Gebr. De Jong - Heeg

Nu 300 jaar geleden, - in 1699 -, liet de schuitmaker Joucke Fetzes in Heeg zijn huis en scheepswerf bouwen. Het is wel heel bijzonder dat daar nog altijd een scheepsbouwer is gevestigd en dat er sprake is van een welhaast ononderbroken eeuwenlange scheepsbouwtraditie, mogelijk wel van voor 1660 af. Het hellinghuis van Heeg, in de 17de eeuw eigendom van Joucke Fetzes en aan het eind van de 20ste eeuw van Pier Piersma, staat op een prachtige plaats aan de Syl en bepaalt het aanzien van het dorp in bijzondere mate, samen met zijn even karakteristieke tegenhanger: het palinghandelarenhuis "Siet U Selfs". Beide huizen drukken iets uit van de verbondenheid tussen de Hegemer scheepsbouw en de legendarische palinghandel op Londen met de indrukwekkende palingaken, waarvan er vele op de werf naast het huis werden gebouwd en onderhouden.

De broers Berend Hendriks de Jong (tot 1921) en Michiel Hendriks de Jong (tot 1940)

In 1893, zeven jaar voor zijn dood, droeg Hendrik Miggels de werf over aan zijn twee zoons, Berend en Michiel, die toen vierendertig en zesentwintig waren en beiden al getrouwd. In dat jaar moest de Syl, het vaarwater ten westen van de werf, drie tot vier meter verbreed worden en dat betekende een wezenlijke verkleining van de ruimte op de helling naast het huis. In verband daarmee werd het nodig het huis een drietal meters naar het oosten en een tweetal meters naar het noorden te verplaatsen, De timmerschuur die aanvankelijk evenwijdig aan de achterkant van het huis had gestaan, werd licht gedraaid naar het water toe om zo de schepen vanuit het oostelijke hellinggat gemakkelijker naar binnen te kunnen krijgen. Dit alles betekende wel dat de oude lengte van het woonhuis niet meer gehandhaafd kon worden. Zowel het voor- als het achterhuis werd zo'n anderhalve meter korter.

De werfboeken van de beide broers liggen in het archief van het Scheepvaartmuseum. Ze beslaan vrijwel de hele periode van oktober 1893 tot 1940. Alleen de jaren 1898 - 1900 en 1905 - medio 1914 ontbreken.

Het Syl in Heeg
Het Syl in Heeg

Op 16 september 1893 openden Berend en Michiel hun werfboek. Aan het geoefende handschrift te zien, werd hun administratie het eerste jaar door iemand anders gedaan, maar vanaf 1895 deed Berend het zelf. Ze waren toen met z'n achten op de werf. Acht man, dat lijkt ongeveer evenveel als de knechten die met hun naam worden genoemd in Hendrik Miggels' werfboek, Jakop, Hantze, Jan, Douwe en anderen. Maar het aantal knechten in Hendriks tijd, zeker voor zover ze bij nieuwbouw waren betrokken, mag verdrievoudigd worden vanwege de "naamlozen". En van "naamlozen" is er na 1893 geen sprake meer. Ongetwijfeld ook onder invloed van de mechanisatie, maar ook omdat grotere schepen in toenemende mate van ijzer werden gebouwd. De wereld van de houten nieuwbouw werd snel kleiner.

De werf in Heeg
De werf in Heeg

In Heeg duurde de ijzerbouw hoogstens een jaar of dertig en voor zover de werfboeken betrouwbaar zijn in dezen, was de nieuwbouw ook in de periode dat er in ijzer werd gebouwd, vele jaren minimaal, De eerste aantekening die Hendrik in het "Schrijfboek" maakte, lijkt de beschrijving te zijn van een ijzeren schip dat hem beviel. Hij zag het liggen aan de Eerste Badhuisgracht in Sneek.Tot eind 1932 was er nog werk voor vader Michiel en zijn zonen Hendrik, Berend, Klaas en Sietse, waarbij Hendrik vooral het ijzerwerk en de mastenmakerij op zich had genomen en Berend het hout.

Tewaterlating Boeier Ibbe in 1933
Tewaterlating Boeier Ibbe in 1933

De broers Hendrik Michiels de Jong (tot 1960) en Berend Michiels de Jong (tot 1980)

In 1940, na het overlijden van vader Michiel, namen Hendrik en Berend de werf over. Hendrik deed het "ijzer" en Berend het "hout". Sietse was inmiddels postbode geworden, maar werkte ook nog wel mee op de werf. Hij kreeg betaald voor de uren die hij werkte. De laatste keer dat hij wordt vermeld is op 30 augustus 1947. Hendrik trok met zijn gezin in het voorhuis op de werf. Berend bleef in het dorp wonen, Harinxmastrjitte 30 en hij voerde de administratie van de werf. Hij hield een werfboek, een kasboek en een grootboek. Berend heeft twee duidelijke werfboeken nagelaten. Het eerste loopt van 1940 tot 1947 en het tweede van 1948 tot 1954. Hij organiseerde het werfboek anders dan zijn vader dat placht te doen. Hij reserveerde een hele pagina voor iedere klant.

Jeugdherbergcentrale

Eén klant valt daarbij op: de Jeugdherbergcentrale. De vader van Pier Piersma, alom bekend geworden als "Heit Piersma", zou immers na de oorlog jeugdherbergvader worden in Heeg. De jeugdherberg werd een vaste klant: in maart moesten de boten te water worden gelaten, regelmatig bleek dan dat er nog een dicht moest worden gemaakt, in de zomer kwamen er reparaties als gevolg van een aanvaring, vaak moest er een botteloef worden gelast of rechtgebogen en hun werkzaamheden eindigden in oktober-november met het strijken van de vlaggenmast van de jeugdherberg.

Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten

Voor de vissers en de schippers uit de buurt was het in die tijd nog niet nodig dat ze zich een telefoon aanschaften. Maar kennelijk waren de contacten van de Jong met de "buitenwereld" toch al van dien aard dat telefoon op de werf wenselijk was geworden. En die "buitenwereld" zou belangrijk worden, want op 8 oktober 1955 werd de Stichting Stamboek Ronde en Platbodemjachten opgericht. Al in november van datzelfde jaar betaalde Berend zijn contributie aan de Stichting: fl 5,00. Dat lijkt nu niet veel, maar het waren toen twee uurlonen. Het verlangen van een kleine groep mensen om het "varende erfdeel" niet te laten verdwijnen, bleek door onverwacht velen herkend en gedeeld te worden. En Berend en Hendrik waren een van de weinige werven bij wie men terecht kon om aan dit verlangen vorm te geven.
Berend bouwde nog steeds alles "op het oog". Nog steeds bedreef hij de kunst van het schuitmaken zoals die in Joucke Fetses' dagen werd beoefend. Er was veel veranderd sinds die tijd. Dat wat ervan overgebleven was, van die tijden dat tientallen werknemers een bestaan hadden gevonden in de scheepsbouw, dat was een marginaal bestaan voor twee ouder wordende broers die eigenlijk al te oud waren om nog naar ander werk om te kijken.

Deur naar de toekomst

Plotseling verschenen daar die rijke westerlingen met namen die in heel Nederland bekend waren. En zij bestelden tjotters bij hen, de ene na de andere. Ze verdrongen elkaar bijna. Het verhaal wil dat de vatenfabrikant Oscar van Leer de eerste was van deze stroom nieuwe klanten. Hij kwam door bemiddeling van de pas opgerichte Stichting. De bouw van zijn tjotter "Tjilling' begon op 1 maart 1956. Natuurlijk was er in 1955 al een tjotter voor de Jeugdherberg in Heeg gebouwd, de "Hoannemosk"; en in 1954 een voor de familie Spitzers uit Bilthoven en in 1952 was er al de "Wylp" voor de Jeugdherberg in Heeg, maar dat waren wat eenvoudiger uitvoeringen geweest, verbeterde visbootjes. De "Tjilling' moest een tjotter worden met alles erop en eraan. En Van Leer was ook de eerste van wie de secretaresse opbelde met de mededeling dat meneer Van Leer van plan was vanmiddag langs te komen en later, toen de "Tjilling" klaar was, dat meneer Van Leer wilde zeilen die dag en of de tjotter zeilklaar gemaakt kon worden.

Zo ging er een deur naar de toekomst open, wagenwijd, maar tegelijkertijd werd die naar het verleden gesloten. Die van het verleden was die van de armoe, van boerenbootjes, van de vissers, van visbootjes die in de lente op de wal kwamen, op de kop en met de zijkant schuin omhoog gezet. Daar rook de lente naar carbolineum en taan. Met enig gevoel voor dramatiek zou men kunnen zeggen dat het die wereld was die Berend en Hendrik achter zich lieten met de betaling van zijn contributie aan de Stichting in die novembermaand van 1955. In plaats van die wereld van de beroepsvaarders van vroeger kwam bijna van de ene dag op de andere de pleziervaart met lak, koper en witte zeilen. De bouwwijze en de vormgeving veranderden niet of nauwelijks. Wat ook niet veranderde, was de geur van eikenhout. Wat wel veranderde was het publiek, het geld en de afwerking van de boten.

Het werfhuis wordt verkocht

Het werfhuis, eigendom van de fam. Visser, was intussen leeg komen te staan, want Hendrik verhuisde naar de Weinslootsweg. De werf werd in 1959 door erfgenaam notaris Visser uit Balk tijdens een busreis verkocht aan foeragehandelaar A.Visser uit Osingahuizen, die meer oog had voor het stuk grond, dan voor de gebouwen erop, want die wilde hij laten afbreken om er een bungalow voor in de plaats te zetten. Maar voldoende stemmen verhieven zich tegen dit plan. Hij kreeg geen vergunning voor de sloop, zodat hij het toen als zomerhuis ging gebruiken. Ook verhuurde hij het wel aan derden. Berend kreeg de toezegging dat hij tot in lengte van dagen zijn bedrijf zou kunnen blijven uitoefenen in het timmerhok bij de grote loods. In 1960 was Berend al voor drie jaar volgeboekt. Dat was hem nog nooit overkomen. Daarvan had hij niet eens durven dromen. Reparaties wees hij nu zoveel mogelijk af. Klusjes en karweitjes doen, dat was verleden tijd. Hendrik Michiels werd in 1962 veel ziek. In onderling overleg werd besloten dat hij zou ophouden met werken en dat Berend Michiels alleen de werf zou voortzetten. 

Tweede jeugd

Berend de Jong en echtgenote in Heeg
Berend de Jong en echtgenote in Heeg
Berend de Jong brandt een gang voor de tjotter Goudsprinkeltje (plaquette 0499) in 1966
Berend de Jong brandt een gang voor de tjotter Goudsprinkeltje (plaquette 0499) in 1966
Berend de jong, werf in 1966
Berend de jong, werf in 1966
Berend de Jong, werkplaats in 1966
Berend de Jong, werkplaats in 1966

Pier Piersma komt in 1966 in de leer

Het was 1966. En zo, toen Berend de Jong de zestig al gepasseerd was en zijn handen nog steeds de ene na de andere boot wisten te maken, kwam Pier Piersma bij hem in de leer. Het was dat die jongen van de Jeugdherberg kwam en handig was met boten. Na een paar weken gaf Berend te kennen dat het met deze jongen wel goed zou komen. Het kwam er zelfs nog van dat Berend in de tijd dat Pier bij hem werkte, een kajuitschouw bouwde voor zichzelf. Veel zeilde hij er niet meer in. Het bleef beperkt tot dagtochtjes. Zijn laatste tjotter bouwde hij in 1972, maar hij presteerde het nog om drie wildschieters te bouwen in 1980. Zesenzeventig was hij toen. Dat waren ook zijn laatste schepen. Hij was de laatste werfbaas van drie generaties De Jong. Joucke Fetzes is acht generaties terug.

Het kleine timmerhok, waar de "Boreas "nog was ontstaan, dat aan de grote loods was aangebouwd, was niet meer dan een "ruïne", In 1973 werd het gesloopt. De grote loods die ook zijn beste tijd had gehad, werd in 1976 opnieuw opgebouwd. Daarbij kwam er een vrije doorgang tussen loods en werfhuis. Vroeger had zich op de plek van deze doorgang het pikhok bevonden. In 1977 kocht J.H. Rademaker uit Ederveen het geheel van Visser. Hij maakte er zijn zomerhuis van totdat Pier Piersma het van hem kocht in 1986. En daarmee zijn we aangekomen bij de dag van vandaag.

Een uitgebreid verhaal over de werf van de Gebr. de Jong in Heeg staat op de website van www.skutsjehistorie.nl.

Berend de Jond en de jonge Pier Piersma aan het boegbranden
Berend de Jond en de jonge Pier Piersma aan het boegbranden

Spiegel der Zeilvaart Februari 1993: In Memoriam Berend de Jong

Alle resultaten

Overzicht van schepen met SSRP-Plaquette, gebouwd door de Gebr. de Jong (tot 1962)

Alle resultaten

Overzicht van schepen met SSRP-Plaquette, gebouwd door de Berend de Jong (vanaf 1962)

De Helling onder Heeg, het verhaal van de scheepsbouwers tussen 1699 en 1999 in boekvorm

Sicco van Albada heeft in 1999 het boek 'De Helling onder Heeg' gepubliceerd waarin hij vertelt hoe het de scheepswerven in Heeg in 300 jaar tijd verging, met de werf aan het Syl als middelpunt. Veel van wat er zich op deze werf afspeelde, is vergelijkbaar met dat wat zich op ander werven heeft afgespeeld. De tekst op deze pagina is ontleend aan dit boek, maar het boek zelf bevat nog veel meer interessante informatie, verhalen en ook historisch fotomateriaal.

Terug naar vorige pagina