Drentse veiligheid
02-09-2026
Dat de moderne wedstrijdskûtsjes een heel ander zeilplan hebben dan de oorspronkelijke zeilende vrachtscheepjes voor de bulkvaart in het noorden van het land, is bekend. Oorspronkelijk voeren de vrachtschippers met een relatief bescheiden tuig aan een vrij korte mast, waarbij de vleugel in gestreken toestand op de roerklik hing. Minder kwetsbaar dan de lange masten van tegenwoordig en voor reparaties aan de masttop bereikbaar voor de schipper, gewoon vanaf het eigen schip. Ook die vrij kleine tuigen waren begrijpelijk. Skûtsjes werden gezeilde door de schipper en zijn vrouw, al dan niet met een knecht erbij. Dus door een minimale bemanning, zodat er zo weinig mogelijk verdiensten uitbetaald moesten worden aan schippersknechten. De kleine tuigen waren praktisch. Je hoefde niet bij toenemende wind meteen te denken aan reven, je kon vlagen gemakkelijker pareren, omslaan was onbestaanbaar, dat moest kostte wat het kost voorkomen worden.
Niet alleen in Friesland werden tjalkachtige scheepjes gebruikt voor het bulkvervoer van mest, aarde, hooi, landbouwproducten of turf. Ook in Drenthe en Groningen was dat het geval, hoewel vooral in Drenthe ook grote houten pramen populair waren. De Friese tjalken onderscheidden zich van de Groningse door hun sierlijker vorm, de smalle gangen in kop en kont en de aandacht voor afwerking en versiering. De Groninger schippers waren gemiddeld wat meer dan de Friese gericht op efficiency, op vervoer tegen zo laag mogelijke kosten. Veel van hun kleinere schepen konden ook eigenlijk geen tjalkje meer genoemd worden. Het waren bolschepen. Grote, wat opgebouwde pramen zonder duidelijke stuizen om de boegen en daardoor met een wat simpele uitstraling. Maar wel goedkoop te bouwen, dus gunstig in gebruik.
Bij het vergelijken van dergelijke vrachtscheepjes uit Groningen, Friesland en Drenthe vallen ook de schepen op met een afwijkend tuig. Met een kleiner grootzeil en ook een kleinere fok dan de skûtsjes in Friesland gebruikten. Vooral de skûtsjes in Friesland waren uitgerust als zeilschepen. In die provincie werden de jaagpaden langs de vaarten ook maar matig onderhouden. In het Lage Midden waren die vaarten immers maar kort en de wijde wateren talrijk. Friesland was voor de schippers vooral een zeilparadijs. Daar hoefde niet zo vaak geboomd of gejaagd te worden, wat zowel voor de schipper als de schipperse een genot was.
Maar toch, want waarom waren er schippers die zo’n relatief klein grootzeil gebruikten met een kort, recht gaffeltje? Met ook nog eens een kleinere fok, alsof er storm op komst was? Een tuig dat bovendien bekend stond als ‘Drents kanaaltuig’, dus kortweg een ‘Drents tuig’? Terwijl je in kanalen eigenlijk wat meer tuig kunt gebruiken om nog lekker op te schieten?
Het Drents tuig werd gebruikt door alle schippers die hun lading uit Drenthe haalden of naar Drenthe brachten. Zij moesten van de overheid, vastgelegd in politieverordeningen, verplicht bij het zeilen op de smalle Drentse kanalen en vaarten zo’n klein tuig gebruiken voor de veiligheid, om te voorkomen dat ze te hard zouden gaan.
Voor zeilende vrachtschippers bestonden ook in Groningen allerlei beperkingen. Veel beheerders van oude turfvaarten hadden met de boeren die koeien in het land hadden langs de vaart afgesproken dat het verboden was door de vaart te zeilen. Er mocht alleen geboomd of gejaagd worden, want het leek hun niet goed voor de koeien dat schepen met die grote zeilen en dat geklapper in de wind langs de koeien zouden varen. Die konden er wel eens van schrikken. Beurtschipper Jan Jagersma bijvoorbeeld liet in 1909 bij de scheepswerf op het Buitenstvallaat bij Drachten een skûtsje bouwen om dat te gebruiken als beurtschip tussen Drachten en Groningen. De snelle verbinding was via het Bergumermeer over het Kolonelsdiep, maar Jagersma koos voor de moeilijke route. Binnendoor over de Drachtstervaart, de Jonkersvaart en het Hoendiep naar de Westerhaven in Groningen en weer terug. Iedere week een keer, met tussenstops in Frieschepalen, De Wilp, Marum, Leek, Vierverlaten, Hoogkerk en de eindbestemming Groningen. Op maandag werd in Drachten het stukgoed ingeladen, op dinsdag vertrok hij en op woensdag bereikte De Jonge Trijntje de Westerhaven. Op donderdag begon de terugreis en aan het einde van de vrijdag kon hij Drachten weer bereiken. Maar niet op de zeilen. Daar waren de vaarten minder geschikt voor, maar ja, de jonker van Nienoord, eigenaar van de Jonkersvaart, had het ook verboden vanwege de koeien. Iedere schipper moest jagen en bomen om over die route Groningen te bereiken. Voor Jagersma was dat iedere week opnieuw veertig kilometer heen en veertig kilometer terug.
Op de Drentse vaarten was zeilen wel toegestaan, maar alleen met een Drents tuig, dus met een kleiner tuig ten behoeve van de veiligheid. Een soort stormzeil voor een schip in Drenthe waar toch al nauwelijks wind staat. Vooral dat kleine, smalle grootzeil met dat gaffeltje is opvallend. Dat is aanzienlijk kleiner dan een normaal in Friesland gebruikelijk grootzeil. Het lijkt in sommige gevallen wel wat op de smalle grootzeilen die we zien op 17e eeuwse schilderijen van boeiers, die ook een heel kort gaffeltje hadden, waardoor het leek alsof ze torengetuigd waren. Daarbij werd bij het Drents tuig ook de gaffelklauw wel eens weggelaten. Een gaffel zonder bek. De schipper hees het grootzeil dus probleemloos. Hoe de gaffel erbij stond werd pas op het laatst duidelijk als de grootzeilval werd doorgezet. Wie wel eens met zoiets geëxperimenteerd heeft, die heeft daarbij ervaren dat een gaffel niet gewoon uit blijft staan. De val trekt de gaffel naar binnen, wat normaal voorkomen wordt doordat de klauw van de gaffel bij de mast houdt en tegen de mast drukt. Een kort gaffeltje kan onder zeil echter gewoon z’n werk doen zonder klauw tegen de mast zodra de wind het grootzeil van de mast af drukt. Allemaal niet ideaal voor een optimale trim, maar wel praktisch en eenvoudig.