Zeepunter

Voor echt ruw water is de Giethoornse punter wegens zijn lage boeisel ongeschikt. Dit bezwaar is er niet bij de Overijsselse punter, in de wandeling 'zeepunter' genoemd. Het zijn de scheepjes die vroeger aan de oostwal van Zuiderzee voor de visserij werden gebruikt, zowel langs de kust als in de monden van IJssel en Zwartewater. Deze punters hebben hoger oplopende stevens en forsere boeisels, die sterker naar binnen vallen. Ook zijn de zwaarden meer langwerpig van vorm, terwijl de mast achterlijker is geplaatst.

Zeepunters voeren dan ook een brede fok, bij hun sprietzeil, dat meestal van een giek is voorzien. Zo toegerust zijn het snelle en relatief zeewaardige zeilers. De voornaamste vertegenwoordiger van deze soort is de Grote of Dekenpunter. Deze heeft een lengte van 7 meter en een breedte van 1.65 meter; het vlak, weinig groter dan dat van de Giethoornse punter, heeft een stapeling van 18 cm. De boeisels zijn 30 a 40 cm hoog. Het schip is voorzien van een visbun. Men beoefende met deze punters allerlei vormen van visserij, de schepen werden doorgaans geroeid: de ene visser zat op de mastdoft aan de riemen, terwijl zijn maat achter de bun het& vistuig behandelde.

Een enkele maal werden de netten zeilend uitgevierd of gesleept, maar meestal werden de zeilen alleen gebruikt om van en naar de visgronden te varen. Men had deze Grote punters vooral in Genemuiden en Zwartsluis, maar ook in Kampen, Vollenhove en Blokzijl, terwijl ze in Elburg en Harderwijk als ook op Urk en Schokland geen onbekende verschijningen waren.

Definitie in het boek "Gieters gevaer van botje tot bok - Sporen van een puntercultuur" van Niek van den Sigtenhorst

Met de zeepunter zijn we beland bij het grootste puntertype, afgezien van nog te bespreken vlotten en bokken. De term "zeepunter" geeft uitdrukking aan het feit dat er, tot de afsluiting in 1932, op de zoute en brakke Zuiderzee met speciaal toegeruste punters werd gevist. Maar bij de vissers zelf was de term niet of nauwelijks in gebruik. Oostwalvissers (de aanleg van de Noordoostpolder maakte aan het bestaan van de Oostwal voor een flink deel een eind) spraken gewoon van "punter", soms met aanduiding van herkomst: een Kuunder punter, een Grafhorster , Zwartsluizer, Kamper, Elburger en Blokzijler punter. Maar soms was een Kuunder punter geen punter. Men sprak daar omstreeks 1920 van een "grote punter" als men een bonsje bedoelde, en over een "kleine punter" als men het over een zeepunter had. Tegelijkertijd sprak men langs het Zwarte Water van grote en kleine punters, maar dat waren wel allebei zeepuntervarianten.
Daarnaast gebruikte men voorvoegsels gebaseerd op hun uitrusting ten aanzien van de visserij: dekenpunters, kaarpunters en zegenpunters. In Kampen kende men de uitdrukking "zeepunter" wel, maar dan betrof het een kleine variant, die hiervoor als Kamper punter werd beschreven. Het probleem (indertijd was het voor niemand een probleem; dat werd het pas toen definieerders zich ermee gingen bemoeien) werd nog ingewikkelder in de zeepunterrecreatiefase na ±1970.
Een dekenpunter had een lage bun en een kaarpunter een hoge, het kaar. Dekenpunters waren qua type vrijwel altijd wat wij nu zeepunters noemen, al waren die doorgaans korter en smaller dan de huidige recreatiezeepunters. De "moderne" zeepunters, zoals ze sinds 1970 door Harm Wildeboer en diens assistent Jan Bene Oort, en na ruwweg 1985 door Jan-Harm Schreur werden gebouwd, weken op details af van hun voorgangers in de visserij. Ten eerste werden ze ontdaan van hun visserij-attributen: het kaar of de deken en de windas met de handspaken als het zegenvissers betrof. Ten tweede werden ze verbreed, wat het verlies aan stabiliteit door weglating van de bun compenseerde en bovendien het verblijfscomfort verhoogde.

Terug naar vorige pagina