het om een beurtvaarder ging. Bedrijfsvaartuigen voerden alleen op hoogtijdagen soms wel eens een vlag. Hij is nu voor de gelegenheid van deze opname opgehangen. De mik (u), die giek (v) en grootzeil draagt, lijkt te rusten op het berghout (t) nabij de achtersteven.

Bijzonderheden aan het schip - tuigage

In de top van de mast wordt, onder de wimpel (w), nog een onbekende vlag gevoerd; mogelijk een rode of een blauwe vlag (x) met een ruitvormig wit vlak, waarin een aantal letters of een andere afbeelding staat opgenomen. We menen een "H" te kunnen onderscheiden.

De tuigage van het schip is zoals gebruikelijk in die tijd; een zeilsval (en geen afzonderlijke pieke- en klauwval), een katval (A), een dirk (B) voorzien van een klaploper (C), een fokkeval (D) en een kluiverval (E).

De foto 'nader bekeken

Achterin het schip staat de kennelijke eigenaar, een sigaar in de linkerhand, voorzien van een horlogeketting waaraan, zo te zien, een medaillon is bevestigd. Hij draagt aan zijn linkerhand om zijn ringvinger een ring. De man naast hem schijnt jonger te zijn, maar is eveneens voorzien van een boord met "vadermoordenaar" en vlinderdas. Hij lijkt geen trouwring te dragen, maar heeft net als de oudere figuur wel een kleine versiering op zijn revers.

 

Bij de mast staat, ietwat slungelachtig de derde man; identiek gekleed, maar met een duidelijk minder goed passend pak. Het slobbert allemaal wat. Ook hij draagt, voor zover we kunnen zien geen ring aan zijn rechterhand. Wel draagt hij een (wat grover uitgevoerde) horlogeketting en net als beide anderen een button in een van zijn revers. De schippersknecht draagt zijn gewone werkkleren, en pet. Hij heeft een sjaaltje om zijn nek en een paar brede bretels voorkomt dat zijn ruime werkbroek afzakt.

Het landschap achter het schip laat een vergezicht aan weilanden en boerderijen en een molen zien, met een door hekjes afgescheiden veldje, en hier en daar wat koeien en wat schapen. Op de achtergrond lijkt een dijk te lopen. Vaag zijn nog wat opgetaste hooiruiters te zien.

Al met een al een fantastisch mooie plaat, maarwel eentje die ons voor een aantal vragen stelt. Wie zijn de afgebeelde personen, waar en wanneer is de foto genomen, en wat kunnen we nog meer over het schip te weten komen. Het schip lijkt er nog vrij nieuw uit te zien, maar als dat al niet waar mocht zijn, is in elk geval zeer goed onderhouden.

Wie zijn de afgebeelde personen?

De naam Horjus is er een van een familie met verschillende takken, die zich vanuit Friesland (Vlieland, Harlingen, Makkum en Workum) bezig hielden met de schipperij. De achternaam is een verlatijnisering, een gebruik dat in de achttiende eeuw wel vaker voorkwam, van de naam Horn, Hornstra, of Hornsma. Na enig speurwerk op Google kwam ik verschillende mogelijkheden tegen ten aanzien van de mogelijke eigenaren van de "Wilhelmina", dat als beurtschip gevaren zou kunnen hebben vanuit Workum.

Het zou hier kunnen gaan om het schip van:

Marten Klazes Horjus 15-01-1830 geboren te Makkum overl. 02-08-1878 Amsterdam, schipper
Gehuwd op 22 april 1852 met:
Aafke Mieles Salverda geboren 20-03-1833 te Zurich overl. 23-07-1886 te Amsterdam
Naar uit een interview in het Noord Hollands Dagblad van 1957 met zijn zoon Klaas blijkt, is deze Marten Horjus, na aanvankelijk in Makkum te hebben gewoond, omstreeks 1857 verhuist naar Workum. Vervolgens begon hij een beurtvaart op Hoorn en besloot toen om daar ook heen te verhuizen in 1865. Hij wijzigde zijn beurtvaart vervolgens van Workum op Hoorn, in Hoorn op Amsterdam hetgeen succesvol bleek, want hij verdiende er goed de kost mede. Later is deze beurtvaart opgegaan in de "Hoornse Stoomvaart Maatschappij voorheen Fa. Horjus & Co".

In of rond 1872 verhuist Marten naar Amsterdam, waar hij en zijn vrouw ook overlijden.
Kinderen van Marten en Aafke waren: 6 zonen en 2 dochters

  1. Meile geb. te Makkum 1854 schipper
  2. Klaas geb. Workum 12 -04 1857, schipper
  3. Gerretje geb. Workum 1859
  4. Sjoerd geb. Workum 1863
  5. Marten geb. Hoorn 1867
  6. Gerrit geb. Hoorn, 1869
  7. Ago geb. Hoorn 1870
  8. Aafke geb. A'dam 1874

Klaas Martens Horjus, de tweede zoon, is meer als 100 jaar geworden. Hij vertelt in het interview ter gelegenheid van zijn 100e verjaardag, in dat krantenartikel dat zijn vader de beurt op Amsterdam opzette met een zeilschip. In 1870 werd echter reeds de eerste stoomraderboot aangeschaft. Of het zeilschip dus toen nog aangehouden werd weten we niet, maar de foto moet van ongeveer 1900 zijn schat ik. En op het spinnegatdeksel staat duidelijk Workem.

De combinatie van Hoorn en de fotograaf uit die stad plus een mogelijk Noord Hollands landschap met schapenhekjes op de achtergrond lijkt echter wel bij deze foto te passen.

De andere mogelijkheid is dat dit het eerste schip is geweest van beurtvaarder Sikke Pieters Horjus (geb.:11-03-1850, overl. 16-05-1941, zoon van Pieter Klazes en oomzegger van de hiervoor genoemde Marten Klazes) Hij was het die de beurt van Workum over Bolsward op Groningen van S. Sybrandi 1881 overnam (zie de advertentie uit de Leeuwarder Courant van 23 aug. 1881). Die beurtvaart was een tiental jaren eerder door Sijbrandi opgestart. Volgens zeggen in de familie nam Horjus daarbij ook het beurtscheepje van Sybrandi over.

Sikke Horjus was geboren te Makkum en overlijdt te Bolsward in 1941 op 91 jarige leeftijd. Hij was getrouwd met Eelkje Reinsma (geb. 1854) en kreeg samen met haar een zevental kinderen:

  1. Pieter, Workum 09-08-1882; onderwijzer
  2. Gerritje, Workum 17-08-1883;
  3. Klaaske, Workum 18-03-1885;
  4. Rein, Workum 05-12-1886; beurtschipper
  5. Jeltje, Workum 26-05-1890;
  6. Dirk, Workum 16-10-1893; beurtschipper
  7. Joukje, Workum 06-06-1895.

Hij verhuist op 18 december 1880 van Makkum naar Workum, neemt dus nog geen jaar later de beurtvaart van Workum op Groningen over van Sybrandi en voert deze beurtvaart, gedurende een 25-tal jaren uit met een zeilschip van 20 ton, volgens een krantenknipsel uit 1932. In 1911 verhuisd hij naar Bolsward en vestigt zich aan de Nieuwe Turfkade 26. Vanaf 1906 vaart hij met het motorschip "KOOPMANSWELVAART"

In 1905 liet deze Sikke bij Zwolsman in Workum deze "Koopmanswelvaart" bouwen, een schip dat overigens nog steeds rondvaart, en in het bezit van een achterkleinzoon van Sikke is.

Hij (Sikke) verkocht toen, naar zeggen, zijn zeilschip aan een poffertjekraamhouder. Sikke schijnt een zeer gelovig mens te zijn geweest. In zijn boek "Beurtvaartdienst Koch en Eekhof" over de geschiedenis van de beurtvaart van Bolsward op Amsterdam, beschrijft Nolle Eekhof het feit dat op een vroege zondagmorgen Riemer Reinsma, zwager van Sikke, met de boot arriveert te Bolsward om daar de kerk en de familie te gaan bezoeken. Op de kade staat dan zijn zwager Sikke Horjus opzichtig met het hoofd te schudden over de zonde van Riemer "om op zondag te varen"!! Sikke brengt hem aan bij de kerkenraad, opdat die zich zou uitspreken over Riemers gebrek aan godvrezend gedrag. Alles schijnt gelukkig met een sisser en een vermaning te zijn afgelopen. Ach, God zelf zal het hem ook wel niet kwalijk hebben genomen !

De zonen van Sikke, Rein en Dirk nemen de beurtvaart op Groningen over in maart 1920.
In 1934 stapt Dirk Horjus uit de zaak en gaat Rein alleen verder.
In 1947 draagt deze het bedrijf over aan zijn zoon Pieter (20-04-1922).

De beurtvaart op Groningen werd in het begin 1 x per 14 dagen uitgevoerd. Vrijdags vertrok men (zondags lag men gegarandeerd stil vanwege de gelovigheid van Sikke) en de woensdag daarop ving men de terugreis weer aan. Met het zeilschip moest vanaf Blauwverlaat het schip worden gejaagd. Na 1906 was de beurtvaart wekelijks en sinds 1950 wordt er daarna twee maal per week op Groningen gevaren. Vanaf 1961 tot 1965 wordt de beurtvaart deels met een vrachtauto en deels met het schip uitgevoerd, daarna tot 1985 helemaal alleen met de vrachtauto en daarna stopt de beurtdienst.
De derde maar naar ik denk meest onwaarschijnlijke mogelijkheid is dat het hier Pieter Pieters Horjus (19-09-1863-17-09-1921, jongste broer van Sikke  Pieters) betreft die in 1892 (Lwd Courant 26 jan. 1892) het beurtveer van Workum op Leeuwarden overneemt van W. van der Sluis. Hij vaart kennelijk voortaan van Makkum over Workum naar de Fries hoofdstad.

Hij trouwt in 1893 met Eelkje Wielinga en samen krijgen ze 3 kinderen:

1. Pieter, Makkum 1895
2. Sytske, Makkum 1898
3. Sipke, Makkum 1901.

Waar en wanneer is de foto genomen ?

Het landschap op de foto lijkt nog het meest op een vergezicht in Noord Holland, bijvoorbeeld het eiland Wieringen of elders. Maar evengoed zou het een opname in Friesland kunnen zijn, bijvoorbeeld aan de Bolswardertrekvaart bij Workum. Op de achtergrond zou dan de drooggemaakte Workummer- of Parregaastermeer te zien zijn. We weten het (nog) niet.

De fotograaf was: Johan(-nes Lourens Theodorus) Huijsen (1852-1919), wonende Ramen 17 te Hoorn, een fotograaf vooral bekend door zijn portret- en stadsgezichtenfotografie. Zijn meest productieve jaren liggen tussen 1877 en 1920. Aan de hand van de passe-partouts voor de portretfoto's die hij gebruikt heeft, valt na te gaan wanneer de foto ongeveer moet zijn gemaakt. Tot 1900 gebruikte hij voor alle portretten passe-partouts met, in het midden bovenaan, een rechte stijve letter om zijn naam te vermelden. Na 1920 gebruikt hij passe-partouts die zijn aangepast aan de geest van die tijd met art-deco-achtige versieringen rondom. Maar alleen in de tussenliggende jaren (1900 - 1920) heeft hij voor portretten weergegeven zoals op de foto van de Wilhelmina, dit passe-partout gebruikt. Voor andere (groeps-)foto's signeerde hij in die tijd middels een stempel waarmee hij toen ditzelfde logo in het karton van de foto printte.

Wanneer de foto precies gemaakt is tussen 1900 en 1920 kan ook niet met zekerheid worden gezegd. In het eerste geval (Horjus Hoorn) zou de foto van Johan Huijsen uit Hoorn gemaakt kunnen zijn bij de vestiging van Horjus als beurtvaarder op Amsterdam. Alleen wordt die beurt reeds in 1870 niet meer uitgevoerd met een zeilschip, maar met een stoomraderboot. Is het bovendien niet vreemd dat Horjus dan nog steeds WORKEM op zijn spinnegatdeksel voert, terwijl hij al in Amsterdam woont ? Misschien vergissen we ons, en is het scheepje nog een lange tijd naast de raderboot in dienst geweest.

De drie personen op de foto zouden dan Marten Horjus en zijn zoons Meile en Klaas kunnen zijn geweest. Marten is geboren in 1830 en zou in 1870 dus 40 jaar zijn geweest. Meile en Klaas zijn dan resp. 16 en 13 jaar oud. Dat lijkt toch wel wat onwaarschijnlijk, tenzij de foto van later datum is. Dat zou bijvoorbeeld 1880 kunnen zijn geweest gezien de leeftijd van de mannen op de foto. Maar dan is er reeds een stoomraderboot op de beurt werkzaam. En zoals gezegd het passe-partout verwijst naar een latere datum, tenzij het hier om een nabestelling van de foto gaat, We hebben eigenlijk geen enkele foto van Huijsen kunnen vinden met dit logo die vroeger gedateerd is dan 1900. Rond 1900 echter is Marten al 70 en zijn zoons 46 en 43, bovendien zijn beide dan al getrouwd.

In het tweede geval zou het een foto kunnen zijn van Sikke Horjus met zijn beide zoons Rein en Dirk. Stel dat de foto inderdaad van ongeveer 1900 is, dan zou in dat geval vader Sikke dan 50 jaar zijn geweest en zijn zoons resp. 14 en 11 zijn geweest. Ook dat kan niet kloppen. Het jaar 1910 komt dan eerder in aanmerking. De mannen zijn dan 60, resp. 24 en 21 jaar oud zijn geweest. Maar ook als de foto van die latere datum is, hetgeen gezien de kleding ook niet onaannemelijk is, dan is het nog vreemd dat Huijsen uit Hoorn helemaal naar Friesland afreist om daar en portret van dit schip en zijn eigenaren te maken. We kennen verder geen enkele foto van Huijsen die gemaakt is buiten Noord Holland, en ook in het Westfries Archief, waar een hele verzameling van zijn werk is te vinden, kunnen we niet een dergelijk plaatje vinden. Of zou de foto gemaakt zijn op een tochtje van de mannen Horjus naar Noord Holland ? In hun advertentie geven ze aan ook vracht voor het eiland Wieringen mee te nemen.

Waarschijnlijk werd die vracht net als de vrachten voor Wommels, Makkum, Arum en Witmarsum in Bolsward of Workum meestal overgeladen op een collega beurtvaarder (bijvoorbeeld broer Pieter), maar wellicht hebben ze ook zelf wel eens die tocht gemaakt, bijvoorbeeld voor een verhuizing, en voor dat geval de fotograaf uitgenodigd hen op de gevoelige plaat vast te leggen. Sikke Horjus liet echter al in 1905 de "Koopmanswelvaart" bouwen bij de werf van Zwolsman te Workum, verkoopt zijn zeilschip en dus komen de gissingen voor wat betreft 1910 zoals hierboven gegeven niet in aanmerking. Aannemelijker is het dan dat de foto gemaakt is toen de "Koopmanswelvaart" werd aangeschaft; 1905. Sikke is dan 56 en zijn zoons resp. 20 en 17 jaar oud. Maar waarom laat je je portretteren op een schip dat je afschaft. Het zou in dat geval logischer zijn geweest als het gezelschap zich zou hebben laten vastleggen aan boord van het nieuwe schip de "Koopmanswelvaart".

In het derde geval sprak ik eerder al over een grote onwaarschijnlijkheid. Ik noemde dat onwaarschijnlijk omdat Pieter (een broer van Sikke) in 1900 ongeveer 37 jaar oud zou zijn en zijn beide kinderen van het mannelijk geslacht, Pieter jr. en Sipke pas 5 en -1 jaar oud zijn. In 1910 is dat 47, resp. 15 en 9 jaar. Hoewel niet uit te sluiten is dat de foto zelfs een vijftal jaren later is genomen, lijkt het ons onwaarschijnlijk omdat ook dan de kinderen pas 20 en 14 jaar zouden zijn. De personen op de foto komen daar niet mee overeen. Pas als de foto rond 1920 genomen zou zijn zou dat een mogelijkheid kunnen zijn. De stijl van fotograferen en de kledij lijken echter naar wij denken op een vroegere datum te wijzen.

En dan rest natuurlijk nog de mogelijkheid dat er helemaal geen Horjus op de foto staat, maar een stel hele andere mensen, bijvoorbeeld de kopers van het schip dat eerder door Horjus werd bevaren. Zien we hier misschien de poffertjeskraamhouder die het schip van Sikke Horjus overnam ?

Waar werd het schip gebouwd ?

Waar zou het schip gebouwd kunnen zijn? Omdat het zo'n fraai schip is, eigenlijk te mooi voor een gewone beurtvaarder, hebben we getracht in verschillende werfboeken iets terug te vinden. Het schip heeft eigenlijk wel iets weg van een jacht; mooi rijk snijwerk, relatief uitbundig lofwerk, koper beslag op de zwaardkoppen, en ook het kluisbord kent een mooie rozetachtige versiering. In de in het Fries Scheepvaart Museum te Sneek aanwezige werfboeken van Holtrop, van van der Zee en van Lantinga, komen we in de periode 1880 - 1900, geen opdrachtgever "Horjus Workum" of "Horjus Hoorn" tegen. Al met al een hoop vragen en een hoop onduidelijkheden, maar wel een fantastische foto en zeker te moeite waard om verder onderzoek naar te doen.

De naamgeving doet vermoeden dat de eigenaar in elk geval koningsgezind moet zijn geweest. Kan het zijn dat hij het schip naar de nieuwgeboren prinses heeft genoemd ?

Wilhelmina Helena Pauline Maria van Oranje (Den Haag, 31 augustus 1880 - Apeldoorn, 28 november 1962), Prinses der Nederlanden (1880-1890, 1948-1962), Prinses van Oranje-Nassau, Hertogin van Limburg (1890-1948), Hertogin van Mecklenburg (1901-1962), was van 1890 tot 1948 regerend Koningin der Nederlanden (bron Wikipedia).
In dat geval moet het schip dus uit ongeveer 1880 stammen. Het was zeker in christelijke kringen niet ongebruikelijk om op die manier de aanhankelijkheid jegens het huis van Oranje ten toon te spreiden. Bekend is dat zowel te Joure op de van der Zee-werf als bij Bernard in Amsterdam rond die tijd, meer "Wilhelmina"s te water zijn gelaten. Van de nazaten van Sikke Horjus weten we dat deze zeer koningsgezind was. Bij de verjaardagen van de koningin hing Sikke steeds een groot spandoek aan de gevel van zijn huis.

De tekst luidde:

"Oranje door Gods kracht,
Geeft eendracht Vrede en Macht;
Zoolang als Zon en Maan zal aan den Hemel schijnen,
Zal nooit de Oranjekleur verwelken.
Zoolang Jehova God gedenkt aan Zijn Verbond
En zijnen boog vertoont aan dit benedenrond,
Zoolang er schepselen zijn die hunnen Maker loven,
Zoolang de wereld staat, blijft nog Oranje boven"

Het spandoek is nog steeds in het bezit van de familie Horjus. Nadat het tijdens de oorlog uiteraard verstopt was geweest, had iedereen het vergeten, maar na vijftig jaar kwam het weer boven water.

Terug naar het schip: In dat geval zou dus het schip op de foto in 1905 reeds 25 jaar oud zijn geweest. Of zou het schip pas gebouwd zijn bij de inhuldiging als koningin van Wilhelmina in 1898? In dat geval was het in 1905 dus 7 jaar oud, en dat lijkt aannemelijker, gezien de goede staat waarin het verkeert.

Palinghaler

Speurend in het archief van het Fries Scheepvaart Museum kom ik dan opeens ook dezelfde foto (zonder passé partout) tegen in hun bestand, onder het objectnummer FSM 001001497. De omschrijving bij de foto hier luidt: Palinghaler, vervaardiger onbekend, Palinghaler Wilhelmina Workum.

Zou het hier inderdaad om een zgn. "ielbûs" (palinghaler) kunnen gaan, en niet om een beurtscheepje ? Navraag in dit museum leert dat deze toeschrijving is gedaan op grond van de vorm van het schip en de open kuip. Maar hoe deze typering tot stand is gekomen en wie deze heeft gemaakt is onbekend. Waarschijnlijk is ze door de aanbrenger van de foto er bij geleverd.

Het verschil met de foto die ik heb, is dat ik de weergave van een origineel heb, compleet met passe-partout en daar achterop het eerder genoemde HORJUS en WORKUM. De afdruk in het Fries Scheepvaart Museum is minder scherp en waarschijnlijk een reproductie of kopie van dit exemplaar, waarbij het passe-partout is weggelaten.

Ik kijk vervolgens naar de andere informatie die er over ielbûsen (palinghalers) in het museum te vinden is, en zie dat dit soort schepen inderdaad mooier en rijker werd uitgevoerd, dan de normale andere bedrijfsvaartuigen. Wat daarvan de reden was, is onbekend, maar waarschijnlijk wilden de palinghandelaren een goede indruk maken op de vissers van wie ze de paling kochten, en hen laten zien dat ze met belangrijke "grote" spelers in de markt te maken hadden. En misschien werden ze ook wel eens voor recreatieve doeleinden gebruikt; het waren uiteindelijk snelle zeilers, gebouwd om de paling in een zo kort mogelijke tijd van de vissers naar de verzamel- of stapelplaats te brengen. De thans nog meest bekende ielbûs uit die tijd is de "Voorwaarts" van de firma W.A. Visser uit Heeg. Ook op dat schip, wat ook in modelvorm in het museum aanwezig is, zaten "rijkere" versieringen; een besneden deurtje van het achterhuisje (een wat groter spinnegatdeksel), lofwerk op de gillingen, en koperbeslag op de zwaarden. Dit schip kende bovendien een afbeelding van een vis op de kop van het (aak-)roer.

Wat was eigenlijk de functie van dit schip ?

Indertijd was de palinghandel vanuit Gaastmeer, Heeg en Workum met Holland en ook met Engeland voor de Friese binnenvisserij van groot belang. De paling werd met een ielbûs, ook wel binnenaak genoemd, bij de vissers in de provincie en daarbuiten, opgehaald en bij de handelaar in de thuishaven overgeladen in een legger. Dat was een sterk en zwaar gebouwde halfdrijvende bak waarin grote bunnen waren gebouwd om de vis levend te kunnen houden. Van daar uit werd ze op gezette tijden overgeladen in de bekende ielaken en vervoerd naar Amsterdam en Londen. Omdat de ielbûs zelf ook een bun had waarin de paling levend vervoerd kon worden, bestreken de tochten om de paling bij de vissers op te halen vaak meerdere dagen. Onder het (vaste) voordek, dat wat hoger was dan bij andere binnenaken, was een ruimte waar men ook kon verblijven en overnachten. Helmaal voorin stond een fornuisje waarop, op de knieën gezeten, gekookt kon worden. Zoals gebruikelijk gebeurde dat in die tijd nog tussen de middag, en vaak dus ook terwijl men een rustige koers zeilde. Langs de zijden van het schip voorin twee kooien achter een kooischot en daarachter banken langs de zijden van het schip waarop gezeten kon worden en waarop men ook kon slapen. Deze banken werden met name gebruikt als men "niet uit de kleren ging", maar even snel een tukje deed, bijvoorbeeld omdat er gewacht moest worden. In de grote open kuip een trog die toegang gaf tot de bun waarin de paling bewaard werd.

Dat de ielbûs al in de 18e eeuw een bekend scheepstype was, blijkt bijvoorbeeld uit de aantekeningen in het merkwaardige "Snijboek" van Cornelis Alberts Zeilstra, van 1788 - 1802 in dienst van de koopman Wyger Annes Visser te Woudsend. In 1783 kwam er volgens dat boek een nieuw zeil en een fok op een schip "De Nuiwe Bus" genaamd, ook van W.A. Visser.

Bovenstaand gegeven en een deel van wat hieronder volgt heb ik verkregen door een artikel in de Leeuwarder Courant van 10 juli 1963 van Sytze J. van der Molen. In dat zelfde artikel wordt nota bene ook al gewag gemaakt van de foto van de "Wilhelmina"die we hier bespreken !!!!!

De redacteur is die tegen gekomen in de gang van de fam. Bokma - Haagsma te Workum. Hij dateert de foto op het jaar 1910. Vervolgens gaat deze redacteur in een uitgebreid artikel in op de herkomst van het woord "bûs", de verwantschap met het Nederlandse begrip "buis (o.a. in haringbuis)", en de functie van dit scheepstype. Ik citeer: "Het waren zoals ook de foto laat zien fraaie scheepjes, die het model van een boeier (men sprak ook wel van aalboeier) bezaten, maar minder wijd waren omdat ze door nauwe "tichtsetten" moesten varen om bij de vissers in de binnenwateren te komen. De "bûsen" hadden een voordek, maar waren verder open. Wie het mooie snijwerk op het Workummer voorbeeld ziet, denkt eerder aan een jacht dan aan een bedrijfsvaartuig. Waarschijnlijk werden de bûsen ook wel als pleziervaartuig gebruikt." Tot zo ver Van der Molen.

Kortom het lijkt dus inderdaad onmiskenbaar om een ielbûs te gaan en als we de foto goed bekijken klopt dat ook helemaal. Verhoogd voordek, open kuip, smal in verhouding tot de lengte over de stevens, en voor een bedrijfsvaartuig tamelijk rijk uitgedost. Ik had ten onrechte steeds een kleinere versie van dit type in gedachten als ik aan een ielbûs dacht, maar ze waren er dus kennelijk ook wel groter.

Goed stel dat ik me heb laten leiden door mijn Bolswardse achtergrond en op valse voorwendselen ben uitgegaan van het feit dat het een beurtvaarder (immers Horjus) betrof, hoe zit het dan met die familie Horjus en hun betrokkenheid bij de palinghandel ? De naam achterop deze originele prent staat daar natuurlijk niet toevallig. Als het inderdaad een ielbûs is, hetgeen ik nu wel helemaal geloof, dan kan ik alle eerdere overwegingen en onderzoeksresultaten terzijde leggen en opnieuw beginnen. Opnieuw duik ik in de zoekmachine Google, en opnieuw raadpleeg ik de digitale databank van Tresoar om uit te vinden hoe dit zit. Houdt het schip wellicht verband met de palinghandel die vanuit Workum plaatsvond ?

De Warkummer ielhânnel

We weten dat de palinghandel in Workum sinds 1844, vanuit Gaastmeer overgekomen, in handen was van de firma Jan Rintjes Visser. De Friese palinghandel concentreerde zich met nam op Engeland (Londen) en Amsterdam. Al eerder werd er in paling gehandeld vanuit Workum, naar het schijnt reeds vanaf de 16e eeuw, maar pas sinds het midden van de negentiende eeuw neemt dit in omvang grote vormen aan. Deze Jan Rintjes Visser afkomstig uit Allingawier, was zelf geen rechtstreekse familie van de Vissers te Woudsend, Gaastmeer en Heeg. Zijn vrouw Pierkje daarentegen was een dochter van Wieger Jans Visser van het "kantoor"(palinghandel) te Gaastmeer. Jan Rintjes en later zijn zoon Rintje Jans weten een gedegen en behoorlijk grote palinghandel vanuit Workum op te zetten. Ook zij leveren zowel aan de randstad via Amsterdam als aan de Engelse markt.

Rintje Jans Visser

Na de drooglegging van de Workummer-, Parregaaster - en Makkummermeer zien we deze tak van handel uit Workum langzaam aan verdwijnen en, voor zover ze nog blijft bestaan, later (na 1930) helemaal op Heeg geconcentreerd worden. Vanaf 1907 als de firma Lankhorst de handel ook van Workum helemaal naar Heeg overbrengt, zijn er dan twee palinghandels in het dorp Heeg; A&K Lankhorst en W&A Visser en Zonen. De laatste palingaak van Lankhorst (de "Stad Workum") wordt in 1932 overgedragen aan de firma Visser te Heeg, die als dan ook nog de "Cornelis Ykes" en de "Heeg" in de vaart heeft. Deze palingaak "Stad Workum" werd ook wel de klaveraak genoemd, vanwege de klavervorm op de roerkop. Het was een aak met de kop van een kofschip. De aak werd in 1855 in Workum gebouwd en in 1936 te Londen gesloopt. Het schip voer voor het kantoor Workum van palinghandelaar en burgemeester Rintsje Jans Visser (Gaastmeer 1827- Workum 1897), later voor Jan Haagsma, en daarna voor Lankhorst.

Het bedrijf van Haagsma, van wie de gebr. Lankhorst de palinghandel van Workum overnamen, had eerder bij de overname door Haagsma van Visser op 21 september 1900, nog vijf palingaken in de vaart; de "Anne", de "Stânfries", de "Marie", de "Stad Workum" en de "Herstelling". We weten dat omdat de verkoopakte van deze overname door notaris Poelstra te Heeg is opgemaakt, en in de notariële archieven zoals bij Tresoar bewaard, is terug te vinden. Het bedrijf had tenminste een drietal "bûzen"; een grotere (waarschijnlijk de "Wilhelmina" van de foto), een kleinere, en een punter. Jan Haagsma had bovendien van zijn pleegmoeder (Maria Henderika Zandstra) de fjouwer acht "De Twa Sisters" gekregen, het wedstrijdschip van zijn pleegoudoom Wieger Sipkes Visser uit Gaastmeer (zie Vermeer Tjotters en Boatsjes pag. 148). Ik krijg bovendien ook nog een rekening voor Rintje Jan Visser van de zeilmaker Simonides in handen, die aantoont dat er voor 1900 ook al tenminste één ielbûs in dat bedrijf was:

Een van de reizenvan een palingaak

Naast deze rekening krijg ik daarbij tevens de opgave van één van de losse bladzijden uit een logboek van een van de palingaken (helaas is dus het jaartal van deze reis, en de betreffende palingaak onbekend);

          Reis 178
          Van Workum vertrokken den 24 Julij naar kort vliet, den 25 sten vertrokken
          naar Het Heegermeer gewacht op buis Wilhelmina, geladen en vertrokken
          naar Staveren, geladen uit de Stoomboot. en des avonds om 8 uur uit Staveren
          gezeild tot des avonds. 10 uur opgebracht bij het baken van de afsluitdijk.
          ........
         Anker op des 26sten morgens om 4 uur en op de reede van Texel gewacht op roosendaal
         en geladen 250, dooden op de ree ongeveer 50.
         Naar zee des middags om 10 ½ uur wind oost.
         Den 27sten Aug: des middags om 4 uur bij Southwold. en de wind later Z.W.
         geAnkerd by Oxford. Ankerop den 28 Aug des morgens om10 uur Ankerop,
         .....

En zo gaat het door, Augustus is een schrijffout van de schipper, dat moet steeds Juli zijn, want de 15 Augustus zijn ze, zoals de schipper verderop schrijft, alweer uitgeklaard uit "London".

         Het was een slechte reis, de schipper klaagt over veel dooden:
(dode aal die de reis niet heeft overleefd (pt))
          ....
          slechte prijs
          het goed daadelijk ingeklaard
          dito dag vervolgens
          alle dagen ongeveer 150 dooden en niets bijna op gebracht.
          Op 17 augustus waren ze weer terug in Workum, dit was een hele snelle reis.

De opbrengst was £ 257 en dat was heel weinig. De palinghandel was kennelijk toen al aardig op zijn retour, en er werd nauwelijks nog geld aan verdiend. Het moet dus wel een van de latere reizen van ongeveer 1906 of zo zijn geweest.

Maar duidelijk is dat de "Wilhelmina" dus als ielbûs nog opereerde, en de paling op het Heegermeer aan boord van de palingaak bracht. Gebruikelijk was dat op min of meer brak water geankerd werd bij het verlaten van Friesland om zo de paling even te laten wennen aan het zoute water. Voor de Engelse Kust gebeurde dat eveneens zoals we hierboven kunnen lezen. Desondanks was er deze reis een grote hoeveelheid dode paling, die tegen minimale prijzen slechts verkocht kon worden.

De Visser

De vader van Rintje Jans Vissers (Jan Rintjes) was, zoals we hiervoor zagen, getrouwd met een dochter van de oude Wieger Jans Visser uit Gaastmeer; Pierkje. Deze Jan Rintjes uit Workum was zo dus, middels zijn huwelijk ook een aangetrouwd familielid van de vanuit Heeg opererende W&A Visser. Als familie had men het recht om in Londen een vaste ligplaats te mogen bezetten met tenminste twee aken (1 voor het kantoor Heeg en 1 voor het kantoor Gaastmeer, later Workum), voor de afzet van de paling aan de Theems nabij de Billingsgate Market.

Als de zoon Rintje Jans Visser overlijdt in 1897 zet zijn bijna 15 jaar jongere weduwe Maria Hendrika Zandstra (Wommels 1850- Maarssen 1923), nog even de zaken vanuit Workum voort. Uit de verhalen van de familie Haagsma blijkt dat eigenlijk toen al de leiding van het bedrijf was overgegaan van Rintje Visser op Jan Haagsma, die reeds vanaf zijn vijftiende jaar in het bedrijf werkzaam was. Maria Henderika Zandstra hertrouwt dan in 1900 op 50 jarige leeftijd de dan 45 jarige ……………… ….Meile Horjus, de oudste zoon van de naar Hoorn vertrokken Marten Klazes Horjus, de beurtschipper op Amsterdam waarover ik het al in het eerdere artikel had. Het is ook het tweede huwelijk van Meile Horjus, die eerder getrouwd was met Hendrikje Bosman.
Als beroep van Meile Horjus staat vermeld: Schipper, stoombootondernemer te Hoorn.

Kennelijk heeft Meile dus de beurtvaart op Amsterdam van zijn vader overgenomen, in elk geval tot 1897 als zijn eerste vrouw overlijdt, en heeft deze omgezet in de "Hoornse Stoomvaart Maatschappij, voorheen Fa. Horjus & Co".

De kinderen van Meile Horjus zijn (in elk geval, de archieven zijn niet geheel duidelijk):

  1. Marten 18-11-1876
  2. Booy 22-12-1880 overl. Zutphen, 02-08-1937 beroep veehouder ?????
  3. Klaas 04-11-1884

Helaas staan er geen beroepen vermeld bij alle kinderen van Meile, maar het lijkt aannemelijk dat Marten de stoomvaartonderneming voortzet, en Booy en Klaas meegaan naar Workum, en mogelijk, in elk geval aanvankelijk, als schipper hun brood verdienen. Bij Booy staat echter als beroep vermeld: veehouder !!!!!!

We vermoedden aanvankelijk dat Booy als tweede zoon van Meile daarbij in Workum ook werkzaam zou zijn geweest in de palinghandel van de firma van Jan Haagsma, die van 1900 - 1907 dit bedrijf voert. Deze Jan Haagsma (1877-1960), oorspronkelijk van boerenafkomst, heeft dan al een paar jaar eerder de palinghandel van de erven van zijn oom Rintje Jans Visser overgekocht. Rintje Jans en Maria Henderika blijven namelijk kinderloos. Jan Haagsma (achterneef van Maria) was als pleegzoon in hun gezin opgenomen. Zijn eigen moeder, Sjoukje Wesselius, sterft op jonge leeftijd en zijn vader hertrouwd dan. Dit laatste huwelijk is, volgens verhalen, minder gelukkig, reden waarom Jan Haagsma bij zijn pleegouders gaat wonen, en zijn zus Antje naar Hoorn naar een kostschool vertrekt. Al in Hoorn leert Antje de zoon van Meile Horjus, Booy kennen, en hoewel ze aanvankelijk voorbestemd was om met een gegoede boerenzoon uit Friesland te trouwen (en naar het schijnt reeds daarmee verloofd was) raakt ze hopeloos verliefd op deze zoon van Meile Horjus. Booy trouwt in 1903 de 23-jarige Antje Haagsma, dochter van Siebe Haagsma en Sjoukje Wesselius, en zuster van Jan Haagsma. Het echtpaar gaat wonen op een van de boerderijen van de fam. Visser te Hindeloopen. Uit dit huwelijk worden twee dochters geboren, Sjoukje Horjus en Maria Henderika Horjus. Later vertrekt dit gezin naar Maarseveen.

Schippers en boeren

Het lijkt er op dat de palinghandel in Workum dus helemaal in "boerenhanden" is gekomen. Dat behoeft misschien wel enige verklaring. De winsten uit de palinghandel werden door Rintje Jans (en ook al door zijn vader) goed geïnvesteerd, o.a. in landerijen en boerenbedrijven die ze daarmee opkochten, in en rond Workum. Daarnaast blijken ze ook flink wat aandelen o.a. in de Russische Spoorwegmaatschappijen, toentertijd een uiterst lucratieve belegging met een hoog rendement, en andere deelnemingen te bezitten. De stukken van de boedelscheidingen van Rintje Jans laten dat zien. Omdat het "Hereboer" zijn, in die tijd in status zeer hoog stond aangeschreven, was het dus ook niet vreemd, dat je je als veehouder, of als boer liet registreren als er om je beroep gevraagd werd. Het gaf waarschijnlijk meer aanzien dan het beroep van palinghandelaar. Bovendien, werden er met de boerenbedrijven in die tijd ook goede rendementen behaald. Vanaf 1900 in elk geval meer als met de palinghandel. Bovendien waren de Haagsma's van oudsher ook werkzaam in deze bedrijfstak (zie Ynse Siebes Haagsma, boer te Ferwoude, net als zijn zoon Siebe Ynzes). Als je dan zoals bij Jan Haagsma het geval was, in het bezit van een flink aantal boerderijen was (Rintje Jans Visser had er ongeveer 11 stuks !!), en er zelf ook op eentje woonde, was het niet verwonderlijk dat je je ook boer liet noemen. Toch moet ook gezegd worden dat Jan Haagsma de palinghandel met hart en ziel heeft uitgeoefend, en dat onder steeds slechter worden omstandigheden.

De status van hereboer is waarschijnlijk ook de reden dat Booy Horjus, als schipper, of zelfs alleen maar schippersknecht, na zijn huwelijk met Antje, wonende op een grote boerderij onder Hindeloopen, zich veehouder liet noemen. Het is niet aan te nemen dat hij daar zelf echter veel directe bemoeienis mee heeft gehad. De dagelijkse boerenwerkzaamheden, zoals het melken en het voeren van het vee, het hooien en het mestkruien, etc. zal wel helemaal door personeel dat daarvoor in dienst was zijn uitgevoerd.

Als ik me niet vergis is de vlag bovenin de mast van de ielbûs dus de bedrijfsvlag van de Fa. Haagsma. Een witte ruitvorm met daarin een letter H, op een donker blauw vlak. Op Tresoar vind ik de acte van verkoop van de hele palinghandel van Rintje Jans Visser door diens weduwe aan Jan Haagsma. Duidelijk is dat hij dit bedrijf niet zo maar heeft geërfd, maar daar rechtstreeks voor heeft moeten betalen, waarschijnlijk om de andere erfgenamen ook hun deel toe te laten komen.
De acte meldt o.a.:
"de verkoop van weilanden, schiphuis, bergplaats en 2 huizen met erf te Workum en Nijhuizum en 5 zeebuisschepen". Koopsom fl. 23.500. Met die "zeebuisschepen" werden ongetwijfeld de palingaken bedoeld, die toen nog in de vaart waren (bron Tresoar 054085; rep.nr. 2369).

Trouwfoto van Jan Siebes Haagsma en Feikje Douwes Dijkstra. V.l.n.r. Doekele Douwes Dijkstra, Douwe Lolkes Dijkstra, Feikje Douwes Dijkstra, Jan Siebes Haagsma en Bregtje Dijkstra-Gerritzen. (19 september 1901)
Trouwfoto van Jan Siebes Haagsma en Feikje Douwes Dijkstra. V.l.n.r. Doekele Douwes Dijkstra, Douwe Lolkes Dijkstra, Feikje Douwes Dijkstra, Jan Siebes Haagsma en Bregtje Dijkstra-Gerritzen. (19 september 1901)

En dan kom ik in contact met een van de nazaten van Jan Haagsma, de huidige eigenaar van de tjotter de "Twa Sisters". Hij is enthousiast over de foto die hij niet kent en vertelt me tal van bijzonderheden over de familie. De foto is waarschijnlijk gemaakt rond 1900 of 1903 na de overname van de palinghandel door Haagsma. Doordat hij een trouwfoto van zijn grootvader heeft wordt ook duidelijk dat de man aan het roer Jan Haagsma is. Hij draagt dezelfde horlogeketting als op de foto met daaraan een medaillon, waarin volgens zeggen een fotootje van Rintje Jans Visser, zijn pleegvader. Bij nadere bestudering van de buttons, blijken dit bij de twee andere heren anjers te zijn, en bij de heer Haagsma een takje fresia's met groen. Het zijn dus corsages ! De foto is dus waarschijnlijk gemaakt ter gelegenheid van een verloving of bruiloft in de familie.

Het kan zijn dat de foto is gemaakt in het jaar dat Meile met de weduwe van Rintje Jans Visser verlooft, dan wel trouwt; 1900. In elk geval is het nog oogsttijd op de foto.

Van mijn zegsman hoor ik ook dat de foto gemaakt is vanaf de Ielpôlle in Workum, met het gezicht op het drooggelegde Workummermeer, in noordelijke richting kijkend. De Ielpôlle was gelegen net buiten Workum aan de vaart naar het Workummer- en Parrgaastermeer. Precies op de plek waar tegenwoordig de "Jopie Huisman State"´is gelegen. Overigens bestond dit huis toen al, en was het de dubbele woning voor een tweetal palingaakschippers die bij Haagsma in dienst waren. De woningen zijn later verkocht aan de laatste "grootkapitein" van Workum die op een ielaak heeft gevaren, J. Repko. Hij heeft het tot één huis verbouwd en het de huidige verschijningsvorm gegeven. Achter deze twee huizen stond een loods, een schiphuis en daarachter stond nog een tweetal arbeidershuisjes van Haagsma.

Op deze plek lagen de leggers in het water waarin de paling bewaard werd. De palingaken werden ook hier geladen. Doordat deze vaart toen nog in open verbinding stond met het Vliet, hetgeen er voor zorgde dat het stromend water was, was ze uiterst geschikt voor deze opslag.

Toen de meren werden ingepolderd rond 1877 werd dit een stilstaand stuk water en gaandeweg liep de sterfte onder de paling, die daar in de "bakken" lagen te wachten op verscheping naar Londen, op. Jan Haagsma heeft toen rond 1885 besloten om een kanaal te laten graven van het Zandmeer naar het Gaastmeer en heeft toen de aanvoerplaats van de paling en de laadplaats van de palingaken daarheen verlegd, in de hoop dat dit water wel wat meer zou stromen en het er daardoor schoner zou zijn. Dit land, "hooi- en rietlanden genaamd de Hemmen" was in bezit van zijn familie, hetgeen de uitvoering van het plan vergemakkelijkte. Het kanaaltje bestaat nog steeds en is er dus de oorzaak van geweest dat het zogenaamde "eilandje aan de Sont", bekend bij veel recreatieve zeilers van tegenwoordig, is ontstaan.

De Twa Sisters 1903

Eenmaal daar aan het werk zag Jan Haagsma zijn oud-oom Wieger Sippes Visser met "De Twa Sisters" (toen nog de "Drie Gezusters") regelmatig voorbij varen en zo is "De Twa Sisters" uiteindelijk in het voorjaar van 1888, dankzij zijn stiefmoeder in zijn bezit gekomen; hij was er weg van. En terecht want met deze tjotter heeft Jan Haagsma aan een hoop wedstrijden deelgenomen en een hoop prijzen gewonnen.

In de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft het Gemeentebestuur van Workum in al zijn wijsheid besloten om de beweegbare brug die er daar in de weg naar Bolsward was over de genoemde vaart naar de beide vroegere meren, te vervangen door een dam, zodat de weg geen hindering van doorvarende schepen e.d. kon hebben ! Daarmee werd de Ielpôlle een burgerbehuizing aan een doodlopende sloot met stilstaand water.

Op deze Ielpôlle was daarvoor ook een schiphuis voor de ielbûs, de tjotter en ook voor wat andere schepen. Helaas is dat daar allemaal verdwenen dankzij de aanleg van deze dam.

Siebe Haagsma, nu eigenaar van de "Twa Sisters"

Siebe Haagsma, thans eigenaar van de "Twa Sisters" weet zich nog te herinneren dat hij als klein jongetje met zijn grootvader en zijn vader ging zeilen. Dat moet ongeveer in de tweede helft van de 50-er jaren zijn geweest. Hij vertelde me dat, als je toen van het Gaastmeer het kanaaltje (de Pieter Bouwessleat) in zeilde naar het dorp Gaastmeer, er ergens in een bocht aan stuurboord een oud wrak van een palingbuis lag. Hij herinnert zich nog dat zijn grootvader (Jan Haagsma) er met een paar woorden met zijn vader over sprak en hij meent te hebben gehoord dat dat wrak de oude buis uit Workum was. Later heeft hij dat nog wel eens aan zijn vader gevraagd, maar die wist het toen ook allemaal niet meer zo precies. Het lijkt dus waarschijnlijk dat het wrak van de "Wilhelmina"daar, nota bene in de jaren tussen 1950 - 1960, gewoon heeft liggen wegrotten en ook daar haar graf heeft gevonden !

Als ik nogmaals in het boek Tjotters en Boatsjes van Dr. Ir. J. Vermeer kijk naar de achtergronden van Jan Haagsma, valt de daarbij geplaatste foto op. Het is een foto van drie heren aan boord van de "Twa Sisters"(ex. "Paul Kruger" , ex "Drie Gezusters", ex schip van "oom" W.S. Visser, uit Gaastmeer). Bij uitvergroting blijkt dat alle drie heren op de foto dezelfde zijn als de heren die op de foto van de "Wilhelmina" staan. Ook de schippersknecht is dezelfde persoon (en zelfs ongeveer even bescheiden gefotografeerd) als op de eerste foto. En allemaal hebben ze dezelfde kleren aan, en dezelfde corsage op! Ook de achtergrond van de foto is dezelfde ! Dit moet dus ook wel een foto van Joh. Huijsen zijn, gemaakt op dezelfde plek en ook op dezelfde dag dat de foto van de Wilhelmina werd gemaakt ! Later ontvang ik van Siebe Haagsma nog een foto met passé-partout van dezelfde maker met de tjotter de "Twa Sisters" onder zeil in de vaart vanaf de Ielpôlle naar de drooggelegde meren, die op dezelfde dag is gemaakt.

De Twa Sisters

De naam "Twa Sisters" is waarschijnlijk een vergissing van Jan Haagsma. Hij liet aanvankelijk het schip zijn oude naam de "Drie Gezusters" houden. In de tijd van de Boerenoorlog in Zuid Afrika sympathiseerde hij met de Boeren aldaar. Dat heeft hem er op de een of andere manier toe gebracht om zijn schip dan "Paul Krüger" te noemen. Na verloop van tijd was die naam hem echter niet meer welgevallig, en hernoemde hij het schip naar zijn twee dochters. Helaas voor wat betreft de naamgeving, maar gelukkig voor hem kreeg hij later nog een dochter, zodat hij eigenlijk zijn schip beter de oudste naam de "Drie Gezusters" had kunnen laten houden.

Via de familie Horjus krijg ik nog een kopie van een portretfoto in handen, waarvan men echter niet precies weet wie er op staat. De foto is uit dezelfde tijd en eveneens gemaakt door Joh. Huijsen. Ik moet me al sterk vergissen als dit niet de weduwe Maria Henderika Visser Zandstra. De foto is gemaakt op haar trouwdag met Meile Horjus. Ook van Meile blijkt een foto te zijn,waarop hij samen met zijn nieuwe echtgenote staat. De foto is afkomstig uit de collectie van J. en R. Visser-de Groot uit Stavoren.Kennelijk is Johannes Huijsen dus toch tenminste één keer buiten Noord Holland werkzaam geweest, mogelijk omdat hij bekend was met de familie Horjus uit Hoorn. Hij is ongeveer 3 jaar ouder dan Booy Horjus. Wellicht hebben ze bij elkaar in de buurt gewoond, of waren ze ooit goed bevriend

Maria Henderika Visser Zandstra
fotocollectie familie Horjus

Maria Henderika Zandstra en Meile Horjus
op hun trouwdag op 10 oktober 1900
fotocollectie J. en R. Visser-de Groot, Stavoren

 

 Van de familie Haagsma hoor ik ook dat Meile Horjus en zijn nieuwe echtgenote Maria Zandstra een stelpboerderij in Maarseveen hebben laten bouwen; de "Mariahoeve". De boerderij was dus genoemd naar de vrouw van Meile. Het echtpaar verhuist na hun huwelijk in 1900 dan naar een huis in de buurt van die stelpplaats. Wat de reden is geweest voor een Fries meisje uit Wommels, getrouwd met een oorspronkelijk Makkummer boreling om in Maarseveen te gaan wonen is onbekend, maar kennelijk wilde men de palinghandel en Workum helemaal achter zich laten. Zo successievelijk verkopen ze in de jaren daarna, al hun bezittingen in Friesland. Ook de boerderij bij Hindeloopen waar Booy en Antje op wonen. Na de verkoop van deze boerderij te Hindeloopen, verhuizen Booy en Antje naar de Mariahoeve en boert Booy daar verder.

Antje Haagsma 1885-1915
fotocollectie J. en R. Visser-de Groot, Stavoren

Nadat Antje reeds in 1915 op haar 35e was gestorven, trouwt Booy een jaar later opnieuw met Johanna Prins uit het Gelderse Aalten. Hij verhuist later naar Zutphen, waar hij ook, uiteindelijk, naar het schijnt geheel berooid, overlijdt en begraven ligt. Antje wordt in het familiegraf van de Haagsma's bij gezet te Workum.

Maria overlijdt op 10 april 1923 en 8 dagen later sterft ook Meile.

Na deze nieuwe feiten te hebben ontdekt, weet ik ook dat ik voor wat betreft de `Wilhelmina` dus steeds verkeerd heb gezocht in de werfboeken. Ik zal niet op Horjus, maar op Visser moeten zoeken. En dat doe ik dan ook maar. Wellicht voor het laatste deel van deze artikelen, als ik tenminste iets vind.

Met dank aan Rob Martens voor het ter beschikking stellen van de foto, en aan Rein Horjus, Gerard ten Cate, Siebe Haagsma en het Fries Scheepvaart Museum voor hun bijdragen aan dit verhaal.

Wolkom op de thússide fan Warkums Erfskip

Dit hele verhaal en nog veel meer interessante informatie over Workum is te vinden op de website van het Warkums Erfskip.

Terug naar vorige pagina