Eeltje Holtrop en Auke van der Zee - Joure

Eeltje Holtrop van der Zee  leefde van 1823-1901. Het was op de werf van 'Eeltje Teadzes Holtrop', waar Frieslands grootste boeierbouwer werd opgeleid en gevormd. Dit was zonder enige twijfel Eeltje Holtrop van der Zee, geboren te IJlst, 12 september 1823 en overleden te Joure 12 januari 1901. Zijn scheepsbouwersbloed kwam niet van de zijde van zijn vader, Sietze Tjeerd van der Zee, doch wel van zijn moeder, Klaske, die een dochter was van Eeltje Teadzes Holtrop. Van jongsaf werkte hij op de werf van zijn grootvader, die geen mannelijke nakomelingen rijk was en in zijn jonge naamgenoot zijn toekomstige opvolger zag.
Vooral rond het ontstaan van het Stamboek is de werf en zijn de gebouwde schepen volop in de belangstelling komen te staan. Daarna is er veel over Eeltje Holtrop van der Zee, Auke van der Zee en hun werf in Joure en de schepen geschreven. Maar nog steeds zijn er veel vragen, die mogelijk stukje voor stukje beantwoord worden. Echter veel zal ook onzeker blijven. Gerard ten Cate doet er onderzoek naar en heeft daarbij veel historische krantenberichten gevonden. Daarvan heeft hij een transcriptie gemaakt.

Biografie Eeltjebaes

in 1994 staat in "'t Boatsje", een publicatie van Stichting Eeltjebaes/Van der Zee het volgende:
De in Joure woonachtige en nu 80 jarige oud-hoofdredacteur van de Jourster Courant P.R. van der Zee heeft door zijn belangstelling voor de historie van Joure ook veel gegevens verzameld van de oude scheepswerf en zijn bewoners. Zo heeft hij veel informatie over de troosteloze wijze waaraan Aukebaas en de familiewerf aan hun eind zijn gekomen. P.R. van der Zee heeft een biografische opsomming gemaakt van data en gebeurtenissen, die in het leven van Eeltje Holtrop van der Zee van belang waren.

Biografische opsomming Eeltje Holtrop van der Zee, scheepsbouwmeester Eeltjebaes 1823-1901

12 september 1823  geboren in IJlst als zoon van Sytse Tjeerds van der Zee en Klaaske Eeltjes Holtrop
Leerde het vak van zijn grootvader van moeders kant, Eeltje Teardses Holtrop (1789-1846), scheepsbouwmeester te IJlst
17 september 1848 neemt leiding van de werf van wijlen zijn grootvader in IJlst over en begint met het aanleggen van zijn eerste "Dagboek uit de scheepmakerij", waarin alle gebouwde boten worden genoteerd
20 september 1849 trouwt in IJlst met Wytske Aukes Rinkema
13 augustus 1850 dochter Klaaske in IJlst geboren
3 april 1852 dochter Antje in IJlst geboren
13 januari 1854 zoon Auke in IJlst geboren
12 mei 1857 verhuist op 34-jarige leeftijd naar Joure, waar hij de vanouds bekende scheepswerf van Hette Symons Geerts (Hettebaes 1793-1856) aan de Zijlroede overneemt
1857-1901 bouwt bijna 900, uitsluitend houten schepen; ondermeer vracht-, beurt- en vissersschepen, pramen, aken, tjalken, botters en plezierjachten, zoals 'boatsjes' (tot 5 meter, zoals tjotters), (Friese) jachten en boeiers
Enkele bijzondere voorbeelden:
1859: opdracht voor het eerste eigen boatsje in opdracht van J. Zuidema uit Grouw (verdwenen)
1860: opdracht voor de eerste echte boeier Henriëtte Elisabeth (verdwenen)
1868: het Fries jacht Mercurius, dat in het oog van Eeltjebaes het voorbeeld wordt voor alle nog volgende jachten
1886: de boeier Sperwer, nu in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen
1892: een sierlijk bootje voor Koningin Wilhelmina, ter gelegenheid van haar bezoek aan Friesland
1894: de boeier Friso voor de Commissaris der Koningin, later Statenjacht van Friesland
1897: de boeier Jan Spanjaard voor het Loodswezen, in opdracht van de Minister van Justitie (verdwenen na 1936)
1859-1865 Commissaris van de in 1858 opgerichte ijsclub "Flecke Joure"
1862 Inzending voor een tentoonstelling in Parijs, bestaande uit een boatsje, een jacht en een boeier, bekroond met een gouden medaille
19 maart 1864 door burgemeester en wethouders benoemd tot brandmeester
26 september 1877 jurylid bij een tentoonstelling van Handwerknijverheid in Joure
11 augustus 1878 dochter Antje trouwt met Klaas Romkema
13 december 1887 gekozen als lid van de gemeenteraad van Haskerland
10 januari 1888 ontslag gevraagd als brandmeester van Joure
16 juli 1895 herkozen als lid van de gemeenteraad van Haskerland
27 mei 1899 ontslag gevraagd als lid van de gemeenteraad van Haskerland in verband met hoge leeftijd
23 juni 1899 echtgenote Wytske Aukes van der Zee-Rinkema overlijdt te Joure, 77 jaar oud
12 januari 1901 Eeltje Holtrop van der Zee overlijdt te Joure, 77 jaar oud

F.N. van Loon

Toen F.N. van Loon in december 1840 overleed, was Eeltje van der Zee zeventien jaren oud, en hij kan hem hoogstens nog in zijn laatste jaren hebben gekend. Toen het 'Zeejagt van 's-Graveland' in 1825 werd gebouwd, kon Eeltje van der Zee nog nauwelijks lopen, doch tijdens de bouw van de latere Tjet Rixt in 1842 was hij een aankomend jongeling van negentien jaren. Het is niet waarschijnlijk, dat er tussen de bouw van de 'Tjet Rixt' en 1848 toen E.T. Holtrop op 79-jarige leeftijd overleed, nog meer grote boeiers op zijn werf zijn gebouwd, eerder is men geneigd te geloven, dat de hoge leeftijd van de eigenaar aan het concurrentie-vermogen van de IJlster-werf in de laatste jaren niet ten goede zal zijn gekomen.
Eeltje Holtrop van der Zee - juist vijfentwintig jaar oud - begon, nadat hij de leiding van de werf te IJlst overnam, op 17 september 1848 met het aanleggen van een nieuw 'Dagboek uit de Scheepmakerij', waarin hij in dat jaar nog elf 'boten' van veertien tot achttien voet lengte noteerde. In het gehele jaar 1849 werden negentien 'boten' gebouwd en eerst in 1850 vinden wij naast vijfentwintig boten ook twee boeiers vermeld. Het waren echter geen 'boeiers' in de huidige betekenis, doch 'boeiertjes' in de toenmalige meer Hollandse dan Friese betekenis van kleine rond gebouwde sprietzeilbootjes met een boeierkop, zoals mijn vader op zijn twaalfde jaar in 1871 er een van zijn ouders kreeg.

algemeen handelsblad 19 mei 1857
algemeen handelsblad 19 mei 1857

Grote Boeiers

Het zou tot 1852 duren voor de nu 29-jarige Eeltje Holtrop van der Zee zijn eerste opdracht voor een grotere  "boeier" kreeg. Hij noteert in zijn dagboek : "Een 'boegen' gemaakt voor den heer A. Hulk van Amsterdam: lang 30 voet (8.50 meter) etc.". Bij nauwkeuriger beschouwing van hetgeen verder volgt, blijkt wel  dat ook dit geen echte boeier was. Het is niet duidelijk, of het schip wel overdekt was en er is slechts sprake van een 'hut', lang 4 voet van de achterkant-steven. Bovendien was het schip voorzien van een bun, welke 1 voet - 7 duim achter de mast begint en 9 voet en 3 duim lang is. De aanwezigheid van deze bun en het ontbreken van duidelijke boeier-onderdelen in de beschrijving vindt misschien een verklaring in het feit, dat het jachtregister 1855 vermeldt: 'Friso', Aalaak, eigenaar B. Hulk, Amsterdam. Het zal 1860 worden voor Eeltje opdracht krijgt voor een echte flinke boeier en wel van de heer J.A. Vos te Dordrecht. Deze boeier lang 45 voet (12.80 meter) en wijd 13 voet - 8 duim (3.80 meter) springt ook wat haar bouwprijs betreft namelijk f 2.800.- hoog uit boven alles wat hij tot dusver heeft gebouwd. De naam van deze eerste boeier van Eeltjebaas was 'Henriette Elisabeth' (later 'Noorman', na 1942 verdwenen). In de tijd van Eeltje Holtrop van der Zee zijn, tussen 1860 en 1897, dertien boeiers gebouwd. Wanneer wij de voor A.H. Hulk gebouwde "boeier-aalaak" 'Friso' en het in 1917 door Auke van der Zee tot boeier verbouwde Friese jacht 'Annie/Maartje' meetellen, worden het vijftien.

algemeen handelsblad 18 april 1872 boeier en centerboot
algemeen handelsblad 18 april 1872 boeier en centerboot

Friese jachten

In ditzelfde jaar bouwt hij nog drie open jachten, respectievelijk voor rekening van C. Kunst te Dordrecht - lang 6.70 meter, voor de heer Kistmaker te Amsterdam - lang 5.80 meter, en voor de heer H.E. Halbertsma te Grouw - lang 5.40 meter, prijs f 560.-. Zijn reputatie als jachtbouwer schijnt nu wel gevestigd, doch niettemin duurt het tot 1868 voor hij weer een tweetal jachten bouwt en wel twee zeer bijzondere, die beide nog in volle glorie bestaan. Het waren de Friese jachten Dolphijn, sedert 1884 eerst toebehorend aan T., daarna aan H. Voordewind en de Mercurius, sinds 1915 eigendom van R. Buisman te Leeuwarden. De 'Dolphijn' is een unicum omdat zij volgens oudere kenners in haar model geen "boot" of "jacht" is, maar een visaak, zoals deze in die dagen veelvuldig op de Friese meren en vooral op het Heger Meer werden gebruikt. Dit 'jacht' had oorspronkelijk ook een bun. De 'Mercurius' is naar mijn overtuiging het prototype van de grotere Friese jachten, zoals deze door Eeltjebaas zijn ontwikkeld uit de grotere Friese boten. Dat Eeltjebaas dit zelf zo beschouwde, blijkt wel uit het feit dat hij in zijn werfboeken bij de bouw van latere jachten van dit type steeds verwijst naar dit voorbeeld.

In 1901 wordt Auke van der Zee werfbaas

In 1893 had Eeltje de dagelijkse leiding van de werf al overgedragen aan zijn zoon Auke, maar hij hield het opper-toezicht tot zijn dood in 1901 toe. Na het overlijden van Eeltje, kwam Auke in 1901 aan het hoofd van de zaak te staan. Eeltje's zoon Auke werd geboren te IJlst in 1854 en groeide op in Joure waar hij in de voetsporen van zijn vader trad. Zoals elke zoon van een geniale vader, heeft hij altijd wat in diens schaduw gestaan. Door enigszins denigrerende opmerkingen als: .... Auke moge de genialiteit van zijn vader niet deelachtig zijn geworden, toch heeft ook hij naast gedeeltelijke mislukkingen ook mooie schepen gebouwd ...., is destijds een zekere bevooroordeeldheid opgeroepen; wij menen ten onrechte.
Auke heeft na de dood van zijn vader de stap naar het bouwen in ijzer aangedurfd. Hij heeft vele ijzeren aken, skûtsjes e.d. gebouwd, alle van zeer mooie vorm. In hout kwamen onder zijn leiding een aantal grote boeiers, een Fries jacht en twee grote tjotters tot stand. Zij doen volgens ons in kwaliteit niet onder, voor de producten van zijn vader. Auke was, volgens zijn oomzegger Eeltje Romkema ook een zeer kundig houtsnijder. Alle snijwerk aan tjotters en Frie¬se jachten na circa 1885, dat duidelijk eenzelfde hand verraadt, is waarschijnlijk door hem vervaardigd. Hij schijnt geen gemakkelijk mens geweest te zijn en omdat hij bij het bouwen van houten plezierjachten geen concessies aan de nieuwe tijd wilde doen en daarom vaak duurder was dan zijn concurrenten, schijnt hij wel opdrachten te hebben gemist. Auke van der Zee bleef ongehuwd en overleed in 1939 onder zeer armoedige omstandigheden in het oude hellinghuis op de Jouster werf, dat heden ten dage nog bestaat.

het nieuws van de dag 10 juli 1901
het nieuws van de dag 10 juli 1901
hepkema's courant 6 augustus 1902
hepkema's courant 6 augustus 1902

Leeuwarder Courant, 17 juni 1939: Boelgoed - Joure (na het overlijden van Auke van der Zee)

Notaris Van der Werf te Joure zal op dinsdag 20 juni 1939, ’s voorm. 10 uur, ten sterfhuize van den heer A. Holtrop van der Zee te Joure bij boelgoed à contant verkopen: Meubelen en Huisraad alsook zeer fraai gebeeldhouwde Keeftkasten, Friese Klok, secretaire, glazekastje, miniatuur scheepje, veeren ….., duivenhok, tafel, porselein en aardewerk enz. enz. enz.

pdf Boeldag Auke van de Zee 20 juni 1939

Eeltjebaes vs Aukebaes

Eeltjebaes leefde van 1823 tot 1901, Auke van 1854 tot 1939. In 1893 had Eeltje de dagelijkse leiding van de werf al overgedragen aan zijn zoon Auke, maar hij hield het opper-toezicht tot zijn dood in 1901 toe. Dat is uit de werfboeken af te leiden, maar sommige opdrachten staan dubbel opgeschreven, door Eeltje én Auke. Gerard ten Cate is begonnen met het maken van een tijdslijn van de in Joure gebouwde schepen. Vanaf 1903 staat het werkpensioen van Eeltje als notitie in de werfboeken genoteerd. Tussen 1893 en 1901 staan er nog meerdere grote boeiers en Friese jachten genoteerd, die heden ten dage aan Eeltje worden toegeschreven. Daarbij wordt dus uit het oog verloren dat waarschijnlijk Auke een grote (dagelijkse) invloed heeft gehad op de bouw van de schepen en zijn rol tot nu toe zwaar onderbelicht is geweest. Zelfs een foto van hem is (nog) nergens te vinden. In het Nederlands Jachtregister van 1924-1925 staat overigens bij elk in Joure gebouwd schip, A. van der Zee als bouwer genoteerd….
 


 

Eerde Beulakker: Onderscheid moet er zijn

Eerde Beulakker schrijft in zijn boek "Onderscheid moet er zijn" over Eeltje Holtrop van der Zee:
Eeltje werd in 1823 in IJlst geboren als tweede zoon (in een rij van negen) van Sytse Tjeerds van der Zee en Klaaske Eeltjes Holtrop.290 Hij kreeg dus de familienaam van zijn moeder als tweede voornaam. Van vaders zijde, een winkelier in IJlst, kreeg hij geen ‘scheepsbouw-dna’ mee, in tegenstelling tot ‘de aanleg’ van moederskant. Haar vader was namelijk Eeltje Teadzes Holtrop (1768-1848), destijds meesterscheepstimmerman te IJlst. Diens schepen genoten tot buiten de Friese grenzen bekendheid. Eeltje Holtrop groeide min of meer op op de IJlster scheepswerf van zijn grootvader, Eeltje Teadzes. Toen hij twaalf jaar oud was en de lagere school had beëindigd, kwam hij bij pake in dienst en nam kort voor diens overlijden in 1848, hij was toen 25 jaar, de IJlster werf over. Het jaar hierop trouwde hij met Wytske Rinkema. Ze kregen drie kinderen, waarvan de middelste , Auke (‘Aukebaes’, overleden in 1939), later als scheepsbouwer in het voetspoor van zijn vader zou treden. Omdat de zaken goed gingen, zocht en vond Eeltje in 1848 in Joure een grotere werf; een scheepswerf met een lange geschiedenis die tot 1940 in het bezit was geweest van de adellijke familie Vegelin van Claerbergen. 
Van de verhuizing van IJlst naar Joure blijkt trouwens niets uit de bewaarde werfboeken. Zowel de vaste klanten voor nieuwbouw en onderhoud, als de scheepstypen die jaar na jaar werden gebouwd, bleven hetzelfde. Niet alleen Eeltje Taedzes, ook kleinzoon Eeltjebaes kreeg af en toe de opdracht een luxe vaartuigje of een wat groter jacht te bouwen. Het zal duidelijk zijn dat Folkert van Loon hierbij een rol speelde. Het bouwen van schepen destijds had nog niets van seriewerk. Ieder zeeschip, binnenvaartschip, vissersschip, werkbootje, boeier of Fries jacht was weer anders. In totaal gleden er in Joure ongeveer 25 jachten van de helling die puur voor het genoegen waren gebouwd gedurende de halve eeuw dat Eeltje Holtrop van der Zee er de scepter zwaaide. Volgens de werfboeken bouwde de werkploeg, op de werf werkten, afhankelijk van de orderportefeuille, twintig tot veertig mannen, ruim het dubbele aantal uiteenlopende typen boten, die naast werkschip zo nu en dan ook dienst deden als plezierjacht, lees: aan een zeilwedstrijd meededen. Maar het gros van alle scheepsbouw was voor de beroepsvaart en visserij bestemd: pramen, snikken, tjalken, wyldsjitters, visaken, sloepen en punters. Ook enkele zwaargebouwde palingaken, die van Heeg op Londen voeren, verlieten de werf. Tussen 1848 en 1894 produceerde de scheepsmakerij ‘op ‘e Jouwer’ meer dan achthonderd schepen.

Haast mythische proporties

Eeltje Holtrop van der Zee bouwde niet volgens tekening maar op het oog, dat wil zeggen: met intuïtie en ervaring. Zoals eerder betoogd was hij hierin niet uniek. De meeste scheepsbouwers, zeker in Friesland, hadden tot ver in de tweede helft van de 19e eeuw genoeg aan hun vaststaande maten en verhoudingen. Maar in de persoon van Eeltjebaes kreeg dit bouwen ‘uit het hoofd’ of ‘op het oog’ merkwaardig genoeg in toenemende mate een bijzondere status, en zijn wat mysterieuze lijfspreuk ‘myn each is myn rij’ (mijn oog is mijn meetlat) droeg hieraan stevig bij. Ook het verhaal dat hij, na iedere bespreking van een nieuw schip met een klant, een aantal dagen in gepeins verzonken op het werfterrein rondzwalkte, de scheepshelling op- en afliep, dan weer zwijgend bij het water ging staan en vervolgens de woorden sprak: ‘Hy leit der al’ (Hij ligt er al) of ‘Ik haw him al sjoen’ (Ik heb hem al gezien), kreeg door de jaren heen haast mythische proporties. In de watersportliteratuur is hij hier en daar zelfs voor een groot kunstenaar gehouden: in het rijtje van schilder Rembrandt van Rijn, vioolbouwer Antonio Stradivari en automobielbouwer Ettore Bugatti.
Friese scheepsbouwers uit de 19e eeuw schreven weinig op. Daar komt bij dat er op een werf nogal eens brand uitbrak en een archief verloren ging. Een gelukkige uitzondering hierop vormt het archief van de werf van Holtrop van der Zee. Die is ongewoon goed gevuld; de werfboeken van Eeltjebaes en zijn zoon Aukebaes zijn bewaard gebleven.
De schaduwzijde hiervan is wel dat hierdoor één werf bij maritieme vorsers vrijwel alle aandacht kreeg en de jachtbouwgeschiedenis ging domineren terwijl andere werven in de vergetelheid raakten. Hun archieven werden door brand vernietigd, notities, berekeningen en nota’s voor klanten kwamen door slordigheid bij het afval terecht of, en ook dat kwam voor, men schreef weinig op.
Friesland had in de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw verscheidene uitstekende scheepsbouwers die hoogwaardige boeiers, tjotters, Friese jachten en wat al niet
afleverden. Ik noem hier Lolke en Feike Lantinga te IJlst, Ernst Wester te Grou, Gerben Siemens van der Werf te Britswerd, de gebroeders De Jong te Heeg, Jan Oebeles van der Werff te Buitenstvallaat, Jelle Jelles Croles te IJlst, Ulbe Zwolsman in Workum en Leendert van der Lei te Nijenga.
Het is waar, ontwerper Folkert van Loon prees de kwaliteiten van Eeltje Taedzes en diens kleinzoon Eeltje Holtrop, en we mogen aannemen dat de werf, toen nog in IJlst, in de jaren 30 van de 19e eeuw al bekendheid genoot en ook de nodige aantrekkingskracht uitoefende op kopers uit het westen, vooral Amsterdam. Maar de overdreven loftuitingen als ‘hoogbegaafd’, ‘geniaal’, ‘uniek talent’ en dergelijke uit latere tijden, moeten een diepere oorzaak hebben, dat wil zeggen: specifieke belangen dienen.
 

Statenjacht 'Friso'

In de jaren 1893-1894 werd op de werf van Eeltje Holtrop de boeier 'Friso' gebouwd in opdracht van de commissaris van de koningin mr. B. Ph. baron van Harinxma thoe Slooten. Een duidelijk bewijs tot welke hoogte de status van deze ‘skûtmakker’ uit Joure in die dagen was gestegen. De 10,5 meter lange boeier was puur een plezierjacht, wat vooral wil zeggen een wedstrijdjacht. Want toerzeilen zoals we dat nu kennen was in die dagen onbekend, en zeilen en wedstrijdzeilen waren zeker in Friesland vrijwel synoniem. Eind 19e eeuw was ook de tijd dat de boeier als vrachtscheepje en de boeier als plezierjacht duidelijk verschillende wegen insloegen, met als gevolg dat op de werf van Eeltjebaes en zoon Auke de wedstrijdscheepjes extremere vormen kregen en hun afkomst begonnen ‘te verraden’: meer zeeg, een meer gepiekt achterschip, sterker naar binnen vallend boeisel. Om kort te gaan: de plasticiteit van de houten scheepsvorm werd tot het uiterste opgerekt.
Naast een zeker behoud van functionaliteit omwille van goede zeileigenschappen, kregen de boeiers door die vormveranderingen een minder traditioneel uiterlijk. Het kenmerk van binnenvaartschepen was altijd rechttoe rechtaan en hoekig (‘masculien’) geweest om goedkoop te kunnen bouwen en maximale vrachtruimte te krijgen. Ronde vormen joegen de bouwkosten immers op en leverden verlies van laadruimte op. De ‘gepimpte’ boeierjachten onderscheidden zich van vrachtschepen door wulpsheid; door extra aangezette ronde vormen. De werf van Eeltjebaes in Joure volgde hiermee een trend binnen de jachtbouw. Klanten vroegen om ‘verwijfde’ schepen. Opzichtig rond was in de hoogtijdagen van de burgerlijke cultuur in Nederland eind 19e eeuw de nautische smaak van de (nieuwe) welgestelden geworden.
Eeltje Holtrop van der Zee ontwikkelde een neus voor wat de markt vroeg en wist heel goed wat de zeilende "nouveax riches" wensten. Zonder af te doen aan zijn vakmanschap liep de scheepsbouwer hiermee wel het risico dat zijn producten gekunsteld werden. Baron van Harinxma thoe Slooten was overigens een telg uit een adellijke Friese familie met een zeilgeschiedenis van verscheidene generaties en hij had een ontwikkelde smaak voor boten. Toen hij op de werf van Holtrop een jacht wilde laten bouwen, bedong hij dat zijn schipper gedurende de hele bouwtijd op de werf zou gaan wonen, bang als hij was dat niet zijn smaak maar die van Eeltjebaes het gezicht van de boeier zou bepalen. In Friesland waren overigens meer families die van generatie op generatie een ‘pleizierjacht’ bezaten en voor wie een boot een monument was dat bij het bestaan hoorde. Denk hierbij aan de familie Van Eysinga en hun boeier 'Stavo', de Halbertsma’s en hun 'Constanter', de Wegener Sleeswijks en hun Friese jachten, de Sminia’s met hun boeier Catharina. De 'Friso' van baron van Harinxma kostte zeilklaar en inclusief een modern onderwatertoilet 7225 gulden, een bedrag waar een werkman met zijn gezin tien jaar van kon leven.
De boeier 'Friso' werd overigens op 22 mei 1954 om twee uur in de middag op het Pikmeer voor Grou formeel maar feestelijk tot Statenjacht van Friesland verheven. 

Eerde Beulakker: Onderscheid moet er zijn; pleziervaren in Nederland, een cultuurgeschiedenis 
 


 

Waterkampioen november 1938 nummer 619: De vroegere bouw van boeiers in Friesland

In Friesland wordt elk jaar nog enkele malen een zeilwedstrijd uitgeschreven voor de klasse „Boeiers en Jachten". Groot is de deelname gewoonlijk niet, maar voor de toeschouwers is het steeds een van de mooiste klassen. Weinigen zullen er bij stilstaan, dat juist deze klasse een 50-tal jaren geleden de voornaamste en grootste was. Wie in die dagen de zeilsport wilde beoefenen en voldoende bij kas was om zich een eigen schip te laten bouwen, die liet zich eens per trekschuit naar Joure brengen, om daar met den heer Van der Zee, den eigenaar van de groote Jouster scheepshelling, te spreken en dan zorgde deze wel, dat er na eenige maanden een piekfijne boeier van stapel liep. Wij wilden eens iets meer omtrent den bouw van die boeiers weten en bezochten daarom den heer H. van der Zee te Sneek, een neef van den vroegeren bouwer, dien wij dadelijk bereid vonden om ons eens nader in te lichten.

,,Die boeiers," aldus de heer Van der Zee, „die werden eigenlijk precies andersom gebouwd als de tegenwoordige scherpe schepen. Tegenwoordig begint men met het binnenhout, maar toentertijd werd dat pas ingezet, als het schip voor de helft klaar was. Men begon met den voor- en achtersteven te maken en die op den gewenschten afstand van elkaar te plaatsen. De lengte en de breedte van den boeier werden gewoonlijk wel opgegeven, maar de rest liet men meestal aan den bouwer over. Er werd dan op een zwart bordje in witte letters de naam geschreven, dien het schip zou krijgen en dit bordje werd aan den voorsteven vastgemaakt en bleef daar tot het schip geheel klaar was. Dan werd dit bordje-buiten op de schuur van de helling gespijkerd en bleef daar als bewijs, dat het schip op de helling van „Eeltsjebaas" gemaakt was. Die naambordjes kunt u, als u in Joure komt, nog zien, want de helling bestaat nog, al is er in jaren niets meer gebouwd."

„Wie is „Eeltsjebaas", mijnheer Van der Zee?"

„Dat was mijn oom, die wist zelf nauwlijks, dat hij Van der Zee heette. Ieder noemde hem zoo. Zijn zoon noemt men „Aukebaas", die woont nog in Joure en is de tachtig al gepasseerd. Mijn grootvader was ook een „Eeltsje-baas", die had een scheepshelling in IJlst. Maar nu verder betreffende het bouwen van de boeiers. Als de voor- en achtersteven geplaatst waren, werden hiertusschen de „vlakpunten", dat zijn de onderste boegen, aangebracht en deze bodem werd naar beide kanten tot de hoogte van het berghout, den stootrand, opgetrokken. Dan pas werden de leggers binnenin geplaatst en daarna de inhouten, waaraan vervolgens de zijkanten, die weer eenigszins naar binnen loopen, werden bevestigd. Dat alles werd gedaan zonder dat er van te voren ook maar eenige teekening van gemaakt werd. Volgens „Eeltsjebaas" kwam er op die wijze „leven" in het schip. Men voelde den geest van den bouwer erin. Het schip werd telkens van een afstand bekeken en dan zag de bouwer hoe hij verder moest werken. Als ik eens bij mijn oom op de helling kwam, moest ik ook in alle hoeken van de schuur op tonnen en op laddertjes klimmen om te kijken hoe „snel" de vorm was. En ze warengoed, die schepen van „Eeltsjebaas"! Ik herinner me nog dat tijdens een zeilwedstrijd te Grouw de prijzen uitsluitend door zijn schepen gewonnen werden.

„Zijn er nog veel schepen, die uw oom gebouwd heeft?"

„Ja, vele bestaan nog, maar de meeste zijn naar Engeland verkocht. In Friesland varen er nog maar een paar. Ook naar Holland zijn veel verkocht. De „Tjet Rixt", van den heer Hepkema, heeft mijn oom nu 96 jaar geleden gebouwd; dat was een van zijn eerste schepen. Ook de „Constanter", van den heer Halbertsma, en de „Albatros", van den heer Bokma, zijn van hem, evenals de „Friso", van den heer Harinxma thoe Slooten, die later naar de familie Hamstra te Weesp is verkocht. Soms was het resultaat wel eens heel anders dan de boeier besteld was. Op de werf van Lantinga te IJlst werd de boeier „Mi-Mi" voor den heer Andreae gebouwd, maar die moest tijdens het bouwen veel breeder gemaakt worden, dan eerst bedoeld was."

„Uw oom bouwde waarschijnlijk ook wel andere schepen dan boeiers?"

„Natuurlijk, ze bouwden ook veel Engelsche aken en tjalken, maar ook hierbij alles zonder teekening. Van de tjalken werd de onderbouw van dennenhout gemaakt en de bovenbouw van eikenhout. Als het schip dan door ouderdom onbruikbaar geworden was; haalden ze den bovenbouw eraf. Het dennen ondervlak was dan nog gaaf en hierop werd weer een kleinere tjalk gemaakt en zelfs als deze weer afgedaan had, werd op ditzelfde ondervlak nog weer een baggerbok of iets dergelijks gebouwd. Eens werd een boeier voor een bestelling uit Zuid-Afrika gemaakt. Toen deze klaar was, werd hij weer uit elkaar genomen, om in Zuid-Afrika weer in elkaar gezet te worden. Het bouwen in die tijden was, zonder de tegenwoordige machines, natuurlijk geen kleinigheid; er waren dan soms ook wel een 40 menschen bij mijn oom aan het werk."

„Heeft uw oom die scheepswerf zelf opgericht?"
„Neen, hij had bij zijn vader in IJlst het vak geleerd en heeft toen die zaak in Joure gekocht. Die werf bestond al jaren. Daarvoor werden er veel zeeschepen gebouwd, zelfs groote tweemasters werden er gemaakt, soms met zoo'n grooten diepgang, dat ze tusschen twee lichters naar zee moesten worden gebracht. Een heele groote, de „Libra", is, nadat zij afgeleverd was, nooit weer gezien, die is waarschijnlijk direct vergaan."

„U hebt zelf toch ook verscheidene schepen gemaakt; voelde uzelf niets voor het vak van scheepsbouwer?"
„Och ja, ik heb zelf een stuk of zes „D-ers" gebouwd. Ze waren meestal voor mijzelf bedoeld, maar als er dan een kooper kwam, dan maakte ik maar weer een nieuwe. Ik bouwde ook alles zonder teekening. De meeste menschen willen dit niet gelooven; ik heb hierover ook dikwijls met den heer Van Kampen van „De Waterkampioen" gesproken, maar die gelooft het ook maar half."

Na deze beschouwing van den heer Van der Zee hebben wij pas eens een goed idee gekregen van den bouw in vroeger jaren en als we den volgenden zomer de producten van de werf van „Eeltsjebaas" en „Aukebaas" weer tegen elkaar zien strijden, dan zullen we ze waarschijnlijk met andere oogen bekijken, dan we tot nu toe gedaan hebben.
J. F. C.
 


 

Waterkampioen november 1961 nummer 1065: De oude werf op 'e Jouwer door C.J.W. van Waning

Wie komend van de Langweerderwielen of van het Sneekermeer door de Oude Weg en de Zijlroede de „Vlecke" Joure nadert passeert aan de rechterzijde verscholen in hoog geboomte de eerbiedwaardige Herema-State en ter linkerzijde de hoge bouwschuur van de welhaast even oude werf „op de Jouwer". Zij horen sinds eeuwen bij elkaar, die statige state, thans gemeentehuis van Haskerland, en die bescheiden helling, waar als op geen andere werf in Nederland gedurende meer dan drie eeuwen de beste tradities der houten scheepsbouw gehandhaafd bleven.
De werf behoorde immers tot 1940 tot de eigendommen van het Friese adellijke geslacht Vegelin van Claer-bergen, waarvan de Nederlandse stamvader Philip Ernst (1613-1693), na als vaandrig in de Zweedse dienst te zijn geweest, secretaris werd van de Friese Stadhouder Willem Frederik (1641). Door zijn huwelijk met Fockje van Sminia bleef hij in Friesland wonen, waar velen van zijn nakomelingen grietman van Haskerland werden. Er zijn duidelijke aanwijzingen zelfs op de huidige werf, dat de jonkers Vegelin van Claerbergen althans gedurende de gehele 19de eeuw niet slechts de heren waren, die hun pacht inden van de scheepsbouwmeesters die de werf van hen huurden, maar dat hun persoonlijke interesse veel verder ging en veel eerder het karakter droeg van een patronage.

In 1857 ging de huur van de werf over aan de toen 34-jarige Scheepsbouwmeester Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901)

Omstreeks 1850 was de tijd voor de bouw van koffen en andere zeeschepen op zover van de kust gelegen werven goeddeels voorbij. Nadat Hette Symon Geerts, zoon van Symon Geerts, op 15 april 1856 gestorven was, ging de huur van de werf in 1857 over aan de toen 34-jarige Scheepsbouwmeester Eeltje Holtrop van der Zee (1823-1901). Opgeleid door zijn hoogstbekwame grootvader, Eeltsje Teadzes Holtrop (1769-1848), op diens vermaarde werf te IJlst, bracht Eeltje naast zijn in minstens 20 arbeidzame jaren verzamelde vakmanschap ook zijn aangeboren kunstzin mee naar de oude werf „op 'e Jouwer". Omdat hij reeds sinds het overlijden van zijn grootvader in 1848 op 25-jarige leeftijd de leiding had op de Holtrop-werf te IJlst, kon hij ook als zelfstandig scheepsbouwmeester reeds op negen jaren ervaring bogen.
In de werfboeken is de overgang van IJIst naar Joure nauwelijks merkbaar. De vaste klanten, de soorten schepen en boten bleven dezelfde en ook het van tijd tot tijd bouwen van een boeier, een jacht of kleiner luxe-vaartuig ging rustig of liever rusteloos voort. Wij behoeven gelukkig in 1961 aan de lezers van De Waterkampioen niet meer te vertellen, welk een bijzonder begaafd scheepsbouwmeester Eeltsjebaes was, noch een beroep op hen te doen om boeiers van zijn meesterhand te redden van de ondergang of te bewaren voor verkoop naar het 'buitenland. Dit was tien jaar geleden, toen ik zelf de trotse, maar met boeiers nog onervaren, eigenaar van Maartje werd ook heel anders!

pdf Waterkampioen november 1961 nr1065 - De oude werf op e Jouwer door CJW van Waning

Alle resultaten

Schepen, ingeschreven in het Stamboek gebouwd door vader Eeltje Holtrop en zoon Auke van der Zee

Interview met Auke van der Zee in 1936, in diverse kranten gepubliceerd

Transcriptie: 18 februari 2017 door Gerard ten Cate (aangepaste spelling). De foto is dezelfde, die bij het artikel uit de Telegraaf geplaatst was. Voor de duidelijkheid heb ik hier de foto uit de collectie van het Fries Scheepvaartmuseum gebruikt. De foto stond niet afgebeeld bij de artikelen in de andere 2 genoemde kranten:

  • "De Telegraaf" van 1 augustus 1936
  • "Het nieuws van den dag voor Nederlandsch Indië" van 18 augustus 1936
  • "Sumatrapost" van 24 september 1936

Artikelen verzameld op de website www.delpher.nl

Op de werf der Friesche Koningsjachten: “Aukebaas” vertelt van “Eeltsjebaas”

Eens was er een tijd, dat ….. Engeland en de gehele wereld te Joure jachten liet bouwen. En nooit werden ze gemaakt op tekening.

Joure, 1 augustus
(Van onze correspondent)

Wie “Aukebaas”, zoals de heer Auke Holtrop van der Zee in wijde omtrek genoemd wordt, aan het praten krijgt over de oude tijd, heeft enige zeer genotvolle uurtjes. Komt het gesprek meer speciaal op de botenbouwerij, dan raakt de krasse tachtigjarige “hellingbaas” in vuur en komt er een schat van verhalen los over de watersport van vroeger en nu. De interviewer heeft dan een gemakkelijke taak en loopt de kans zozeer in beslag genomen te worden door het luisteren dat hij vergeet aantekeningen te maken. Naar aanleiding van het relaas over een Koninklijke tocht met het Friese jacht de 'Argo', enige tijd geleden in dit blad verschenen en vooral in het Friese waterland met zeer veel kritische aandacht gevolgd brachten we de hellingbaas een bezoek. Ja, hij had het verhaal ook gelezen. Die 'Argo' had zijn vader “Eeltsjebaas” gemaakt. In de vergeelde folianten met oud perkamenten  omslagen ontdekten we, dat de Argo in 1868 besteld werd.

Joure, Mei. Een boot gemaakt voor mr. J. Minnema Buma van Leeuwarden. Dit boot gemaakt met bijlevering van alles buiten zeilen. De som van achthonderd gulden.
“Moet je nou niet om komme, voor achthonderd gulden”, zegt Aukebaas. “ ’n paar lapjes van duizend. Maar toen werkte men voor elf cent in het uur en geen acht uren elke dag, maar van ’s morgens vijf tot ’s avonds acht. In het zelfde jaar liep ook de bekende Friese boeier  “Mercurius” van stapel. Mijnheer Buisman van Leeuwarden won er heel wat prijzen mee”.

Oude herinneringen

En passant bewonderen we de prachtige teakhouten kast, die “Aukebaas” zelf vervaardigde en waarvoor hem eens vijfhonderd gulden geboden werd. Foto’s, tientallen jaren geleden gemaakt, kwamen voor de dag. Foto’s van grote boeiers, die de Nederlandse Staat gebruikte voor de kustinspectie, foto’s van boeiers op de helling en in het water en foto’s van de werf, die nu stil en verlaten ligt en elke dag meer vervalt, maar waar toen de gehele dag stoer gewerkt werd. Honderden boten liepen er van stapel. Beurtschepen, zeiljachten, kielboten, vissersboten voor de Zeeuwse wateren, die door de Zeeuwen hier zelf vandaan gehaald werden, aken, die op Engeland voeren en al meer. Maar het liefste bouwden de Jouwster schepenbouwers de Friese boeiers. Die hebben dan ook hun naam wereldberoemd gemaakt. Met trots toont Aukebaas brieven uit Zuid-Amerika, Engeland, België, Monte Carlo en een der door hen gebouwde schepen kwam zelfs in Japan terecht.
Van al die boeiers zijn er maar enkele in Friesland gebleven. Vooral Engeland koopt ze veel op. Die Engelsen hebben er geld voor, want ze kosten een handvol zilver aan onderhoud. En alleen als ze goed onderhouden worden gaan ze ook een honderd jaar en nog langer mee.

De sloep “Wilhelmina” , die nog in de vijver van de Prinsentuin te Leeuwarden ligt. Rechts achter het roer staat “Eeltsjebaas”. Naast hem Schenkius, bekende Fiesche gids voor  de Engelschen, die het Friesche merengebied bezochten.
De sloep “Wilhelmina” , die nog in de vijver van de Prinsentuin te Leeuwarden ligt. Rechts achter het roer staat “Eeltsjebaas”. Naast hem Schenkius, bekende Fiesche gids voor de Engelschen, die het Friesche merengebied bezochten.

Het 'Wilhelmina'-bootje

Daar heb je nou dat bootje op deze foto. ’t Ligt nog in de Prinsentuin te Leeuwarden. 'Wilhelmina' heet het nu.  De eerste van rechts is Eeltsjebaas zelf. Naast hem staat Schenkius, een kastelein uit Sneek, die altijd als gids optrad voor Engelse heren. Het jaar voor de wereldoorlog kwamen de Engelsen hier veel en werden er ook boeiers besteld. Meer dan vier voet diepgang mochten ze niet hebben en ze moesten volkomen zeewaardig zijn. De “heren uit Den Haag” waarschuwden, dat ze hoogstwaarschijnlijk bestemd waren voor de spionagedienst op de Noordzeekusten. Het was raar, wat die Engelsen hier af fotografeerden. Van al die foto’s konden ze zo een hele kaart van Friesland maken. Overal goed voor, hè! En dat ze dat nou net voor het uitbreken van de oorlog deden. Toen de oorlog uitbrak, hadden we pas een bestelling van een grote ijzeren boeier, maar we konden nergens het ijzer krijgen. Na veel moeite lukte het om het bij Krupp op de kop te tikken. Maar de regering stak er een stokje voor de andere mogendheden konden eens denken, dat het voor oorlogsmateriaal was ……”
“En, waar zijn al die boeiers gebleven?” “Er zitten nog een vijftal in Friesland en enkele in Holland, maar de meeste zijn door Engelsen opgekocht.”

“Hij leit d’er al!”

Soms stuurde een klant een tekening van de boot, die hij graag wou hebben. Nooit werden ze echter op tekening gemaakt. Alles ging op het oog en het gevoel. Ook al het houtsnijwerk en de andere versieringen.
Maar het is nooit voorgekomen, dat er eentje weer uit elkaar geslagen moest worden. Werd de boot besteld, dan stond “Eeltsjebaas” een tijdlang stil aan de kant van ’t water en dan plotseling zei hij: “Hij leit der al”. Dat was meer dan een tekening. De oude baas had hem dan “ien de holle”. Soms werd zijn hulp ingeroepen bij het aankopen van een tweedehands boot. Was de boot goed, dan zei hij: “Dit boot vraagt: laat ons varen”. Als de boot de oude baas niet naar de zin was klonk het: “Laat ons aan de wal blijven!”

Daar komt gevoel bij te pas

“Nee, een boot, daar moet leven in zitten”. En dat krijg je er niet in, door precies naar een tekening te werken. Met een tekening maak je van dood hout niet een levend iets: daar komt gevoel bij te pas ...”.
En zo vertelt “Aukebaas” maar door, uren lang. Van “Eeltsjebaas”, zijn grootvader, van “Eeltsjebaas” zijn vader, van zijn eigen leven en van de Wereldtentoonstelling te Antwerpen in 1867, waar ze gouden medailles wonnen met een kielboot, een jacht en een klein bootje.
De zomerwind ruist in de linden, die het witte huisje overschaduwen, de zon blinkt op het water van de “Sijl” en ranke zeilbootjes met diverse tuigage glijden voorbij op weg naar de wijde Friese meren. Maar de oude werf, waar de beroemde boeiers gemaakt werden, ligt verlaten ……
 


 

Waterkampioen 1939: Auke Holtrop van der Zee overleden (1854-1939)

Maandag 6 Maart is te Joure in den ouderdom van 85 jaar overleden Auke Holtrop van der Zee, in zijn woonplaats bekend als „Aukebaas" en daarbuiten als een der laatste bouwers van den Frieschen boeier. Met hem is een bekwaam vertegenwoordiger van een uitstervend ras van scheepsbouwers heengegaan, een der weinigen, die bij hun werk nog lang de oude zinspreuk huldigden: 'Mijn oog is mijn maatstok'.

Auke Holtrop van der Zee heeft zijn boeiers en andere vaartuigen, waarvan hij er honderden heeft afgeleverd, voor een groot deel zonder ontwerptekening vervaardigd. Daarin lag zijn kracht, doch ook een gevaar. Een gevaar, dat hij, toen in het begin dezer eeuw de ijzerbouw zijn intrede deed, niet geheel heeft kunnen bezweren en dat, later met den neergang der tijden, den gewijzigden smaak der watersportliefhebbers en het verdwijnen van meerdere hem uit de 19e eeuw zoo vertrouwde scheepstypen, oorzaak werd, dat de eens beroemde werf aan de Jouster Zijlroede aan belangrijkheid moest inboeten. Practisch lag zij de laatste jaren geheel stil.

Aukebaas beschikte over een zeldzaam vakmanschap, een kundigheid en vaardigheid, welke zijn tekort aan technisch-wetenschappelijke opleiding ruimschoots vergoedde.
Auke Holtrop van der Zee stamde uit een waar geslacht van scheepsbouwers. Zijn overgrootvader beoefende het vak reeds te IJlst, opgevolgd door Auke's grootvader en vader, Eeltsje. Deze verliet IJlst en nam in 1856 de van ouds bekende werf van Hette Geerts te Joure over, welke hij groot gemaakt heeft. Auke was nog maar enkele jaren oud toen zijn vader verhuisde, maar na de schoolbanken hanteerde hij al spoedig schaaf, zaag en „tsjoksel" (een soort houweel) en weldra waren zijn hand en oog niet minder geoefend dan die van zijn vader.

In 1901 kwam Auke aan het hoofd van de zaak te staan en zette hij de traditie der Van der Zee's, van wier boeiers en jachten een groote roep als snel-zeilende, fraai-gelijnde en oer-degelijke schepen uitging, voort. Zijn boeiers bezeilden niet alleen de Friesche meren, maar ook de stroomen en plassen der Hollanders, en de zeeën rond Engeland. Ja, zelfs naar Amerika en Azië zijn de prachtige trouwe houten - en later ook ijzeren - bodems uit het kleine Joure uitgezeild.

Die boeiers en jachten waren de trots van den nijveren opgewekten bouwer van het witte „hellingliiis" in de bocht van de Sneeker vaart en toen wij den ouden baas eenige jaren geleden nog eens opzochten, wees hij allereerst naar de verbleekte foto's aan den wand en in zijn verzameling, waarop beroemde hardzeilers, die pas de donkere zwart-houten timmerschuur verlaten hadden en feestelijk-bevlagd in het water vóór de werf dreven. Welk een sterk vakmanschap, arbeid en ambachtskennis sprak uit elk dier schepen, schoone vertegenwoordigers van het nationale schip der Friezen, dat door crisis en gewijzigde opvattingen van de Nederlandsche wateren verdrongen is.

Maar ook tjotters en schouwen heeft Van der Zee gebouwd, naast aken en veerschepen, pramen, bokken, tjalken en visschersbooten. Dat was allemaal in den glorietijd van de zeilvaart en de visscherij en hun achteruitgang heeft het ook stiller doen worden op de werf van Aukebaas. Zoolang de oude man - ongehuwd en alleen alles bescharrelend in zijn huisje, boordevol herinneringen aan een werkzaam leven - nog leefde, was daar altijd de zwarte timmerschuur en een naam, die bij velen, vooral bij de ouderen, bekendheid genoot. Nu is Auke van der Zee gestorven en zijn helling zal wel plaats maken voor nieuwe stijve huisjes, zoodat eerlang zelfs de geboorteplaats van vele beroemde boeiers niet meer zal zijn aan te wijzen. Moge dit artikeltje in watersportkringen daarom de herinnering bewaren aan een kundig man, dien wij zullen heeten: een der laatste bouwers van den Frieschen boeier.
v. d. M.
 


 

Grafsteen

Eeltje Holtrop van der Zee en zijn zoon/opvolger Auke van der Zee zijn in 1956 herdacht, toen op initiatief van de heer Paans te Rodevaart het Fries Scheepvaart Museum te Sneek en liefhebbers van het ronde jacht, gelden bijeenbrachten om op de graven van Eeltje en Auke, op de begraafplaats te Westermeer, gedenkstenen te plaatsen.
De onthulling vond plaats op 21 aug. 1956 tijdens een bijeenkomst van een groot aantal ronde jachten bij de Jouster werf, door de heer R. Buisman, eigenaar van het Friese jacht 'Mercurius'. De Commissaris der Koningin Mr. H.P. Linthorst Homan, die met het Statenjacht aanwezig was, sprak een herdenkingswoord, waarna men samenkwam in een kantine van Douwe Egberts, waar een kleindochter van Eeltjebaas, mevr. Petersen-Romkema, herinneringen ophaalde aan haar grootvader.

In de Waterkampioen september van 1956 nummer 977 staat het verslag van deze bijzondere gebeurtenis: Friese Scheepsbouwers geëerd.
 


 

SSRP Monografiën 30 Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie.

Eeltje werd te IJlst geboren op 12 sept.1823 als zoon van Sytse Tjeerds van der Zee en Klaaske Eeltjes Holtrop, Het is duidelijk dat zijn tweede voornaam de familienaam van zijn moeder is. Het echtpaar Van der Zee-Holtrop kreeg 9 kinderen, waarvan Eeltje het tweede kind was. Een jongere broer was Teerdse Sytses van der Zee, geb. IJlst 3 april 1828, mast-, blok- en pompmaker, die te Joure overleed op 9 maart 1910. Deze had uit zijn tweede huwelijk met Trijntje Tieleman (Akkrum 24 apr. 1836 - Joure 6 mrt. 1891) een zoon Hylke van der Zee, geb. Joure 24 febr. 1865, die zich in 1894 in Sneek vestigde. Hij was eveneens mast- en blokmaker, maar kreeg vooral bekendheid door zijn vooraanstaande plaats in de watersport o.a. als voorzitter van de Sneker Zeilclub (S.Z.C.).

Lees het verhaal over Eeltje Holtrop van der Zee in SSRP Monografiën 30 Eeltje Holtrop van der Zee en zijn familie.
 


 

Hellingboeken en Bestekken van de werf van Eeltje Holtrop van der Zee in Joure

Jan Braaksma heeft in 2012 het boek 'De verdwenen schepen van de Dongeradelen' gepubliceerd. Op dit moment is een nieuw boek in voorbereiding 'Blazers, blazers en nog eens blazers' . In het kader van deze boeken heeft Jan veel research gedaan en diverse musea, organisaties en werven bezocht om inzage te krijgen in nog bestaande oude hellingboeken en bestekken. Daarbij is hij ook nog veel andere documenten op het spoor gekomen. Veel bronmateriaal heeft hij gedigitaliseerd en wij mogen dat met toestemming publiceren. We proberen dat zo overzichtelijk mogelijk te doen per werf.

Hellingboeken, Bestekken, Brieven en overige informatie van de werf van Eeltje Holtrop van der Zee in Joure vindt u hier.

De originele werfboeken zijn eigendom van de Ottema/Kingma Stichting en worden bewaard bij Tresoar (Rijksarchief) te Leeuwarden. Van de originelen zijn kopieën gemaakt die echter zo slecht zijn dat ze bijna niet meer de kopiëren zijn. Een eerdere kopie, een tiental jaren eerder gemaakt is wel beter bruikbaar en ligt in het Zuiderzeemuseum te Enkhuizen.

Meer informatie

Er is veel gepubliceerd over de schepen van Eeltje Holtrop van der Zee. Een paar interessante publicaties:

Terug naar vorige pagina