BRU56

BRU56

Informatie van Peter Hamer:
In het boek "Een eeuw Bruse vloot" van de Stichting Brusea staat: De BRU56 'Wilhelmina' werd gebouwd in opdracht van Gerrit Kik Jzn, en ingeschreven in het register op 17-10-1911. De datum van de bouw (1902) kan dus correct zijn. Ook is het waarschijnlijk dat het een mosselaak is geweest, daar zouden dan mogelijk de sporen van te vinden moeten zijn, met name in het achterschip waar het kot gezeten heeft. Het schip werd op 03-12-1917 verkocht naar Maarssen (u). Het boek geeft geen bouwwerf. In 2010 was het eigendom van ene F. Buurman. Mogelijk kan het museum Vlaardingen uitkomst brengen. De registerkaarten zullen wel een werf en bouwjaar vermelden, tenzij het schip al voor 1947 tot jacht is omgebouwd. De oude kaarten geven vaak geen werf.

Dirk Huizinga voegt hier aan toe:
In 1902 is de 'Ebenhaëzer' gebouwd voor A. Kik uit Bruinisse, maar dat was een houten aak van 12.73 meter. De ijzeren aak van dhr. Meijer is 11.30 meter. In 1902 zijn in die maat twee aken gebouwd: 'De Jonge Wietske' voor P. Bootsma uit Lemmer (LE25) en de 'Onderneming' voor C. Portegrijs uit Kolhorn. De Lemster familie Bootsma kende diverse vissers, die ook regelmatig visten in een ander schip. In 1911, bij de nieuwe registratie, viste Gauke Bootsma met een aak onder nummer LE25. In 1912 heeft hij dit schip verkocht en is zijn registratie LE25 overgegaan naar een andere visser. Het kan dus heel goed zijn dat de LE25 van Piet Bootsma al spoedig verkocht is aan een visser uit Bruinisse. Daar heb ik echter geen gegevens van. Van de aak die naar Kolhorn werd verkocht, heb ik helemaal niets.
Wat het zetboord betreft: lang niet alle aken waren oorspronkelijk voorzien van een zetboord. De meeste waren juist zonder zetboord. Later werden sommige aken voorzien van een houten zetboord, terwijl andere het boeisel lieten ophogen met een vast ijzeren zetboord. Het zetboord op de aak van dhr. Meijer is inderdaad fors uitgevallen, wat te maken kan hebben met de vaaromstandigheden. Het zetboord is immers bedoeld om te voorkomen dat er gemakkelijk water over komt. Op de open Oosterschelde waren de omstandigheden ruwer dan op de beschutte Zuiderzee en zal daarom meer behoefte hebben bestaan aan een extra hoog boord.

Eigenschappen

Plaquette nummer:2290 Zeil nummer:
Categorie:B Tekening nummer:
Type:Lemsteraak

Bouw

Bouwjaar:1902 Ontwerper:H. de Boer
Werf:Gebr. de Boer Werf plaats:Lemmer
Motor: Motor type:
Materiaal romp:IJzer Materiaal kajuit:Staal
Materiaal zeil:Dacron
Onderwaterschip:Kiel Kiel:Kielbalk

Afmetingen

Lengte stevens:11,30 m Breedte berghout:4,20 m
Diepgang:1,10 m Masthoogte water:0,00 m
Oppervlakte grootzeil:0,00 m2 Oppervlakte fok:0,00 m2
Oppervlakte botterfok:0,00 m2 Oppervlakte kluiver:0,00 m2
Oppervlakte totaal:0,00 m2 Oppervlakte overig:0,00 m2

Dispensaties

Dispensaties Einddatum Datum nieuwe schouw
Tijdelijke dispensatie voor één jaar: De gaffel is 15cm te lang (Criteria par. 6.1.2). 2019

Tot nu toe bekende eigenaren en namen van het schip

1902? – 1917 (03-12-1917 verkocht naar Maarssen) Gerrit Kik Jzn, Bruinisse ( BRU56 'Wilhelmina')
rond 2010 – onbekend F. Buurman ( BRU56)
2017 – Nu (laatst bekend) L.R. Meijer en N.L.A. Rombout-Meijer, Capelle aan den IJssel ( BRU56)

Geschiedenis

1925

16 september 1925

16 september 1925: Inschrijvingen in Visserijregister Bruinisse

Kaart uit het archief van het Visserijmuseum in Vlaardingen. In het archief bevonden zich 4 BRU56-schepen. Gelukkig is er slechts 1 te linken aan dit schip, omdat de netto inhoud redelijk overeenkomt. De rest van de schepen waren meer dan 20m3, dus die zijn weggestreept.

Uit deze kaart kan worden afgeleid, als het om deze BRU56 gaat, dat het schip inderdaad is gebruikt voor de Mosselvisserij. Voor 1925 zou ze ook het visserijnummer BRU82 hebben gedragen. Eerdere naam 'De Jonge Cornelis'. Vanaf 16 september 1925 was de eigenaar Adr. Jumelet Stz. De naam werd toen 'Anna'.

In 1927 is het schip doorgehaald in het Visserijmuseum. Ze werd verkocht naar 's Gravenhage aan J. de Boer.

2017

2017

2017: Foto's

2018

9 februari 2018

9 februari 2018: Geschouwd door de Criterium Commissie van de SSRP

Opvallend is de lage en brede kont, wat doet vermoeden dat het schip gebouwd is om veel draagvermogen te hebben.
Er is veel veranderd aan het schip boven de waterlijn om het tot jacht om te bouwen, zodat het moeilijk is originele stijlen terug te vinden. Het schot tussen motorruimte en kajuit lijkt te zijn geklonken. Dit kan erop duiden dat dit direct bij de bouw is gebeurd wat weer kan betekenen dat het schip bij de bouw al is uitgerust met een kot. Zo’n kot was in Zeeland zeer gebruikelijk (zie de hoogaarzen, hengsten en Zeeuwse schouwen).
Aangebrachte ogen op beide zijden van de achtersteven kan betekenen dat hier sprake is geweest van een “vissend” roer. Dit is een methode om het roer omhoog te halen bij droogvallen of over een ondiepte schuifelen. Het roer stak waarschijnlijk voor de motorisatie onder de achtersteven, scheg en vlak uit. Dit zou kunnen betekenen dat het oorspronkelijke roer anders was en haar beslag met haar vingerlingen ook is aangepast na de motorisatie en/of verbouwing tot jacht.
De kluiverboom wordt over bakboord van de steven gevoerd. Uit onderzoek is gebleken dat de Zeeuwse schepen overwegend hun kluiverboom over bakboord bevestigd hebben daar waar de botters en lemmeraken de kluiverboom over stuurboord hebben. (Bij schokkers daarentegen zijn de kluiverbomen weer vaak over bakboord bevestigd…).
Over de werf van oorsprong is veel over te zeggen; echter nog hoofdzakelijk speculatie. Het schip zou ook nog van een van de Noord-Hollandse werven kunnen komen, Enkhuizen of Stoel in Alkmaar. De laatste heeft ook de eerste en enige stalen visserman hoogaars gebouwd.

Kortom, er valt heel wat uit te zoeken bij dit schip, wat haar tot een waarachtig interessant historisch onderwerp maakt. Ook al omdat zij aanleiding geeft om onderzoek te doen naar veel de geschiedenis van het (mossel)aak model en haar gebruik in de wateren van de Zeeuwse Delta.

oktober 2018

oktober 2018: Zoeken naar informatie en nieuwe foto's

Eigenaar Laurents Meijer schrijft:
We hebben inmiddels een aantal musea uitgeplozen en bibliotheken bezocht. In het Zuiderzee Museum hebben we een aantal mensen gesproken die ons schip in de haven hadden zien liggen en die wel een paar ideeën hadden wat betreft bouwjaar en bouwwerf. Het schip zou van voor 1900 zijn uitgaande van het volgende. Daar waar de steven van het voorschip aanhecht op het vlak is er een driehoekige houten keg geplaatst. Dit omdat het blijkbaar nog niet mogelijk was om deze aanhechting fraai te klinken. Ook boven op de voor en achter steven vinden we nu een gelaste afdichting die niet geklonken is. Dit zou er op duiden dat ook hier een houten afdichtplaat zou hebben gezeten. Volgens de mensen die wij hebben gesproken zijn deze karakteristieken van voor 1900.
Verder zijn we opzoek naar de bouwwerf. dit leidt tot nu toe tot speurwerk in de richting van Van Goor in Kampen. Echter hebben we ook contact gehad met de heer Stofberg, die in de richting van de werf van Croles in IJlst wijst. De heer Stofberg komt komende maand nog even langs om het schip goed te bekijken. Hopelijk kan hij dan aan het plaatwerk en klinkwerk meer zien.
Het Fries Scheepvaart Museum hebben we ook benaderd, maar heeft helaas geen werfboeken meer van Croles. Ook in de schepenlijst van deze werf komt geen overeenkomstige aak voor. We hebben ook de werfboeken van Van Goor bekeken in het Zuiderzee Museum. Helaas gaan deze boeken niet ver genoeg terug zodat we ook hier niet veel konden vinden. 

We zijn zeer geïnteresseerd in uw opmerkingen en/of vragen over dit schip. Stuur ze ons!

Terug naar het overzicht